Lezingen van de dag – zondag 12 februari 2017


Heilige (of feest) van de dag

Alexis van Kiev († 1378)

Alexis (ook Aleksej, Aleksij, Alexios) van Kiev (ook van Moskou of de Wonderdoener), Rusland; monnik, bisschop & wonderdoener

Aleksej was een Russisch edelman, afkomstig uit de Oekraïne, die in zijn jeugd belust was op de vogeljacht. Hij droomde er zelfs over. In één van zijn dromen hoorde hij hoe een stem hem zei: “Aleksej, hoe lang denk je nog door te gaan met zo doelloos en dom heen en weer te rennen? Als ik je nu eens leerde hoe je niet vogels, maar mensen moet vangen…?” Zo begaf hij zich in de eenzaamheid om als monnik te leren leven. Daar trof hij gelijkgezinde jongemannen aan. Uit hun kring zouden grote Russische heiligen groeien zoals Sergius van Radonej († 1392; feest 25 september) en diens broer Stefanus. In 1354 werd Aleksej benoemd tot metropoliet van Moskou.

Hij deed veel voor de verbreiding van het christendom en vooral voor het kloosterleven. Zijn levensbeschrijver weet op te merken, dat hij de laatste was van de Moskovitische traditie die de Griekse taal nog machtig was. Hij was betrokken bij de stichting van talrijke kloosters, dichtbij en ver weg. Zijn vrienden van weleer vertrouwde hij de leiding ervan toe.

In de politiek steunde hij het streven naar de vereniging van het rijk der Moskovische vorsten. Zo wist hij zelfs de tartarenvorst Verdevir Khan te verzoenen, toen deze al tegen het Russische volk uitgetrokken was. Een andere keer werd hij bij de tartarenvorst Amurat Khan geroepen om diens vrouw van een reeds drie jaar durende blindheid te genezen. Hij deed dat met behulp van gebed en wijwater.
Aleksej stierf op hoge leeftijd. Zijn leven werd al snel na zijn dood te boek gesteld door ene Pachomius.

Tezamen met metropoliet Petrus († 1326; feest 21 december) wordt hij beschouwd als de patroon van de Russische kerk.

Hij wordt vaak afgebeeld als oude man met halflange, enigszins gespleten puntbaard. Gekleed in oosterse liturgische kleding en op het hoofd een witte muts (‘klobuk’) die zijn waardigheid van metropoliet aanduidt. Vaak met uitgestrekte armen, waarbij hij in de linkerhand een gesloten evangelieboek houdt en met de rechter een zegenend gebaar maakt.

6e zondag door het jaar – A


Uit het boek Wijsheid van Jezus Sirach 15, 15-20

Onze God wil ‘levende’ mensen, mensen die vrij zijn, ook in het vervullen van zijn voorschriften.

Als je het wilt kun je de geboden naleven, Hem trouw zijn omdat je daarvoor kiest.
Hij heeft je vuur en water voorgezet: strek je hand uit naar wat je verkiest.
Vóór de mens liggen het leven en de dood, hij krijgt waar hij voor kiest.
Groot is de wijsheid van de Heer, zijn macht is overweldigend, alles ziet Hij.
Zijn ogen zijn gericht op wie ontzag voor Hem heeft, elke daad van de mens is Hem bekend.
Hij heeft niemand opgedragen goddeloos te zijn, niemand toestemming gegeven te zondigen.

 

Psalm 119, 1 + 2 + 4 + 5 + 17 + 18 + 33 + 34

Refr.: Wijs mijn Heer, de weg van uw wetten.

Gelukkig wie de volmaakte weg gaan
en leven naar de wet van de Heer,
gelukkig wie zijn richtlijnen volgen,
Hem zoeken met heel hun hart.

Uw regels hebt U gegeven,
opdat wij ons eraan houden.
Laat toch mijn wegen recht zijn,
ik wil mij houden aan uw wetten.

Wees goed voor uw dienaar, dan zal ik leven,
en mij houden aan uw woord.
Neem de sluier van mijn ogen, dan zal ik zien,
hoe wonderlijk mooi uw wet is.

