Lezingen van de dag – zondag 10 juli 2016


Heilige (of feest) van de dag

Amalberga van Munsterbilzen († ca 772)bidprent

Amalberga (ook Amalia) van Munsterbilsen (ook van Bilsen, van Gent, van Tamise of van Temse) osb., maagd & kloosterlinge

Zij werd geboren rond 700 in een plaatsje dat destijds Villa Rodingi heette en in de Ardennen lag; in die naam kunnen we nog horen hoe men bomen heeft moeten rooien om de plek te kunnen bewonen.
Een huwelijk met Karel Martel († 741) wees ze af. Om dat duidelijk te maken liet ze haar haren afknippen en vluchtte naar Munsterbilsen om benedictines te kunnen worden onder de heilige abdis Landrada († ca 690; feest 8 juli).
De legende weet te vertellen hoe zij onderweg op haar vlucht aan Karel wist te ontkomen. Aanvankelijk had zij zich in een verborgen hoekje verstopt, maar hij wist haar te pakken en trok haar met zo’n geweldige ruk naar zich toe dat zij haar arm brak en haar schouder verrekte. Maar op hetzelfde moment genazen haar wonden, wurmde zij zich los en werd door een steur naar de overkant van de Schelde gedragen. Er worden van haar nog andere wonderen verhaald. Zo zou ze bij de Gete in Brabant een duivelin hebben verjaagd en in een zeef een bron naar Temse hebben gebracht.
Ze stierf in Temse, dat toen nog Villa Tempsica heette.

Ze werd begraven in Munsterbilzen, maar in 1073 werden haar relieken overgebracht naar de St-Pietersabdij te Gent. Bij die gelegenheid werd ze verheven tot de eer der altaren, wat gelijkstond aan een heiligverklaring.
Op zaterdag voor en vooral dinsdag na Pinksteren vindt in Temse de processie ter ere van Sint Amalberga plaats. Deze wordt nog eens herhaald op de laatste zondag van september.
Ook het Vlaamse plaatsje Mater kent op 10 juli een Amalbergaviering.

Zij is patrones van Temse; bovendien is ze beschermheilige van boeren (ze bevrijdde akkers van schadelijke vogels), van schippers en zeelieden (het schip dat haar relieken naar Gent overbracht voer uit eigen kracht stroomopwaarts; een steur zwom mee…).
Ze wordt aangeroepen tegen koorts, pijn in de armen en schouders, kneuzingen en rode koorts; en tegen schipbreuk.
Ze wordt afgebeeld als benedictines; haar voet op een gekroond hoofd (wees vorstelijk huwelijk af); grote steur (hielp haar tijdens haar vlucht voor Krel Martel en begeleidde de boot die haar relieken naar Gent vervoerde); soms heeft ze een zeef in de hand (bron in Temse); met zeef aan een bron; met wilde ganzen.

Zij wordt vaak verward met Amalberga van Maubeuge († ca 690; feest 10 juli), die bijna honderd jaar eerder leefde, maar op dezelfde dag wordt gevierd.

Bron: Heiligen.net

15e zondag door het jaar – Cbijbel


Uit het boek Deuteronomium 30, 10-14

Het Woord is dichtbij

Mozes sprak tot het volk: ‘Want u toont de Heer, uw God, uw
gehoorzaamheid door de geboden en bepalingen in dit wetboek in acht te nemen, en u wilt Hem weer met hart en ziel toebehoren. De geboden die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. Ze zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” Ook zijn ze niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie steekt de zee voor ons over om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kunt ze volbrengen.’


Psalm 69, 14-19

Refr.: Tot U, Heer, richt ik mijn gebed.

Heer, ik richt mijn gebed tot U,
laat dit een uur zijn van mededogen.
Groot is uw ontferming, God, antwoord mij,
toon uw trouw en red mij.Drieeenheid_2

Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink,
laat mij ontkomen aan wie mij haten,
haal mij uit dit diepe water.
Laat de stroom mij niet meesleuren,
het slijk mij niet verzwelgen,
de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten.

