Lezingen van de dag – zondag 14 febr. 2016


Heilige (of feest) van de dag

Cyrillus en Methodius († 9e eeuw)dyn007_original_300_406_pjpeg_2577949_9419d751fff641e286c3adca6007a5d3

Cyrillus van Thessalonica, Griekenland; Slavenapostel met Methodius

Cyrillus en Methodius waren broers en kwamen uit de Noord-Griekse stad Thessalonica. Ze waren monnik en stonden in verbinding met de Oost-Europese culturen. Wie daar in hun dagen christen wilde worden, moest de Latijnse taal beheersen en de Latijnse cultuur op de koop toe nemen. Dat betekende in de praktijk dat het christelijk geloof voor de gewone man in het oosten ontoegankelijk bleef.

Cyrillus en Methodius gebruikten als eersten de Slavische taal in prediking en onderricht. Bovendien maakten ze een vertaling in het Slavisch van de liturgie, en dus ook van de bijbelteksten die in de liturgie werden voorgelezen. Om de klanken adequaat te kunnen weergeven moest zelfs een nieuw tekenschrift ontworpen worden. Wij kennen het nu als het cyrillisch schrift, genoemd naar de uitvinder ervan: onze heilige Cyrillus. Gewoonlijk wordt het bij ons ‘Russisch schrift’ genoemd.

Bij paus Hadrianus II († 872) wisten ze zelfs gedaan te krijgen dat in het oosten het latijn in de eredienst helemaal werd vervangen door de slavische taal. In één moeite door wijdde de paus hen ook tot bisschop. Nog tijdens datzelfde bezoek aan Rome overleed echter Cyrillus. Hij werd beschouwd als de denker, filosoof en theoloog van de twee broers. Cyrillus ligt begraven in de kerk van San-Clemente te Rome; hij had diens relieken vanuit Rusland naar Rome overgebracht.

In tegenstelling tot zijn broer was Methodius eerder praktisch ingesteld. Hij ging terug naar zijn Slavische volken – zoals de Bulgaren, Hongaren, Magyarenen Russen – om er het christelijk geloof verder te verbreiden en vaste voet te geven. Maar hoe langer hoe meer werd hij tegengewerkt door collega-bisschoppen uit de omgeving, omdat zij vonden dat hij teveel op hun terrein kwam en onder hun duiven schoot. Het kwam zelfs zover dat hij werd verbannen naar het Zuid-Duitse stadje Ellwangen. Daar sleet hij zijn laatste dagen door verder te werken aan de vertaling in het slavisch van bijbel en liturgie.

Methodius ligt begraven in de Mariakerk te Welehrad (= het huidige Staré Mesto).
Cyrillus en Methodius zijn van onschatbare waarde geweest voor de verspreiding van het christendom in Oost-Europa. Tegelijk daarmee hebben ze de Slavische volken een eigen identiteit gegeven in de vorm van het cyrillisch schrift. Zij worden vereerd als de eerste apostelen onder de Slavische volken van Oost-Europa.

Paus Johannes-Paulus II († 2005) riep hen in 1980 uit tot medepatroons van Europa. Sinds 1863 golden zij reeds als patroons van alle Slavische landen en volken. Hun voorspraak wordt ingeroepen bij onweer.

Cyrillus wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, mijter, staf) met bekeerde ongelovigen bij zich; soms reikt een engel uit de hemel hem twee stenen tafelen om ze over te schrijven op perkament (verwijzing naar Mozes die de twee stenen Wetstafelen vanuit de hemel ontving).
Methodius heeft vaak een afbeelding bij zich van het Laatste Oordeel. Het schijnt dat hij die graag gebruikte bij zijn prediking. Hij schijnt daarmee een slavische koning met heel zijn hofhouding tot het christelijk geloof gebracht te hebben.