Wijs mij, Heer, de weg van uw wetten,
dan volg ik die tot het einde toe.
Geef mij inzicht, en ik zal uw wet volgen,
hem onderhouden met heel mijn hart.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 2, 6-10

Vorige zondag hoorden wij hoe Paulus op een besliste manier koos voor de schokkende taal van het kruis. Nu verwijt hij ten strengste de heersers der aarde hun zogenaamde wijsheid. Zij die de echte wijsheid bezitten zijn de gelovigen wie de Geest van het mysterie van Christus heeft geopenbaard.

Broeders en zusters,
wat wij verkondigen is wijsheid voor wie volwassen is in het geloof. Het is echter niet de wijsheid van deze wereld en haar machthebbers, die ten onder zullen gaan. Waar wij over spreken is Gods verborgen en geheime wijsheid, een wijsheid waarover God vóór alle tijden besloten heeft dat wij door haar zouden delen in zijn luister. Geen van de machthebbers van deze wereld heeft die wijsheid gekend; zouden ze haar wel hebben gekend, dan zouden ze de Heer die deelt in Gods luister niet hebben gekruisigd.
Maar het is zoals geschreven staat: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft.’ God heeft ons dit geopenbaard door de Geest, want de Geest doorgrondt alles, ook de diepten van God.

 

Alleluia.

Ik ben het licht van de wereld,
zegt de Heer.
Wie mij volgt zal het licht van het leven bezitten.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 5, 17-37

Jezus, de nieuwe Mozes, verklaart de Wet op gezagsvolle wijze. Hij doet het zoals God het doet. Deze vraagt aandacht voor wat de wet overstijgt, voor innerlijkheid en voor echtheid. Jezus noemt drie voorbeelden: woede, begerigheid en dubbelhartigheid. Hij maakt duidelijk dat dit alles zich afspeelt in het hart van de mens.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan. Want ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan.
Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” En Ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan.
Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” En Ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd.
Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt.
En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam naar de Gehenna gaat.
Er werd gezegd: “Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief meegeven.” En Ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel; tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.
Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.” En Ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken.
Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.

Van Woord naar leven

In de eerste lezing van deze zondag lezen we: ‘Als je het wilt kun je de geboden naleven, Hem trouw zijn omdat je daarvoor kiest’.
En in het evangelie horen we Jezus zeggen: ‘Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.’

In sommige gelovige kringen hoor je wel eens zeggen dat alles wat gebeurt door God gewild is, en dat de mens zich daar maar naar moet schikken. Wel, da’s een misvatting. Want dat zou willen zeggen dat de mens fundamenteel onvrij is. Alles wat gebeurt is immers toch door God gewild … Nee dus.

Wanneer een mens kiest voor het kwaad, en dat heeft gevolgen voor anderen, dan mag het duidelijk zijn dat dit niet door God gewild is. God wilt dat de mens kiest voor het goede en tegen het kwaad. God wilt dat de mens goede vruchten afwerpt ten bate van Kerk en samenleving.

En ook al is het geloof in wezen een gave, en kunnen we maar goed doen door Gods genade, een feit is en blijft dat de mens de beslissingsmacht in zich draagt om te kiezen voor het goede of voor het kwade. Elk individu draagt daarin een zeer persoonlijke verantwoordelijkheid.
En wie wil, zo leert ons vandaag Jezus Sirach (eerste lezing) kan de geboden naleven, God trouw zijn. En wel, zo staat er: ‘… omdat de mens daarvoor kiest.’
Ook Jezus spreekt ons aan op onze verantwoordelijkheid: ‘Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.’ Ja tot God, ja tof de liefde, ja voor het leven. En een duidelijk nee tegen elke vorm van kwaad. Daartussen is geen weg.

Laat ons verantwoorde christenen zijn, die bewust kiezen voor het evangelie: Vanuit Gods inwoning daadwerkelijk kiezen voor liefde en vrede, voor barmhartigheid en verzoening. Onze samenleving, en ook wijzelf, zullen er alleen maar beter van worden.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,
moge uw aanwezigheid in en onder ons de ziel zijn van ons bestaan. Moge Gij het hart zijn van ons ja-woord tot de Vader. Dat ons leven op deze wijze levengevend mag zijn; levend in Gods wil, ons gevend aan de Liefde.
Kom heilige Geest. Amen.