Antwoord mij, Heer, U bent genadig en goed,
keer u tot mij, zie mij in erbarmen aan.
Verberg uw gelaat niet voor uw dienaar,
antwoord mij snel, want de angst benauwt mij.
Wees mij nabij en bevrijd mij,
verlos mij van mijn vijanden.


Uit de brief van Paulus aan de Kolossenzen 1, 15-20

Op het kruis verzoent Jezus heel de schepping met zichzelf en met God.

Broeders en zusters,
Beeld van God, de onzichtbare, is Jezus Christus, eerstgeborene van heel de schepping: in Hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten, alles is door Hem en voor Hem geschapen. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem. Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk. Oorsprong is Hij, eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn: in Hem heeft heel de volheid willen wonen en door Hem en voor Hem alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis.

 

Alleluia.images
Als iemand mij liefheeft,
zal hij mijn woord onderhouden;
mijn Vader zal hem liefhebben
en Wij zullen tot hem komen.
Alleluia.


Uit het evangelie volgens Lucas 10, 25-37

De liefde tot God en tot de naaste was het grootste gebod. Iedere Israëliet wist dat. Maar de broeder die men moest liefhebben kon slechts een bekende zijn uit het uitverkoren volk of een vreemdeling in Israël gevestigd. Jezus vraagt veel verder te gaan en ieder particularisme te overstijgen: ik word de naaste van iedereen die mij nodig heeft.

Er kwam een wetgeleerde die Jezus op de proef wilde stellen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
Jezus antwoordde: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Wat leest u daar?’
De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’
‘U hebt juist geantwoord,’ zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’
Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Wie is mijn naaste?’
Toen vertelde Jezus hem het volgende: ‘Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.” Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’
De wetgeleerde zei: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond.’
Toen zei Jezus tegen hem: ‘Doet u dan voortaan net zo.’

Van Woord naar leven

De overweging van deze zondag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

Wij weten dat de kernboodschap van het christendom luidt: God beminnen en de naaste. Voor de christenen is God: de barmhartige Vader voor ons allen, tegenover wie wij onze dankbaarheid en wederliefde willen tonen. En zegt Jezus ons nu dat onze dankbaarheid en wederliefde tot die Vader-God alleen écht is, als wij concreet onze naaste beminnen.

Dan komt bij ons ook wel eens de vraag op van de wetgeleerde: “Wie is dan wel mijn naaste, die ik moet beminnen?” De parabel die Jezus dan vertelt, leert ons dat die vraag getuigt van een andere levenshouding dan de christelijke. Vragen “Wie is dan wel mijn naaste, die ik zou moeten beminnen?” is eigenlijk een vraag naar de wettelijke grenzen van de liefde. Het is zich afvragen: “Hoever moet mijn liefde gaan om in orde te zijn met de christelijke moraal? Welke mensen ben ik als christen verplicht te beminnen? Tot hoever gaat dat? Tot en met de kring van mijn familie en vrienden…? of tot en met de mensen van mijn partij…? of van mijn eigen volk…? of tot en met mijn geloofsgenoten…? of tot en met de mensen van mijn ras…? Zeg nu eens, tot hoever precies moet mijn liefde reiken…?”

Het is de vraag van iemand die in een sterke positie staat en die meent zelf te kunnen bepalen naar welke anderen hij toegaat en naar welke anderen niet, en die meent zelf te kunnen bepalen wanneer hij die stap zal zetten. Maar als wij goed geluisterd hebben dan zullen wij gehoord hebben dat Jezus op het einde van de parabel van de barmhartige Samaritaan de vraag eigenlijk helemaal omdraait. Hij vraagt niet: “En wie is nu de naaste van die sterkeren die, één na één, voorbijkwamen op de weg van Jericho?” maar wel: “Wie was de naaste van de gehavende man aan de kant? met andere woorden: Welke van die voorbijgangers heeft “zich als naaste gedragen”, heeft “zichzelf tot naaste gemaakt, van die zwakkere langs hun weg?” En daarop luidt het antwoord natuurlijk: diegene die hem barmhartigheid heeft betoond.

