Lezingen van de dag – zaterdag 4 aug 2018


Heilige (of feest) van de dag

Jean-Marie-Baptiste Vianney († 1859)
– pastoor van Ars –

Ars-sur-Formans (bij Villefrance-sur-Saône), Frankrijk; pastoor

Hij werd op 8 mei 1786 geboren te Dardilly (niet ver van Lyon) als vierde kind in een eenvoudig boerengezin. Hij wilde dolgraag priester worden, maar had te weinig talent om de opleiding te volgen. Op het eindrapport van het eerste jaar stond vermeld: ‘debilissimus’ (‘ontzettend zwak’). Daar stonden echter zoveel andere, pastorale capaciteiten tegenover dat men hem toch toeliet voor de priesterwijding, 1815.

Drie jaar was hij kapelaan Écully. Toen werd hij benoemd tot pastoor van het zestig huizen tellende dorpje Ars. Hier ontpopte hij zich als een ware zielenherder. Hij was een begaafd biechtvader. Van heinde en verre kwamen jaarlijks zo’n honderdduizend personen `de pastoor van Ars’ om raad vragen. Het gebeurde wel dat hij achttien uur achtereen in de biechtstoel zat om biecht te horen. Hij toonde zich barmhartig en vergevingsgezind, met veel begrip voor de menselijke zwakheden, waar hij tegelijkertijd onder leed, en waarvoor hij zich in zijn persoonlijk gebedsleven allerlei vormen van boete en versterving oplegde.

Naar het schijnt leed hij ook onder allerhande verzoekingen van de duivel, die hij `mijn vriend de duivel’ noemde. Zijn leven is een aaneenschakeling van gebedsverhoringen, genezingen en voorspellingen. Daarbij had hij een bijzondere verering voor de pas in de Romeinse catacomben teruggevonden heilige martelares Filomena († 4e eeuw; feest 10 augustus).

Er wordt over hem een even aardige als diepzinnige anekdote verteld. Elke ochtend las hij in zijn kerk de Heilige Mis voor een handjevol gelovigen. Op een goed moment werd zijn aandacht getrokken door een oud boertje dat sinds enkele dagen aanwezig was, helemaal achterin de kerk. Hij deed niet mee met de Mis, had geen gebedenboekje, ging niet te communie, en was na afloop onmiddellijk weer verdwenen: hij zat er alleen maar stil voor zich uit te staren. De Pastoor van Ars kende hem niet, en was nieuwsgierig. Na enige aarzeling stapte hij op het mannetje af met de vraag wat hij nu daar zo achter in de kerk zat te doen. Het antwoord luidde: “Hij kijkt naar mij, en ik kijk naar Hem…”.

Hij rust in de basiliek van Ars-sur-Formans; zijn hart bevindt zich in een reliekschrijn in de Chapelle du Cœur.
Heiligverklaard in 1925.

Sinds 1929 is hij patroonheililige van alle zielzorgers.

Hij wordt afgebeeld als kleine, magere man met smal gezicht en lang grijs haar. Vooral als biechtvader in superplie met paarse stola om de hals.

zaterdag in week 17 door het jaar


Uit de profeet Jeremia 26, 11-16 + 24

De profeet Jeremia wordt, om zijn profetieën tegen de stad, voor de rechters gesleurd. Ze geven hem de schuld van het onheil dat hij heeft voorzegd. Het ging hem om de mensen tot bekering te brengen, zodat zij hun leven zouden beteren en naar de Heer hun God zouden luisteren. Sommigen zien dit in en redden Jeremia.

De priesters en de profeten namen het woord. Ze zeiden tegen de leiders en alle andere aanwezigen: ‘Deze man verdient de dood. U hebt zelf kunnen horen wat hij over deze stad heeft geprofeteerd.’
Jeremia antwoordde: ‘Het is de Heer die mij gezonden heeft om te profeteren wat u over deze tempel en deze stad hebt gehoord. Beter daarom uw leven en luister naar de Heer, uw God, opdat Hij afziet van het onheil dat Hij u heeft aangekondigd. Wat mijzelf betreft: ik ben in uw handen, u kunt met mij doen wat u goed en rechtvaardig acht. Maar besef wel dat u door mij te doden onschuldig bloed vergiet, waarvoor u zelf, deze stad en de inwoners zullen boeten, want werkelijk, de Heer heeft mij gestuurd om u te waarschuwen.’
Toen zeiden de leiders en de andere aanwezigen tegen de priesters en de profeten: ‘Deze man kan niet ter dood gebracht worden, want hij heeft in de naam van de Heer, onze God, tot ons gesproken.’
Jeremia werd beschermd door Achikam, de zoon van Safan, zodat hij niet werd uitgeleverd aan het volk, dat hem wilde doden.

 

Psalm 69, 15 + 16 + 30 + 31 + 33 + 34

Refr.: Mijn gebed, Heer, richt ik tot U.

Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink,
laat mij ontkomen aan wie mij haten,
haal mij uit dit diepe water.

Laat de stroom mij niet meesleuren,
het slijk mij niet verzwelgen,
de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten.

Ik ben verzwakt, ik ben verwond,
maar uw hulp, o God, zal mij beschermen.

De Naam van God wil ik loven met een lied,
zijn grootheid met een lofzang prijzen.

Want de Heer hoort de armen,
zijn gevangen volk verwerpt Hij niet.

Hemel en aarde moeten Hem loven,
de zeeën, met alles wat daarin leeft.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 14, 1-12

Mensen die het gedrag van anderen ontmaskeren en aanklagen worden niet zelden letterlijk of figuurlijk uit de weg geruimd. Johannes de Doper sprak ook te vrijmoedig over het wangedrag van Herodes en de zijnen. Herodes liet hem onthoofden.

In die tijd hoorde ook Herodes, de tetrarch, over Jezus vertellen, en hij zei tegen zijn hovelingen: ‘Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is opgestaan uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’
Herodes had Johannes destijds laten arresteren en in de boeien laten slaan en hem in de gevangenis geworpen vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. Johannes had namelijk tegen hem gezegd: ‘U mag haar niet tot vrouw nemen.’ En hoewel hij hem wilde doden, deed hij dat niet uit vrees voor het volk, dat hem voor een profeet hield.
Toen Herodes een feest gaf ter gelegenheid van zijn verjaardag, danste de dochter van Herodias te midden van de aanwezigen, en dat viel bij Herodes in de smaak. Daarom zei hij dat ze zou krijgen wat ze maar zou vragen, en hij bezegelde die belofte met een eed. Door haar moeder daartoe aangezet zei ze: ‘Breng me dan op een schaal het hoofd van Johannes de Doper.’
Deze vraag bedroefde de koning, maar omdat hij in het bijzijn van zijn tafelgasten een eed gezworen had, beval hij dat men het haar zou brengen, en hij gaf opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. Het hoofd werd op een schaal binnengebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder. Zijn leerlingen kwamen het lijk halen, begroeven het en gingen daarna naar Jezus om het Hem te vertellen.

Van Woord naar leven

Ik wil met u vandaag even mijmeren over een vers dat we hoorden in de tussenzang uit psalm 96. Daar lezen we: ‘De Naam van God wil ik loven met een lied, zijn grootheid met een lofzang prijzen.’

Geliefde mensen, het is warm, bloedheet. En beslist is het voor vele mensen een beetje te. Mijn gedachten gaan dan naar ouderen, maar bijzonder ook naar de boeren, die samen met hun koeien en gewassen kreunen onder de aanhoudende droogte.

Anderzijds is deze zomer ook een prachtige zomer, waar we in putteke winter alleen maar van dromen. Heerlijk toch die zomerse temperaturen; fantastisch voor de kinderen, mensen komen op straat, terrassen zitten vol. Heerlijk ook om in de lommerte van de bossen te genieten van prachtige wandelingen of al chillend een boek te lezen ergens op fris mos.

Laten we dan, terwijl we al die schoonheid aanschouwen, de Heer niet vergeten, zijn Naam loven, zijn grootheid met lofzang prijzen. Hij is immers de schepper van al dat moois.

Maar laten we ook onze ouderen uit de buurt niet vergeten, hen gaan opzoeken met de vraag hoe het met hen gaat, of ze iets nodig hebben, of ze genoeg drinken. Ook dat is de Naam van de Heer loven.

Ik wil, vanuit dit psalmvers, jullie nog graag een lied meegeven, beslist door velen gekend. Zowel naar melodie als naar inhoud zo mooi !

Geniet nog van het zomerse weer. En belangrijk: genoeg drinken !!

Wanneer ik door de velden ga
en zon en hemel gade sla,
dan weet ik, Heer, hoe groot Gij zijt,
en buig mij voor uw majesteit.

U zingt mijn ziel op blijde toon:
Mijn God, Gij zijt oneindig schoon.

Gij tooit de feestelijke zon
gelijk een jonge bruidegom,
die als een reus zijn tocht begint
en alles met zijn gloed doordringt.

U zingt mijn ziel op blijde toon:
Mijn God, Gij zijt oneindig schoon.

Wanneer mijn ziel uw wet beleeft,
uw heilzaam woord mij vreugde geeft:
uw wet is als een heerlijk licht
dat veilig mijne schreden richt.

U zingt mijn ziel op blijde toon:
Mijn God, Gij zijt oneindig schoon.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Ja goede Vader,
Gij zo oneindig schoon. U mogen ontmoeten in de bloemen, de bomen, de vogels, maar ook in de dorst en in ons zwoegen … het doet onze ziel zingen hoe groots Gij zijt.
U, goede God, komt alle lof toe. Amen amen amen.