Lezingen van de dag – zondag 10 april 2016


Heilige (of feest) van de dag

Maria-Magdalena van Canossa († 1835)

Maria-Magdalena (ook Maddalena) van Canossa, Italië; stichteres

Zij werd geboren op 1 of 2 maart 1774; daarover zijn de bronnen het niet eens. Zij was een dochter van de markies van Canossa, die in de Italiaanse stad Verona woonde. Als klein meisje trok zij eens de aandacht van Napoleon, die later beweerde dat ze hem aan engel deed denken. Maar het vervolg van haar geschiedenis is minder idyllisch. Ze was nog maar kind, toen haar vader stierf en haar moeder hertrouwde. Daar liet zij haar kinderen voor in de steek. Maria-Magdalena zag zich nu genoodzaakt voor het huishouden te zorgen. Op haar zeventiende probeerde ze tot tweemaal toe in te treden in de Carmel, maar beide keren liep het op niets uit.

Ondanks veel tegenwerking van de familie verliet ze in 1808 het ouderlijk paleis. Eerst werkte zij een paar jaar in de ziekenhuizen van Venetië. Vervolgens ging ze met een aantal gelijkgezinde vriendinnen wonen in de wijk San Zeno, een van de achterbuurten van de stad Verona. Daar besteedden de vrouwen hun zorgen vooral aan de verwaarloosde kinderen: ze gaven ze eten, drinken, onderdak en onderwijs. Dit was het begin van een nieuwe zustercongregatie: de Zusters van Liefde (Suore della Carità; ook wel naar de stichteres Canossianerinnen genoemd). De vrouwen die zich hierbij aansloten, hielden zich naast gebed vooral bezig met de opvang van arme meisjes. Ze gaven ze onderdak en godsdienstonderricht.

Ze ondervond steun van keizer Franz I van Oostenrijk (1768-1835), die haar zelfs enkele leegstaande kloostergebouwen ten geschenke deed, waar ze nieuwe vestigingen kon beginnen. Paus Leo XII († 1829) gaf op 23 december 1828 zijn officiële goedkeuring aan de Regel. Al tijdens haar leven verrezen er huizen in Venetië en andere steden van Italië. Nu zijn er over de hele wereld, zoals in China, India en Groot-Brittannië.

Ze werd in 1941 door paus Pius XII († 1958) zalig verklaard. Paus Johannes Paulus II verklaarde haar heilig op 2 oktober 1988.

Een van haar leerlingen, Augustina Pietrantoni († 1894; feest 12 november), is zalig verklaard.

DERDE PAASZONDAG – C


Uit de Handelingen van de Apostelen 5, 27b-32 + 40b-41

Op de zondagen voor Pinksteren worden wij door de Handelingen van de Apostelen ingewijd in het intieme leven van de Kerk. Zij is geboren uit de verrijzenis van Christus. De boodschap die zij verkondigt, luidt: Jezus, die dood was, is verrezen. De kracht van de heilige Geest en de vrijheid waarmee zij dit verkondigt, doen haar moedig spreken tegenover ieder menselijk gezag, zelfs als dit gepaard gaat met vervolgingen en vernederingen.

In die dagen begon de hogepriester het verhoor met de vraag: ‘Hebben wij u niet nadrukkelijk verboden de naam van Jezus nog te gebruiken en onderricht over Hem te geven? En toch verspreidt u uw leer in heel Jeruzalem en stelt u ons aansprakelijk voor de dood van deze man.’
Petrus en de andere apostelen antwoordden: ‘Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. De God van onze voorouders heeft Jezus weer tot leven gewekt, nadat u Hem had vermoord door hem aan een kruishout te hangen. God heeft Hem een plaats gegeven aan zijn rechterhand, Hem tot leidsman en redder verheven om de Israëlieten tot inkeer te brengen en hun zonden te vergeven. Daarvan getuigen wij, en daarvan getuigt ook de heilige Geest, die God geschonken heeft aan wie hem gehoorzamen.’
Ze bevalen hun de naam van Jezus niet meer te gebruiken en lieten hen vrij.
De apostelen verlieten het Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren deze vernedering te ondergaan omwille van de naam van Jezus.

 

Psalm 30, 2-6 + 11-13

Refr.: Loof de Heer zijn heilige Naam.

Hoog wil ik U prijzen, Heer,
want U hebt mij gered
en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde.
Heer, mijn God, ik riep tot U om hulp
en U hebt mij genezen.

Heer, U trok mij uit het dodenrijk omhoog, Resurrection-Icon
ik daalde af in het graf,
maar U hield mij in leven.
Zing voor de Heer,
allen die Hem trouw zijn,
loof zijn heilige Naam.
Zijn woede duurt een oogwenk,
zijn liefde een leven lang,
met tranen slapen we ’s avonds in,
’s morgens staan we juichend op.

