Lezingen van de dag – zaterdag 7 april 2018


Heilige (of feest) van de dag

Aibert van Crespin († 1140)

Aibert (ook Aïbert of Aybert) van Crespin (ook van Henegouwen of van Valenciennes) osb, Frankrijk; monnik & kluizenaar

Hij moet rond 1060 geboren zijn het dorpje Espain bij Doornik; volgens zeggen heetten zijn ouders Albadius en Elvida. Reeds als jongen voelde hij zich aangetrokken tot het beschouwende leven. Regelmatig hield hij thuis vasten of stond hij midden in de nacht op om zijn gebeden te verrichten. Om de mensen van de boerderij niet te laten merken, hoeveel tranen hij daarbij stortte, verborg hij zich in de schaapsstal.

Eens hoorde hij een troubadour een lied zingen over de heilige Theobaldus van Provins († 1066; feest 30 juni): hoe hij het leven van een kluizenaar had geleid. Aibert was daar zo van onder de indruk, dat hij op datzelfde moment besloot zo’n leven te gaan leiden. Hij meldde zich aan bij een kluizenaar in de buurt van het plaatsje Crespin, even ten noorden van Valenciennes, die daar met toestemming van zijn abt in de barre eenzaamheid woonde. De twee mannen maakten zo serieus werk van het vasten, dat ze soms dagen niet aten, en wanneer ze wel voedsel tot zich namen, was het vaak niet meer dan een homp brood of wat kruiden en bessen uit het bos ter plaatse. Ze trokken zich niets aan van hitte of kou: kleren droegen ze praktisch niet. Ze zagen er uit als spookachtige scharminkels; zo reciteerden ze hardop hun gebeden en zongen ze liederen voor de Heer, nu eens in het kapelletje dat ze daar gebouwd hadden, dan weer gewoon in de open lucht. Zelfs de herders die daar wel eens langs kwamen, vonden de twee maar griezels en waren een beetje bang van ze.

Toen de abt van de abdij te Crespin waar ze bijhoorden, naar Rome ging om pauselijke goedkeuring te vragen voor het feit, dat hij zojuist de regel van Benedictus had ingevoerd, vroeg hij de twee mannen hem te vergezellen op zijn bedevaart. Het werd een barre pelgrimstocht, die zij blootsvoets aflegden. Maar de abt kreeg zijn toestemming van paus Urbanus II († 1099; feest 29 juli) en gedrieën keerden zij behouden terug.

Na enige tijd had Aibert een droom, waarin hij zag hoe een witte adelaar boven hem een monnikshabijt uit de lucht liet vallen. Dit beschouwde hij als een teken, dat hij de eenzaamheid moest opgeven en zich bij de leefgemeenschap moest aansluiten. Niet alle monniken waren het er mee eens; zij vonden de kluizenaar een excentriekeling. Maar vader abt had onderweg naar Rome zijn toewijding gezien en ontving hem met open armen. Hij maakte hem tot prior en cellarius. Dat betekende, dat hem de materiële zorg voor de communiteit werd toevertrouwd. Zo streng als hij was voor zichzelf, zo liefdevol droeg hij zorg voor het welzijn van zijn medebroeders. Hij stond hen ter zijde als ze ziek waren, en wist wat ieder nodig had voor zijn welbevinden. Zelf was hij een toonbeeld van kloosterlijke deugd, zodat hun aanvankelijke scepsis plaats maakte voor bewondering. Zo stond hij elke ochtend ruim voor de anderen op om in de kerk voor het gezamenlijk koorgebed uit alvast alle honderdvijftig psalmen te bidden.

Maar na drie-en-twintig jaar in de gemeenschap geleefd te hebben, groeide in hem toch weer het verlangen om zich terug te trekken op zijn oude, eenzame plekje en zijn Heer als kluizenaar te dienen. Hij kreeg toestemming van zijn abt en zo betrok hij weer zijn kluizenaarswoninkje. Daar zou hij de resterende twee-en-twintig jaar van zijn leven doorbrengen. Bisschop Burkhard van Cambrai wijdde hem priester, zodat hij de talrijke mensen die bij hem hun toevlucht zochten, de sacramenten kon toedienen: vooral de biecht en de eucharistie. Elke dag las hij twee heilige missen, een voor de overledenen en een voor de levenden.

Zo’n tweehonderd jaar later zou paus Honorius III († 1227) bepalen, dat een priester behalve op kerstmis nog maar één mis per dag mocht lezen.

Daarnaast bad hij dagelijks deels geknield, deels languit voorover liggend voor het altaar, zijn rozenkrans van honderdvijftig wees-gegroetjes, de getijdengebeden, de honderdvijftig psalmen van David, zoals hij dat altijd al had gedaan: kortom – zo merkt zijn levensbeschrijver op – je zou onder de vorsten van deze wereld moeilijk een tiran gevonden hebben, die zo streng was voor hem als hij was voor zichzelf.

