Lezingen van de dag – zondag 13 mei 2018


Heilige (of feest) van de dag

Onze-Lieve-Vrouw van Fatima

Verschijning van Onze Lieve Vrouw aan drie herderskinderen; Fatima (Portugal); 1917

Eerste verschijning
Op 13 mei 1917 verschijnt in Fátima, Portugal, een hemelse vrouw aan drie herderskinderen: Francisco Marto, zijn zusje Jacinta, respectievelijk negen en zeven jaar en hun tienjarige nichtje Lucia dos Santos. Ze staat met de voeten op een wolk in de kruin van een eikenboompje, omstraald door een aureool van licht. Dan zegt de vrouw: ‘Wees niet bang. Ik doe je geen kwaad.” Lucia waagt het erop: “Waar komt u vandaan, mevrouw?”
“Ik kom uit de hemel.”
“En wat komt u doen?”
“Ik zal elke maand op de 13e terugkomen. In oktober zal ik zeggen wie ik ben en wat ik verlang.”
Een stukje verder in het gesprek vraagt de verschijning:
“Wil je pijn verdragen voor de bekering van de zondaars om goed te maken wat Onze Lieve Heer en het onbevlekt Hart van Maria allemaal wordt aangedaan?”
De kinderen zeggen dat ze daartoe bereid zijn.
“Dan zul je nog heel wat pijn te doorstaan hebben,” zegt de verschijning.
Bij het afscheid zegt zij:
“Bid elke dag een rozenhoedje voor de vrede op de wereld en de bekering van de zondaars.”

Wellicht hebben wij moeite met spreken in termen van eerherstel en lijden omwille van de bekering van de zondaars. Zeker tot kinderen van zulk een jonge leeftijd. Vergeten we niet dat de Eerste Wereldoorlog al drie jaar aan de gang is; dat binnen enkele maanden in Rusland de anti-godsdienstige Revolutie van het communisme uit zal breken… Tegen deze achtergrond kunnen we iets beter verstaan dat de opmerkingen van de verschijning pasten in die tijd.

Tweede verschijning
In het dorp beginnen de eerste geruchten op gang te komen. Met als gevolg dat er op 13 juni zo’n tachtig mensen uit het dorp op het veld zijn samengestroomd waar de verschijning zal moeten plaats vinden. Als de drie kinderen om twaalf uur neerknielen om zoals gebruikelijk op die tijd het rozenhoedje te bidden, staat daar plotseling de verschijning op dezelfde plaats. Lucia spreekt ongeveer tien minuten met de verschijning. Deze drukt de kinderen weer op het hart elke dag het rozenhoedje te bidden. De mensen die erbij geweest zijn, hebben wel gezien hoe de kinderen op de verschijning reageerden, maar zelf hebben ze niets gezien.

Derde verschijning
Maar ze zijn er vol van. Gevolg is dat op 13 juli er zo’n vier- à vijfduizend mensen verzameld zijn op de plek van de verschijning. De verschijning doet zich weer precies om twaalf uur voor. Deze keer zegt zij
“… vooral het rozenhoedje te bidden om beëindiging van de oorlog te verkrijgen. Voeg er extra offers aan toe uit liefde voor Jezus en het Onbevlekt Hart van Maria. De huidige oorlog loopt tegen zijn einde. Maar als er niets gebeurt zal er onder de volgende paus een veel ergere oorlog uitbreken…
Om dat te verhinderen kom ik vragen de wereld toe te wijden aan mijn Onbevlekt Hart en elke Eerste Zaterdag in mijn naam een oefening van eerherstel te doen. Als men aan mijn verzoek tegemoet komt, zal Rusland zich bekeren en zal er vrede zijn. Zo niet, dan zal het dwalingen over de wereld verspreiden die oorlogen en kerkvervolgingen veroorzaken. Vele vrome gelovigen zullen gemarteld worden en de paus zal veel te lijden hebben. Volkeren zullen vernietigd worden. Maar uiteindelijk zal mijn Onbevlekt Hart zegevieren.”

Vierde verschijning
Op 13 augustus worden de drie kinderen door het plaatselijke hoofd van bestuur in zijn huis vastgehouden. Hij zet de drie onder druk in de hoop dat zij zichzelf of elkaar tegenspreken, maar dat gebeurt niet. Ook laten ze zich niet bang maken. Ze vertellen eenvoudig telkens weer op dezelfde natuurlijke manier wat hun overkomen is, als was het de gewoonste zaak van de wereld. Op die 13e augustus staat er een ontzaglijke menigte te wachten. Maar de kinderen komen niet, en de verschijning ook niet. Die kwam zes dagen later, toen de drie alleen waren met hun kudde. Zij herhaalde de boodschappen van de vorige ontmoetingen.