1e ZONDAG IN DE VASTENTIJD


Uit het boek Deuteronomium 26, 4-10

De lezing van het Oude Testament roept elke zondag in de veertigdagentijd een betekenisvolle periode op uit de heilsgeschiedenis. Deze tekst uit Deuteronomium schetst er een breed overzicht van. De periode van de patriarchen, Aramese zwervers, waarin Jakob naar Egypte trekt. De tijd van de slavernij in Egypte, waaruit Mozes het uiverkoren volk laat wegtrekken. Het tijdperk van de woestijn en van de Rechters waarin Jozua de Joden laat binnentrekken in het beloofde land. Tijdens deze lange geschiedenis zijn er heel wat bekoringen, waaraan het volk vaak bezwijkt. In de woestijn zal Jezus ze overwinnen.

Mozes sprak tot het volk:
‘Als de priester de mand in ontvangst heeft genomen en die voor het altaar van de Heer, uw God, heeft neergezet, moet u het volgende voor de Heer belijden: “Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we de Heer, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En de Heer bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. Heer, hierbij breng ik U de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.”
Bied de Heer, uw God, zo uw gaven aan en kniel voor Hem neer.’

 

Psalm 91, 1 + 2 + 10 + 11 + 12 + 13 + 14 + 15

Refr.: Leer mij uw weg, Heer, om die trouw te volgen.

Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont
en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende,
zegt tegen de Heer: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting,
mijn God, op U vertrouw ik.’

Het kwaad zal je niet bereiken, 8c2da01e89b7383cc1506148b331c343
geen plaag je tent ooit treffen.
Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen,
die over je waken waar je ook gaat.

Hun handen zullen je dragen,
je voet zul je niet stoten aan een steen.
Leeuw en adder zul je vertrappen,
roofdier en slang vermorzelen.

Ik zal bevrijden wie mij liefheeft
en beschermen wie met mijn Naam vertrouwd is.
Roep je mij aan, Ik geef antwoord,
in de nood zal Ik bij je zijn,
je bevrijden en met roem overladen.

 

Uit de brief van Paulus aan de Romeinen 10, 8-13

In de woestijn verkondigde Jezus het woord van God met in zijn hart de zekerheid dat zijn Vader Hem zou verlossen van de Verleider. De christenen zullen op dezelfde wijze worden gered indien zij met de mond belijden dat Christus de Heer is en in hun hart geloven dat God Hem van de doden heeft opgewekt. Deze weg van het heil staat voortaan open voor alle mensen.

Broeders en zusters,
dit zegt de Schrift: ‘Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart’ – en dat betekent: de boodschap van het geloof die wij verkondigen, is dicht bij u.
Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered.
Als uw hart gelooft, zult u rechtvaardig worden verklaard; als uw mond belijdt, zult u worden gered.
Want de Schrift zegt: ‘Wie in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’
En er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft zijn rijke gaven aan allen die Hem aanroepen, want er staat: ‘Ieder die de Naam van de Heer aanroept, zal worden gered.’

 

Kyrie eleison3236813569_17b3abba40_m

Niet van brood alleen leeft de mens,
maar van ieder woord
dat komt uit de mond van God.

Kyrie eleison

 

Uit het evangelie volgens Lucas 4, 1-13

De evangelist Lucas verhaalt hier de eerste etappe van Jezus’ optreden: die van de woestijn. De Messias wordt er aangevallen door de Verleider. Hij achtervolgt Hem tot op de bovenbouw van de Tempel in Jeruzalem. Jezus zal zijn tegenstander opnieuw ontmoeten ‘op het vastgestelde ogenblik’, dat van zijn lijden. Bij deze slotaanval zal Hij zegevieren zoals hier door de kracht van het woord van de Vader en door de Geest die Hij ontvangen heeft bij zijn doopsel.

