Lezingen van de dag – zondag 15 oktober 2017


Heilige (of feest) van de dag

Teresa van Avila († 1582)

Teresa (ook Theresia) van Avila, carm., Spanje; mystica & kerklerares

Theresia van Avila is één van de beroemdste mystici onder de katholieke heiligen. Samen met de heilige Johannes van het Kruis heeft zij de orde van de Karmel hervormd in de zestiende eeuw. Haar geschriften hebben de mystieke theologie dermate ingrijpend beïnvloed, dat zij door paus Paulus VI in 1970 als eerste vrouwelijke heilige werd uitgeroepen tot kerkleraar.

Theresia van Avila wordt in de volksmond ook wel de “grote Theresia” genoemd, in tegenstelling tot de ‘kleine Theresia’, waarmee Theresia van Lisieux wordt bedoeld.

Theresia was de dochter van Don Alonso Sánchez de Cepeda en Dõna Beatriz de Ahumada. Haar ouders waren tot bekering gedwongen joden. Ze trad op 2 november 1535 in in het klooster van de menswording (La Encarnación) te Ávila. Ze werd ingekleed in 1536 en legde haar geloften af op 3 november 1537. Ze moest het klooster echter in 1538 al weer verlaten omdat ze ziek werd. Ze werd naar een genezeres in Becedas gestuurd. Door een boek dat ze las toen ze daar verbleef, kreeg ze haar eerste mystieke genaden. De behandeling in Becedas had geen effect, en in 1539 werd Theresia doodziek terug naar Ávila gebracht. Nadat ze op de feestdag van Maria-Tenhemelopneming gebiecht had, raakte ze in de toestand van schijndood. In die toestand werd ze terug naar het klooster gebracht, en ze bleef zo gedurende drie jaar.

In 1542 genas ze uiteindelijk zonder aanwijsbare natuurlijke oorzaak. Zelf schreef ze haar genezing toe aan de heilige Jozef, de bruidegom van de maagd Maria en de voedstervader van Jezus Christus. Ze zou de rest van haar leven een grote devotie voor deze heilige behouden (haar eerst gestichte klooster zou onder zijn bescherming worden gesteld.

Na haar genezing maakte Theresia een periode van geestelijke dorheid door, die gevolgd werd door een tijd van bijzondere genaden. Zo beweerde ze dat haar in 1556 Jezus verscheen om zich met haar mystiek te verloven. In deze tijd van innig contact met God raakte ze ervan overtuigd dat ze de orde van de karmelietessen waartoe ze behoorde moest hervormen. Deze orde was namelijk, zoals zoveel orden op een bepaald moment van hun geschiedenis hadden meegemaakt, verslapt in de naleving van haar kloosterregel. Een dergelijke terugkeer naar het oorspronkelijke elan van een kloosterorde wordt een observantiebeweging genoemd.

Om haar hervorming gestalte te geven stichtte Theresia in 1562 haar klooster van de heilige Jozef, in Ávila. Dit was geen sinecure, want er waren geen middelen en ze ondervond veel tegenstand. Het bestaan van zo’n klooster was immers in feite een slag in het gezicht van de bestaande kloosters, die bruut geconfronteerd werden met hun eigen falen.

De rest van het leven van Theresia was een aaneenschakeling van enerzijds bijzondere genaden in haar persoonlijke leven, en anderzijds kloosterstichtingen en het schrijven van constituties en mystieke geschriften in haar publieke leven.

Van haar geschriften zijn haar “Innerlijke Burcht,” de Weg van Volmaaktheid” en haar “Hooglied” het meest beroemd. Ze behoren tot de hoogtepunten van de Spaanse literatuur. Op dat gebied werd zij in haar tijd alleen overtroffen door haar naaste medewerker en medemysticus, de heilige Johannes van het Kruis, die de Theresiaanse hervorming voor de mannelijke tak van de karmelieten ter hand nam.

In haar denken werd Theresia beïnvloed door de werken van Francisco de Osuna, die op beeldende wijze uiteenzette wat bijvoorbeeld de stadia van het gebed waren, of wat het verschil was tussen een visioen van de verbeelding en een van het verstand.

Theresia werd zaligverklaard door paus Paulus V op 24 april 1614, en heiligverklaard door paus Gregorius XV op 12 maart 1622.

28e zondag door het jaar – A


Uit de profeet Jesaja 25, 6-10a

Volgens de Bijbel zullen op het einde van de tijden allen volkeren zich verzamelen in de stad van God, hetzij om er geoordeeld te worden, hetzij om deel te nemen aan het grote feest, symbool van de volheid van leven en geluk.

In die dagen zal de Heer van de hemelse machten op de berg Sion voor alle volken een feestmaal aanrichten: uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen.
Op deze berg vernietigt Hij het waas dat alle volken het zicht beneemt, de sluier waarmee alle volken omhuld zijn.
Voor altijd doet Hij de dood teniet. God, de Heer, wist de tranen van elk gezicht, de smaad van zijn volk neemt Hij van de aarde weg; de Heer heeft gesproken.
Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God! Hij was onze hoop: Hij zou ons redden. Hij is de Heer, Hij was onze hoop. Juich en wees blij: Hij heeft ons gered!’
De hand van de Heer rust op deze berg.

 

Psalm 23, 1-6

Refr.: Ik keer terug in het huis van de Heer.

De Heer is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,
Hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn Naam.

Al gaat mijn weg oor een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want U bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.
U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.

Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de Heer
tot in lengte van dagen.

 

Uit de brief van Paulus aan de Filippenzen 4, 12-14 + 19-20

Vanuit de gevangenis dankt Paulus de Filippensen om het geld dat zij hen toezonden. Omdat zij delen in het lijden van hun broeder, zullen zij door God overstelpt worden met alle geestelijke gaven.