Het hoeft ons niet te verbazen, dat hij door veel mensen werd bezocht, die hem hun noden voorlegden. Onder hen waren niet alleen arme, eenvoudige gelovigen, maar ook kloosterlingen, priesters, bisschoppen en vorstelijke personen. Zo klopte hertog Arnulf van Henegouwen, broer van Boudewijn, eens bij hem aan. Hij leed aan een ernstige ziekte, waar de doktoren machteloos tegenover stonden. Na te hebben gebiecht vroeg hij Aibert om iets te drinken, want de koorts brandde in heel zijn lijf. Maar de heilige man wees hem erop, dat hij alleen maar water had uit zijn put; geen bier of wijn, zoals de edelman gewend was. “Geef me dat dan maar”, sprak Arnulf. De kluizenaar liet wat water omhoog hijsen, maakte een kruisteken, sprak er zijn zegen over uit en gaf het de man te drinken. Op hetzelfde moment veranderde het water in een wijn, die je zelfs niet van de gunstigst gelegen wijnhellingen kan halen; de drank was zo krachtig, dat de koorts onze patiënt verliet, en dat hij volkomen gezond naar huis kon terugkeren.

Hier wordt met bijna zoveel woorden verteld, dat met deze heilige man de tijden van het evangelie in Henegouwen waren teruggekeerd. Aibert was een andere Christus: dat wordt geïllustreerd door van hem dingen te vertellen, die sterk aan Jezus herinneren: een intensief gebedsleven, de vele mensen die zich in hun nood tot hem wenden, de genezing van zieken en het wonder dat hij water in wijn verandert.

Uiteindelijk is hij op 7 april 1140, vlak voor Pasen, gestorven. Hij werd begraven in zijn eigen kapel. Later werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de abdij van Crespin. De parochiekerk van zijn geboortedorp Espain zou een reliek van hem bezitten.

zaterdag in de paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 4, 13-21

Echt geloven is iets ervaren, door Iemand geraakt worden. We zien dit gebeuren bij de apostelen. Ze kunnen er gewoon niet over zwijgen. Geloven kan men niet zonder er iets van te tonen in zijn leven. Wat het ook mag kosten: elke christen wordt gezonden om te getuigen, tegenover allen met wie hij leeft.

Toen de leden van het Sanhedrin zagen hoe vrijmoedig Petrus en Johannes optraden en begrepen dat het gewone, ongeletterde mensen waren, stonden ze verbaasd, en ze realiseerden zich dat beiden in Jezus’ gezelschap hadden verkeerd. Maar omdat ze de man die genezen was bij hen zagen staan, konden ze niets tegen hun woorden inbrengen.
Nadat ze hun bevolen hadden de raadszaal te verlaten, overlegden ze met elkaar. Ze zeiden: ‘Wat moeten we met hen doen? Voor alle inwoners van Jeruzalem is het duidelijk dat ze een wonder hebben verricht, en wij kunnen dat niet ontkennen. Maar om te voorkomen dat het gerucht zich nog verder onder het volk verspreidt, moeten we hen waarschuwen met niemand meer over Jezus te spreken en hun verbieden zijn naam nog te gebruiken.’
Ze riepen hen terug en bevalen hun de naam van Jezus op geen enkele manier meer te gebruiken en het volk niet meer over hem te onderrichten.
Maar Petrus en Johannes zeiden: ‘Kunnen wij het tegenover God verantwoorden om wel naar u te luisteren en niet naar Hem? Oordeelt u zelf! We moeten immers wel spreken over wat we gezien en gehoord hebben.’
Na hen nogmaals dreigend te hebben toegesproken lieten ze hen vrij, want ze wisten niet hoe ze hen konden straffen nu de mensen God loofden en eerden om wat er was gebeurd.

 

Psalm 118, 1 + 14 + 15 + 16 + 17 + 18 + 19 + 20 + 21

Refr.: Ik dank U God dat U mij hebt gehoord.

Loof de Heer, want Hij is goed,
eeuwig duurt zijn trouw.
De Heer is mijn sterkte, mijn lied,
Hij gaf mij de overwinning.
Hoor, gejubel om de overwinning
in de tenten van de rechtvaardigen:
de rechterhand van de Heer doet machtige daden.

De rechterhand van de Heer verheft mij,
de rechterhand van de Heer doet machtige daden.
Ik zal niet sterven, maar leven
en de daden van de Heer verhalen.
De Heer heeft mij gestraft,
maar mij niet prijsgegeven aan de dood.

Open voor mij de poorten van de gerechtigheid,
ik wil binnengaan om de Heer te loven.
Dit is de poort die leidt naar de Heer,
hier gaan de rechtvaardigen binnen.
Ik wil U loven omdat U antwoordde
en mij de overwinning gaf.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 16, 9-15

Zij die geloven kennen soms twijfel, zelfs de apostelen. Er zit tenslotte in elke mens een stuk geloof en een stuk ongeloof. Dit evangelie leert ons, dat ook zij die aanvankelijk geen geloof kunnen opbrengen, tot geloof geroepen blijven, om daarna in volle kracht te getuigen. Dat is tevens de eindbalans van deze paasweek. God heeft tijd. Maar als de tijd er is, moet de mens zich helemaal gewonnen geven en geloven.