Vijfde verschijning
Op 13 september vinden er merkwaardige verschijnselen aan de hemel plaats. De duizenden toeschouwers zeggen het allen gezien te hebben: een vurige bol die langs de hemel zweefde en bloembladeren die neerdwarrelden en halverwege schenen op te lossen in de lucht. De kinderen verklaren van dat alles niets gemerkt te hebben: zij zagen alleen de verschijning. Bij die gelegenheid brengt Lucia de wens van het volk over om op die plek een kapel te bouwen. De verschijning geeft haar toestemming.

Zesde verschijning
Zoals aangekondigd vindt op 13 oktober de laatste verschijning plaats. Er is een grote mensenmenigte aanwezig. Precies om twaalf uur laat de verschijning zich weer aan de drie kinderen zien. Lucia roept de mensen op het rozenhoedje te bidden. Op Lucia’s vraag wie zij is, antwoordt de verschijning:
“Ik ben Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans, en ik wil op deze plaats een kapel ter ere van mij.”
Net als de vorige keren spoort zij aan tot het dagelijks bidden van het rozenhoedje. Dan zegt zij:
“De mensen moeten beter gaan leven; zij moeten vergiffenis vragen voor hun zonden.”
En dan met bedroefd gezicht:
“Laten zij toch ophouden Onze Lieve Heer te beledigen. Hij is al veel te veel beledigd.”
De verschijning had beloofd dat zich bij haar laatste bezoek tekenen zouden voordoen waardoor er velen aan de waarheid van de verschijningen zouden gaan geloven. Aanvankelijk waren er regenwolken. Ze zijn op slag verdwenen. De zon komt door en straalt telkens anders gekleurde lichtbundels uit, zodat het lijkt alsof de hele aarde achtereenvolgens in een geel, groen, rood, blauw en paars spotlicht wordt gezet. Plotseling lijkt het alsof de zon loskomt van de hemel en op de aarde zal neerkomen. Grote schrik maakt zich van de mensen meester, en zij vallen op de knieën. Dit gebeurt drie keer achtereen. Alle aanwezigen bevestigen later dat ze het echt met eigen ogen hebben gezien.

Sindsdien is Fátima een druk bezochte Mariabedevaartplaats.

De kleine Francisco Marto zal reeds sterven op 4 april 1919; zijn jongere zusje niet lang daarna: 20 februari 1920. Lucia trad in 1921 in bij de zusters karmelietessen van St-Dorothea als zuster Lúcia de Jesus Santos en in 1948 bij de Karmel van St-Theresia in Coimbra. Zij was in 1982 en 1997 gids van paus Johannes Paulus II bij zijn bezoek aan Fátima.

7e paaszondag – B


Uit de Handelingen van de Apostelen
1, 15-17 + 20a + 20c-26

Na het wegvallen van Judas moet de groep van de apostelen worden aangevuld. De twaalf, als een verwijzing naar de twaalf stammen van Israël, drukken de universaliteit van het nieuwe godsvolk uit. Men kiest iemand die getuige was van het optreden en de verrijzenis van Jezus, want dat zijn de fundamenten van de Kerk en van het apostolaat.

In die dagen stond Petrus op te midden van de leerlingen – er was een groep van ongeveer honderdtwintig mensen bijeen – en zei: ‘Broeders en zusters, het schriftwoord waarin de heilige Geest bij monde van David heeft gesproken over Judas, de gids van hen die Jezus gevangen hebben genomen, moest in vervulling gaan. Judas was een van ons en had deel aan onze dienende taak. In het boek van de Psalmen staat geschreven: “Laat een ander zijn taak overnemen.” Daarom moet een van de mannen die steeds bij ons waren toen de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen, samen met ons getuigen van zijn opstanding.’
Ze stelden twee kandidaten voor: Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias. Daarna baden ze als volgt: ‘U, Heer, doorgrondt ieders gedachten. Wijs van deze beide mannen degene aan die U gekozen hebt om als apostel zijn dienende taak te verrichten en de plaats in te nemen van Judas, die zijn ondergang tegemoet is gegaan.’
Ze lieten hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.

 

Psalm 103, 1-2 + 11-12 + 19-20ab

Refr.: Prijs de Heer, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.

Prijs de Heer, mijn ziel,
prijs, mijn hart, zijn heilige Naam.
Prijs de Heer, mijn ziel,
vergeet niet één van zijn weldaden.

Zoals de hoge hemel de aarde overspant,
zo welft zich zijn trouw over wie Hem vrezen.
Zo ver als het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze zonden van ons verwijderd.

De Heer – zijn troon staat vast in de hemel,
als koning heerst Hij over alles.
Prijs de Heer, u die zijn boden bent,
sterke helden die doen wat Hij zegt.

 

Uit de eerste brief van Johannes 4, 11-16

God blijft in ons en wij in Hem door de liefde en door het geloof in zijn Zoon, wat een gave is van de Geest.

Geliefde broeders en zusters,
als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben.
Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden.
Dat wij in Hem blijven en Hij in ons, weten we doordat Hij ons heeft laten delen in zijn Geest.
En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld.
Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God.
Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop.
God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.