Vervuld van de heilige Geest trok Jezus weg van de Jordaan, en geleid door de Geest zwierf Hij veertig dagen rond in de woestijn, waar Hij door de duivel op de proef werd gesteld. Al die tijd at Hij niets, en toen de veertig dagen verstreken waren, had Hij grote honger.
De duivel zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, beveel die steen dan in een brood te veranderen.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen.”’
Toen bracht de duivel Hem naar een hooggelegen plaats en liet Hem in een en hetzelfde ogenblik alle koninkrijken van de wereld zien. De duivel zei tegen Hem: ‘Ik geef u de macht over dat alles en ook de roem die ermee gepaard gaat, want ik kan daarover beschikken en ik geef het aan wie ik wil; als U in aanbidding voor mij neervalt, zal dat allemaal van u zijn.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”’
De duivel bracht Jezus naar Jeruzalem en zette Hem op het hoogste punt van de tempel, en hij zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij opdracht geven om over U te waken.” En ook: “Op hun handen zullen zij U dragen, zodat U uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er is gezegd: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’
Toen de duivel Jezus aan al deze beproevingen had onderworpen, ging hij voor een tijd bij Hem vandaan.

Van Woord naar leven

De overweging van vandaag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

De veertigdagentijd is de periode waarin wij worden uitgenodigd tot grotere echtheid en eerlijkheid in onze drie fundamentele relaties: de relatie tot God, tot onze medemensen en tot de dingen rondom ons. Maar die worden voortdurend verstoord door het kwaad. Nu is het kwaad een zeer bedrieglijke, valse macht, omdat het meestal verschijnt, vermomd als het goede. Een bekoring is altijd aanlokkelijk, omdat er inderdaad gedeeltelijk iets goeds in steekt. Met grote spitsvondigheid stelt het kwaad zich aan ons voor als iets dat volledig goed en normaal zou zijn. De waarheid vraagt dat wij die strategie durven ontmaskeren. Daarvoor is de veertigdagentijd nu juist heel goed geschikt.

In de evangelieversie van Lukas zijn de drie fundamentele bekoringen: materie, macht en magie.

De eerste bekoring gaat over gebruik van de materie, over onze relatie met de levensnoodzakelijke dingen. Onze zorg voor het materieel welzijn is goed. – “Waarom zouden wij niet mogen genieten van de welstand die voorhanden is?” “Wij hebben eigenlijk toch wel een minimum aan bezittingen en comfort nodig!” En wij hebben gelijk! Maar de vraag is alleen: “Hoe groot is dat minimum mettertijd wel geworden?” Om zogezegd “gewoon” te leven blijken wij stilaan steeds méér dingen nodig te hebben, die wij met steeds minder mensen willen delen. Zo wordt iets dat oorspronkelijk “goed” was tot een “kwaad”. Van zodra onze zeer terechte materiële zorg overdreven proporties aanneemt, verandert die in een hebzucht die steeds méér nodig heeft en onze allereerste prioriteit wordt. Als de materie overbelangrijk wordt dan gaan wij de geestelijke noden op de tweede plaats zetten of zelfs vergeten: dankbaarheid voor het leven, eenvoud, mededeelzaamheid. Jezus zegt: “De mens leeft niet van het materiële brood alleen!” De vraag is dus of wij de dingen die wij de laatste tijd aan het verzamelen zijn, echt nodig hebben om gelukkig te zijn? Zo ja. Goed dan! Laten wij ze maar goed gebruiken. Zo niet, dan doen wij ze best zo vlug mogelijk, als ballast, van de hand.

De tweede bekoring gaat over onze relatie met de anderen. Tegenover onze medemensen is macht en eer heel noodzakelijk. – “Macht is toch onontbeerlijk voor de orde in onze maatschappij!” en “Wij hebben toch wel recht op een minimum aan respect vanwege de anderen zeker!” En ook dat is weer heel waar. Alleen blijkt, bij nader toezien, dat wíj onze macht en eer steeds maar hebben uitgebreid, zonder te zorgen voor de macht en de eer van de anderen. Zo wordt weer “iets goeds” tot “een kwaad”. Als wij niet opletten dan verandert ons verlangen naar orde en respect in een heerszucht en een eerzucht die niemand meer ontziet. En dan gaan wij vergeten wat nog veel belangrijker is: elkaar dienen in waardering en solidariteit. Jezus zegt: “Gij zult de Heer uw liefde-God aanbidden en geen ander macht dienen!”. Wij laten anderen regelmatig onze macht voelen over de anderen. Wij staan dikwijls op onze eer, want wij hebben zere tenen. Maar de vraag is telkens: bevordert dit nu het samen-werken, het samen-leven? Zo ja. Goed! Dan moeten wij die macht gebruiken. Zo neen. Laten wij dan maar de tegenovergestelde methode kiezen: de bescheiden dienstbaarheid.