Nadat Jezus vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen Hij eerst aan Maria uit Magdala, bij wie Hij zeven demonen had uitgedreven. Ze ging het nieuws vertellen aan de mensen die Hem hadden vergezeld en die nu om Hem treurden en rouwden. Toen ze hoorden dat Hij leefde en dat zij Hem had gezien, geloofden ze het niet.
Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad aan het wandelen waren. Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd.
Ten slotte verscheen Hij aan de elf terwijl ze aan het eten waren, en Hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem hadden gezien nadat Hij uit de dood was opgewekt.
En Hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend.’

Van Woord naar leven

Jezus sprak: ‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend.’

Jezus was niet enkel de Blijde Boodschap, Hij droeg ze ook uit, met de bedoeling dat z’n volgelingen deel zouden krijgen aan die Blijde Boodschap (lees: deel krijgen aan het leven van Hem), en er, net zoals Hij, uitdragers van zouden zijn. Een opdracht voor de apostelen, maar in zekere zin ook een opdracht aan het adres van ieder van ons. Het is een oproep van alle tijden voor ieder mens die de kans gekregen heeft de Heer te leren kennen.

Het zou een vergissing zijn te denken dat enkel paus, bisschoppen, priesters en religieuzen belast zouden zijn met deze opdracht. Nee, elke christen is in wezen gezonden om drager en uitdrager te zijn van het evangelie. Paus Franciscus zal het beslist anders doen dan de gewone man/vrouw in de straat, en toch gaat het in wezen om dezelfde zending.

De voorwaarde om uitdrager van iets te kunnen zijn is dat je er drager van bent. Willen we dus het evangelie uitdragen, zullen we er dus eerst drager van moeten zijn. Drager van het evangelie zullen we worden door het met regelmaat te beluisteren, te lezen, te bemediteren, te bestuderen.

Het evangelie beluisteren is Christus beluisteren. Het evangelie lezen is Christus lezen. In wezen is het evangelie beluisteren of lezen dus gebed. Het is doorheen de woorden Hem ontvangen, Hem ontmoeten.

En dan gaat het niet zozeer over woorden als een aaneenschakeling van letters, maar veeleer over de inhoud van wat de woorden weergeven. Het gaat dus niet om het woord als woord als dusdanig, maar om de inhoud (betekenis, en kracht) van de woorden, om de geest van de letter; de inhoud ons door God geschonken.

De evangelies zijn immers niet enkel woorden uit een verre geschiedenis, maar het is ‘levend Woord’, zoals we dat zeggen, wat betekent dat het de genade van de Heer in zich draagt; de genade die ieder van ons nodig heeft op de moment wanneer we het evangelie beluisteren, of lezen. Dit met de bedoeling Gods wil te leren kennen en te groeien in ons ja-woord tot de Vader.

Laat ons het evangelie liefhebben, het dagelijks omarmen, het bij wijze van spreken ‘opeten’.

De evangelies staan vol prachtige verhalen, anekdoten, gesprekken, daden, oproepen, enz… Allemaal zaken die ons innerlijk voeden, niet alleen omdat ze spiritueel gezien interessant zijn, maar vooral ook omdat de Heer door al deze zaken naar ons toekomt mét zijn genade te mogen en kunnen delen in zijn liefde.

Moge het lezen van de evangelies geen egotrip worden in onszelf, maar laten we de Blijde Boodschap ook uitdragen, waartoe het evangelie van vandaag oproept. Voor de meeste van ons hoeft dat doorgaans niet gepaard te gaan met grote woorden. Gewoon vanuit Gods liefde liefhebben, vergeven, barmhartig zijn, enz… we weten eigenlijk maar al te goed wat het inhoudt. Het is een kwestie van doen, ervoor kiezen, ervoor gaan. Echt waar.

Het evangelie belichamen kent echt mooie en diepe vruchten. Het maakt gemeenschap, het brengt leven, het schept vreugde, het toont God. Het zijn vruchten waar op zoveel plaatsen de wereld diep naar dorst.
Het zijn vruchten die zo haaks staan op zoveel wantoestanden in de wereld. Als christenen mag dit laatste misschien een reden zijn om ons nog meer te profileren in onze samenlevingen.
We moeten dit niet opdringerig of hoogmoedig doen, maar wel duidelijk en klaar, vastberaden, eerlijk, oprecht en biddend.

Graag vanuit de innerlijke eenvoud en vreugde van Pasen !!

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
trek ons in de warmte van uw vrede opdat wij getuigen mogen zijn van uw aanwezigheid, dragers van uw liefde, uitdragers van uw goedheid. Geef dat wij als geloofsgemeenschap  deze zending ernstig zouden nemen, haar met blijdschap zouden dragen en verrichten, opdat allen U mogen leren kennen en ontmoeten.
Kom heilige Geest. Amen.