 

Alleluia.

De Heer keert naar de Vader,
opdat wij zouden vervuld worden
van zijn vreugde.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 17, 11b-19

Op het ogenblik dat Hij deze wereld gaat verlaten, vraagt Jezus dat de Vader zijn leerlingen trouw, eenheid en vreugde geeft. Zoals de Vader zijn Zoon heeft gezonden, zo zendt nu de Zoon de apostelen in de wereld. Zij zullen op hun beurt getuigen van het woord van de waarheid.

In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en bad:
‘Heilige Vader, bewaar hen door uw naam, de naam die U ook aan Mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals Wij één zijn. Zolang Ik bij hen was heb Ik hen door uw naam, die U Mij gegeven hebt, bewaard en over hen gewaakt: geen van hen is verloren gegaan behalve hij die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling ging.
Nu kom Ik naar U toe, en Ik zeg dit terwijl Ik nog in de wereld ben, opdat zij vervuld worden van mijn vreugde. Ik heb hun uw woord gegeven.
De wereld haat hen, omdat ze niet bij de wereld horen, zoals ook Ik niet bij de wereld hoor.
Ik vraag niet of U hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of U hen wilt beschermen tegen de duivel. Ze horen niet bij de wereld, zoals Ik niet bij de wereld hoor.
Heilig hen dan door de waarheid. Uw woord is de waarheid.
Zoals U mij in de wereld gezonden hebt, zo zend Ik hen in de wereld, en omwille van hen wijd Ik mij aan U, opdat ook zij in de wereld aan U toegewijd mogen zijn.’

Van Woord naar leven

De overweging van vandaag is van de hand van Frans Mistiaen, s.j.

Tussen Hemelvaart en Pinksteren beleeft de jonge Kerk een sterke groeitijd. Jezus is naar de Vader en zijn beloofde Geest moet nog komen. Dan verzamelt het kleine groepje leerlingen zich rond Maria. En wat doen zij? Zij bidden veel samen en zij vertellen opnieuw al hun verhalen over Jezus. “Weet gij het nog toen Hij op de berg de broden deelde… En weet ge het nog toen Hij aan het meer vertelde…”
Zij gedenken en bidden. En zij worden bemoedigd door de getuigenissen van diegenen die komen zeggen dat ook zij de verrezen Heer hebben ontmoet en dat ook zij nu echt in Hem geloven.
De jonge Kerk wordt geboren en groeit, in gebed en viering met Maria in hun midden.

In hun herinnering leefden zeker de afscheidswoorden die Jezus tot hen had gesproken aan tafel in de bovenzaal, op die eerste Witte Donderdag. Jezus had toen gebeden dat zijn leerlingen zouden bewaard blijven voor het kwaad. Hij bad dat zij niet zouden vluchten uit de wereld, om een soort religieuze fanatici te worden, maar dat zij, geïntegreerd in de wereld en er toch niet volledig door opgeslorpt, verbonden zouden blijven met de liefde van zijn Vader.

Een christen beleeft inderdaad onvermijdelijk een innerlijke spanning en strijd. Onze prachtige wereld is een schepping van God en dus fundamenteel goed. Maar anderzijds maakt de vrijheid van de mens van deze mooie droom van God dikwijls een wereldje van kleinmenselijk eigenbelang en egoïsme. Een christen zal zich dus nooit kritiekloos vereenzelvigen met alles wat de wereld hem aanbiedt. Hij zal dankbaar blijven voor al de tekenen van goedheid die hij aan alle kanten bespeurt, maar hij zal de strijd aanbinden tegen alle vormen van zelfzucht, die als onkruid tussen de tarwe onvermijdelijk mee opschiet. Onpartijdigheid bestaat hier niet. Wie niet attent is en niet reageert, wordt meedogenloos meegesleept en altijd langs één kant: de kant van de gemakzucht en het eigenbelang.

Jezus heeft gebeden dat zijn leerlingen te midden van de wereld in de liefde zouden blijven. En liefde is nu juist het tegenovergestelde van eigenbelang en zelfzucht. Het is zich inzetten voor de anderen zonder hun voorafgaande voorwaarden te stellen. En het is zich geven en zichzelf vergeten.

De aanwezigheid van Maria in deze groep biddende leerlingen was belangrijk voor de stille groei van de jonge Kerk. Zij was een en al zichzelf-vergetende gave, en dus de bron van deze kleine, groeiende geloofsgemeenschap. Wij mogen in deze meimaand tot onze Moeder Maria bidden in het hart van de Kerk.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
wij danken U om uw toewijding aan de Vader, en om uw toewijding aan ons. Zo stelt Gij ons in staat te kunnen leven in U. Schenk ons de genade dit rijk mysterie van harte te beleven, met Maria, als een Moeder die binnenleidt, aan onze zijde.
Alle dagen van ons leven.
Amen.