De derde bekoring is de bekoring van de magie, waarbij wij God proberen te gebruiken voor eigen voordeel. Het is begrijpelijk dat wij vertrouwen op Gods bescherming en zeggen: “God zal mij helpen!” En wij hebben weer groot gelijk. Alleen kunnen wij hier zodanig overdrijven dat ons geloof verglijdt tot een soort magie. En dat gebeurt als wij Gods bescherming voor onszelf gaan opeisen: – “Vermits ik zoveel voor U doe, God, moet Gij nu toch wel eens een spectaculair mirakel doen voor mij!” Zo wordt zelfs onze geloofsbeleving “een kwaad”, want dan verandert ons vertrouwen in God in een opeisen van zijn bescherming. Echt geloof stelt echter nooit eisen aan God, maar durft zich dagelijks opnieuw aan Hem toevertrouwen. “Gij zult de Heer uw God nooit uitdagen!”

Elke bekoring is een uiterst spitsvondige mengeling van goed en kwaad. Maar de drie fundamentele bekoringen geven ons duidelijk aan naar welke richting wij neigen, zeker als wij onszelf laten gaan, als wij moe zijn of zwak, kwetsbaar of eenzaam: dan neigen wij altijd spontaan in de richting van onze zelfzucht. Dan verlangen wij teveel en voor onszelf alleen. Zelfs iets dat goed is, wordt een kwaad, telkens wanneer het eigenbelang en de zelfverdediging daarin onze uiteindelijke bedoeling of onze eerste prioriteit wordt.

Het kwaad in ons heeft eigenlijk weinig varianten. Het zijn steeds dezelfde fouten die terugkomen. Het gevaar bestaat dat wij op de duur minder weerstand bieden en een compromis sluiten: “Ik zal hiermee moeten leren leven!” Maar daardoor juist groeit de innerlijke ontevredenheid en de leegte in ons hart. Daarom kennen wij geen echte vreugde meer. We laten ons meeslepen door het kwaad, wat eigenlijk een kinderachtige houding is van blijven steken in enkele hebberigheden en kleine pleziertjes, zoals een verwend kind. Reageren tegen het kwaad is een moedige stap naar grotere, innerlijke volwassenheid.

De veertigdagentijd is dus tijd van meer helder inzicht om de verraderlijke tactiek van het kwaad te ontmaskeren en vooral van vernieuwde, vindingrijke weerbaarheid. Wie niet weerstaat, wordt misleid en meegesleurd. En de drie bekoringen van het evangelie duiden ons ook aan waar wij die strijd zullen moeten leveren: nl. op het domein van onze fundamentele relaties: méér met God verbonden leven, méér solidair met elkaar en authentieker tegenover de dingen die ons gegund worden. Daarom proberen wij tijdens deze veertigdagentijd t egenover God minder eisen stellen, maar Hem uitdrukkelijk danken voor het leven, dus bidden. De dingen die ons ter beschikking staan minder grijpen; wij gaan ze meer delen. Broederlijk Delen. Onze medemensen met wie wij omgaan niet proberen te domineren, te overheersen. Wij gaan integendeel de zwakkeren meer beschermen. Dat is echt vasten: meer danken, meer delen en meer dienen dan wij al doen.

En dat vraagt van ons dat wij steeds opnieuw kiezen en een dagelijkse strijd leveren tegen onze zelfzucht, vóór de liefde. Als wij met die innerlijk bekering onze woestijnperiode beginnen, dan zullen wij tijdens de volgende weken wel ontdekken hoe wij ons leven het best uiterlijk gaan reorganiseren, met welke prioriteiten en met welke beperkingen.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,woestijn01
dat deze vastentijd ons in de woestijn van het leven mag brengen waar wij doorheen bekoring en beproeving mogen kiezen voor U. Dat de heilige Geest ons hierin mag leiden. Amen.