Volgens Jezus stelt een christen zich dus niet de vraag: “wie is in theorie mijn naaste?”, maar wel: “van wie zou ik hier, nu, de naaste kunnen worden?” Dit is het typische van de christelijke liefdadigheid. De parabel van Jezus vraagt ons liefdevol te zijn, niet op het ogenblik en tegenover de persoon door onszelf gekozen, maar tegenover elke mens, die zich aandient in de nood van het ogenblik. Eigenlijk zegt het christendom dus dat een “wettelijk omschreven” kring van naasten niet bestaat, dat er geen groep mensen kan afgebakend worden, tegenover wie ik als christen verplicht ben liefdevol te zijn, want dat veronderstelt dat er anderen zouden zijn tegenover wie ik niet uitgenodigd ben liefdevol te handelen. Neen, ik kan alleen zelf “naaste worden” door mijn concrete daden van goedheid en zorg, telkens opnieuw onderweg, bij toevallige ontmoetingen, tegenover eender welke mens die in nood verkeert.

Deze opvatting heeft geleid tot een eeuwenlange, dienstvaardige inzet van de Kerk en haar caritatieve instellingen tegenover de meest behoeftigen van onze maatschappij: zieken en gehandicapten, berooiden en vluchtelingen. Zij blijft ook vandaag een van de sterke pijlers van ons christendom.

Jezus en Zijn evangelie vraagt van ons dus eigenlijk heel veel. nl. dat wij bij onze dienstbaarheid niet a priori grenzen vastleggen en categorieën mensen uitsluiten. Hij vraagt dat wij ons dagelijks gedrag zouden laten bepalen, niet door onze vooringenomen standpunten, maar door de kwetsbaarheid van de andere mens op onze weg.

Christen-zijn is voortdurend willen uitkijken naar iemand van wie ik de naaste zou kunnen worden, aan wie ik hulp zou kunnen bieden. Ons uitgangspunt is niet ons eigen sterk standpunt, maar de concrete nood van de zwakkere die wij ontmoeten.

Waar vinden christenen de kracht voor zo’n verregaande liefdadigheid? Bij onze eigen ervaring. Als wij eerlijk zijn dan beseffen wij wel dat wij ons eigenlijk niet hooghartig sterk moet wanen, maar dat wij ons het best heel bescheiden en dankbaar voelen.Want, verschillende keren al hebben wij zelf in zwakheid langs de kant van de weg gelegen. En God heeft ons reeds herhaaldelijk zijn barmhartigheid getoond en nieuwe mogelijkheden geboden. Het is omdat wijzelf al zoveel keren zoveel barmhartigheid van God hebben ontvangen, dat wij ons uitgenodigd voelen om zeer barmhartig te zijn tegenover de mens in nood die wij ontmoeten.De eigenlijke reden van de verregaande christelijk liefdadigheid is altijd de diepe dankbaarheid omdat wij de zorg van God reeds zelf hebben ervaren.

Jezus leert ons dus vandaag niet te vragen: “Wie is dan wel mijn naaste en wie niet? Wie moet ik beminnen en wie niet?” maar eerder: “Welke mens in nood kom ik vandaag tegen, die ik dankbaar mag beminnen en concreet helpen, zodat ik zijn naaste kan worden?” En, wie erop uit is om dag aan dag te proberen de naaste te worden van de behoeftige op zijn weg, in dankbaarheid voor de zelf ontvangen barmhartigheid, die bemint God echt, die de barmhartige Vader is voor allen.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,Outstretched-Hand
mogen wij vanuit de diepe ervaring de naaste te zijn van U, ook de naaste zijn naar ieder toe die Gij op ons levenspad brengt, bijzonder naar hen die smachten naar uw liefde, die omkomen van de dorst, naar hen waarbij de last van het oordeel ondraaglijk is geworden, naar hen die niet weten of ze vanavond eten gaan hebben, naar hen die gekwetst door het leven gaan, zij die stervende zijn, of zij die de dood meer omarmen dan het leven. Mogen wij vanuit uw liefde, Heer, elkaar nabij zijn. Amen.