Luister, Heer, en toon uw genade,
Heer, kom mij te hulp.
U hebt mijn klacht veranderd in een dans,
mijn rouwkleed weggenomen,
mij in vreugde gehuld.
Mijn ziel zal voor U zingen en niet zwijgen.
Heer, mijn God, U wil ik eeuwig loven.

 

Uit het boek Apocalyps 5, 11-14

Tot Pinksteren nodigen de teksten van de Apocalyps ons uit ons over de verrezen Heer te bezinnen. Zijn leven en heerlijkheid vervullen het zichbare en onzichtbare heelal. Johannes is getuige van de apocalyptische ‘visvangst’ die door haar overvloed de Kerk vreugde bezorgt. Hij hoort in een visioen de hulde van alle schepselen. Verenigd met de hemelse geesten aanbidden zij Christus, het Lam dat geslacht werd, de almachtige God.

Ik, Johannes, zag toe en hoorde het geluid van een groot aantal engelen rondom de troon, de wezens en de oudsten; het waren er oneindig veel, tienduizend maal tienduizenden, duizend maal duizenden. Met luide stem riepen ze: ‘Het Lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.’
Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan Hem die op de troon zit en aan het Lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.’
De vier wezens antwoordden: ‘Amen’, en de oudsten wierpen zich in aanbidding neer.

 

Alleluia.candles_67eaf7e3-eedc-4389-874b-c35ca6f43f54_1024x1024

Moest de messias dit alles niet lijden
om zijn glorie binnen te gaan ?

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 21, 1-19

Driemaal heeft Petrus Jezus verloochend. Tot driemaal toe belijdt diezelfde Petrus zijn onwankelbare liefde voor de Heer, die hem aanstelt tot herder van zijn Kerk. Petrus was gevlucht bij het lijden en de dood van Jezus. Later wordt hij tot het martelaarschap gebracht. Hij was visser in Galilea. Voortaan trekt hij de menigte uitverkorenen naar het strand van de eeuwigheid, waar de Heer het hemels gastmaal heeft bereid.

Jezus verscheen weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt.
Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat betekent ‘tweeling’), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen.
Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’
‘Wij gaan met je mee,’ zeiden de anderen.
Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was.
Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’
‘Nee,’ antwoordden ze.
‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’
Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken.
De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’
Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op – meer had hij niet aan – en sprong in het water.
De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el.
Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood.
Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.’
Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet.
Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’
Geen van de leerlingen durfde Hem te vragen wie Hij was, ze begrepen dat het de Heer was.
Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en Hij gaf hun ook vis.
Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat Hij uit de dood was opgestaan.

Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus aan: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’
Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van U houd.’
Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’
Nog eens vroeg hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?’
Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van U houd.’
Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen’.
En voor de derde maal vroeg Hij hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?’
Petrus werd verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van Hem hield.
Hij zei: ‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van U houd.’
Jezus zei: ‘Weid mijn schapen. Waarachtig, Ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.’
Met deze woorden duidde hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God.
Daarna zei Hij: ‘Volg mij.’

Van Woord naar leven

De overweging van deze zondag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

In de eerste Paasdagen had Jezus aan zijn leerlingen laten voelen dat Hij onder hen heel levend aanwezig was, maar wel op een heel andere manier als vroeger. Hij werd herkend door Maria Magdalena in een tuinman, door de leerlingen van Emmaüs in een vreemdeling onderweg en aan hun tafel, door Thomas in de vergiffenis voor zijn nuchterheid. Maar daarna scheen Jezus weer weg. Hij bleek maar op bepaalde momenten heel sterk aanwezig te zijn, en dan weer niet. Jezus’ vrienden begonnen weer te twijfelen.

Wij kunnen ons heel goed in hen herkennen. Ook wij geraken misschien ontmoedigd over wat er de laatste tijd is gebeurd in ons land, in onze Kerk of in onze eigen familiekring. Er zijn al wel enkele tekens van hoop geweest, maar die blijken allemaal niet veel uit te halen. Wat moeten wij nu toch gaan doen?

Petrus is realist en zegt: “Ik ga maar opnieuw vissen! Ik ga gewoon mijn werk weer oppakken. Ik moet eten hebben om in leven te blijven” En de anderen zeggen: “Wij ook!” Zij willen dus hun vroeger leven hernemen en Jezus misschien dan maar zo vlug mogelijk vergeten. Maar dat kan niet! Want de verrezen Heer komt hen ontmoeten te midden van hun ontgoocheling na hun nacht zwoegen, zonder dat zij iets konden vangen.

Let wel: de verrezen Heer komt niet als een spectaculaire, machtige wonderdoener die met een hocus-pocus-mirakel de moeilijkheden in hun plaats zou kunnen oplossen. Helemaal niet! Jezus verschijnt veeleer bescheiden, verborgen, “verhuld”, in een ongekende voorbijganger die op de oever staat, in iemand die wij toevallig ontmoeten en die ons vertrouwvol aanspreekt: “Vrienden!”. Jezus is niet iemand die ons geschenken geeft, maar, eigenaardig genoeg iemand die van ons iets vraagt, en dan nog juist op het ogenblik dat wij de indruk hebben niets te kunnen geven. “Hebben jullie soms wat vis?” Ons eerste antwoord is dan ook: “Neen! wij zitten zelf in de penarie. Wat komt Gij ons nu iets vragen?” Wij hebben het soms wel wat moeilijk om te herkennen dat Jezus werkelijk aanwezig is, in de vragen van een bescheiden onbekende, die ons, te midden van onze ontmoediging, toewenkt of aanspreekt. Het was Johannes, de leerling van wie Jezus veel hield en die veel hield van Jezus, die Hem het eerst herkende. Wie liefheeft, ziet méér! Niet iedereen ziet het… dat in onze wereld van vandaag Jezus levendig aanwezig en werkzaam is. Niet iedereen ziet het… dat het Jezus is die redding brengt, wanneer enkele artsen zonder grenzen te midden van de Ruandese wanhoop toch de kinderen blijven vaccineren. Niet iedereen ziet, dat het Jezus is die vergeeft, wanneer iemand in een familie een stap van verzoening durft zetten om een verstarde ruzie te doorbreken. Jezus’ levende aanwezigheid herkennen alleen zij, die kijken met de ogen van hun hart, die kijken met de ogen van de liefde.

Als wij Hem durven herkennen, dan worden wij uitgenodigd op een wonderbare maaltijd, waardoor wij nog meer tot zijn gemeenschap groeien. Een maaltijd met enkele diepe symbolen: een groot visnet, een geroosterde vis en wat brood.

Het is Petrus die het net aan land mag slepen, een net dat niet scheurt, ondanks de vele, verscheidene vissen. Het is het symbool van de grote verscheidenheid van mensen en volkeren die allen tot een geloofsgemeenschap worden geroepen onder de leiding van Petrus en zijn opvolgers. De voornaamste taak van de paus is blijkbaar de eenheid te bewaren en te bevorderen. Maar wij zien wel dat dit netwerk van onze Kerk, door alles wat gebeurd is, vroeger en nu, grote scheuren vertoont. Het ideaal van de Heer, die verlangt dat de eenheid wordt bewaard, zowel in de grote kerkgemeenschap als in ons eigen persoonlijk leven, is nog niet gerealiseerd.

Vervolgens mogen wij samenzitten rond een geroosterde vis, het symbool van de lijdende, gepijnigde, gekruisigde Jezus. Het lijden blijft heel reëel aanwezig, in ons, in onze wereld. Maar het is juist de lijdende Gekruisigde die, verrezen, in ons midden komt. “Zijn leerlingen wisten dat dit echt de Heer was.” Ook wij durven geloven dat, juist te midden van het lijden, alleen een nog grotere liefde de uitweg toont, die de dood overwint. Er is ten slotte ook wat brood dat tijdens de maaltijd wordt gebroken en rondgedeeld. Jezus geeft ons vooral zijn geschonken brood, zijn belangrijkste teken. In de Eucharistie leren wij telkens wat het betekent, onszelf, ondanks onze zelfzucht, te breken, te delen en te geven, zoals Hij, opdat anderen zouden kunnen leven.

Dit is onze verrijzeniservaring van vandaag. Wij kijken naar het gescheurde net van de Kerk van vandaag, en toch durven wij zeggen dat Jezus’ eenheid sterker is dan onze verdeeldheid. Wij kijken naar de geroosterde vis en het lijden in onze wereld, en toch durven wij zeggen dat Jezus’ Paasoverwinning sterker is dan onze pijn. Wij kijken naar het schamel stukje brood in de Eucharistie, en toch durven wij zeggen dat Jezus’ levenskracht sterker is dan onze zelfzucht.

De Heer leeft als wij leren zien naar wat er vandaag gebeurt, niet alleen met onze nuchtere ogen, maar vooral met de bezieling van ons gelovig hart. Dan kunnen wij vandaag zijn levende liefdekracht herkennen, in een onbekende op onze weg, in het gescheurde net van onze gekwetste en verdeelde Kerk, in de geroosterde vis van onze lijdende wereld, in zijn gebroken Brood te midden van onze aarzelende en zoekende geloofsgemeenschap.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,
genees ons van onze blindheid,Anna_30D
maak ons ziende voor U;
uw komen,
uw aanwezigheid,
uw aanbieding,
Kom met uw Geest over ons
en help ons U welkom te heten
‘ja’ te zeggen in U,
ons schenkend aan U.
Mogen wij zo groeien in Gods Liefde
voor elk schepsel.
Amen.