Broeders en zusters,
ik weet wat het is om gebrek te lijden, maar ook wat het is om in rijkdom te leven. Ik heb alles aan den lijve ondervonden: overvloed en honger, rijkdom en gebrek. Ik ben tegen alles bestand door Hem die mij kracht geeft. Toch hebt u er goed aan gedaan in mijn moeilijkheden te delen. Mijn God zal uit de overvloed van zijn majesteit elk tekort van u aanvullen, door Christus Jezus.
Aan onze God en Vader komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen.

 

Alleluia.

Moge de Vader van onze Heer Jezus Christus
ons innerlijk oog verlichten,
om te zien hoe groot de hoop is
waartoe Hij ons roept.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 22, 1-14

Het eerste deel van de parabel weerspiegelt de conflicten van Jezus met de Farizeeën. De vijandigheid van de leiders van het volk, doorheen de tijden tegenover de gezondenen van God, en nu tegenover zijn Zoon, zal hen uitsluiten van het feest van de laatste dagen. Voortaan zal de uitndodiging gericht worden tot alle mensen, wie zij ook zijn.
Het tweede deel van de parabel legt de nadruk op de voorwaarden die altijd vereist zijn om deel te nemen aan het feest: zich bekleden met Christus en aldus vruchten voortbrengen van de Geest.

Jezus nam het woord en sprak opnieuw in gelijkenissen tot de hogepriesters en de oudsten van het volk:
‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Hij stuurde zijn dienaren erop uit om de bruiloftsgasten uit te nodigen, maar die wilden niet komen.
Daarna stuurde hij andere dienaren op pad met de opdracht: “Zeg tegen de genodigden: ‘Ik heb een feestmaal bereid, ik heb mijn stieren en het mestvee laten slachten. Alles staat klaar, kom dus naar de bruiloft!’” Maar ze negeerden hen en vertrokken, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. De overigen namen zijn dienaren gevangen, mishandelden en doodden hen.
De koning ontstak in woede en stuurde zijn troepen erop af, hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren: “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de gasten waren het niet waard genodigd te worden. Ga daarom naar de toegangswegen van de stad en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt.”
De dienaren gingen de straat op en brachten zo veel mogelijk mensen samen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd.
Toen de koning binnenkwam om te zien wie er allemaal aanlagen, zag hij iemand die zich niet in bruiloftskleren gestoken had, en hij vroeg hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?” De man wist niets te zeggen.
Daarop zei de koning tegen zijn hofdienaars: “Bind zijn handen en voeten vast en gooi hem eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt. Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.”’

 

Van Woord naar leven

De overweging is van de hand van Frans Mistiaen, s.j.

In deze parabel lijkt iets niet te kloppen. Eerst wordt benadrukt dat God mateloze inspanningen doet om allen uit te nodigen, ook de onaanzienlijken. Maar dan vindt Hij toch iemand onwaardig, omdat die een feestkleed mist. Wat zou dus wel de diepere betekenis kunnen zijn van dat “kleed” bij een feest waar God blijkbaar anders dan wij oordeelt over “wie goed of slecht is”?

Het gaat over een Koning die veel volk wil zien op de bruiloft van zijn Zoon. Een bruiloft is een feest waar de liefde in het centrum wordt gezet en waar genodigden rond die liefde komen meevieren. Met dit beeld van de bruiloft wordt ons reeds de christelijke visie op het leven voorgehouden: alles wat wij doen en ondernemen, proberen wij, christenen, te beleven als een dankbaar antwoord op Gods uitnodiging om van elke dag een viering te maken van Jezus’ liefdesmentaliteit.

Daarbij wordt in deze parabel benadrukt dat Gods liefdesaanbod geen voorwaarden stelt. ‘Kom toch allen naar het liefdesfeest’ klinkt het aandringend. God nodigt allen uit, zowel rijken als armen, zowel diegenen die – volgens onze menselijke normen – slechten zijn als goeden, zowel de zgn. “zondaars” als de zgn. “rechtschapenen” in onze maatschappij.

Wie werd als “zondaar” beschouwd in de Joodse gemeenschap van Jezus’ tijd? Dat waren toen diegenen die de religieuze wetsvoorschriften niet onderhielden over “offers brengen, sabbath respecteren, tempelbelasting betalen”. En wie worden als de slechteriken beschouwd en in onze katholieke gemeenschap van vandaag? De gescheidenen misschien, de homofielen, de samenwonenden? Welnu, voor God moet niemand eerst voortreffelijk in orde zijn met de religieuze voorschriften van onze tijd. Iedereen wordt uitgenodigd op zijn liefdefeest. Aan iedereen biedt Hij zijn liefde aan, ook aan diegenen die volgens de strikt kerkelijke normen “zondaars” worden geacht. Waarom?

Natuurlijk niet omdat God kwaad zou goedkeuren. Wel omdat God niet zozeer kijkt naar de uiterlijke voorschriften, maar vooral naar de ingesteldheid van het hart. Wat telt is: Wie gaat echt in op zijn liefdesaanbod? Wie probeert zijn leven te zien als een antwoord op een uitnodiging om liefdevol in het leven te staan? Welnu, de luisterbereide zondaars hebben dit voor op de rechtschapenen: nl. dat zij Gods liefdesaanbod als een gunst erkennen, dat zij Gods liefde en vergeving aanvaarden, dat wil zeggen ervoor dankbaar zijn. Die zgn. “zondaars” mogen erbij horen, niet omdat zij zondaars zijn, maar omdat zij Jezus’ liefdesaanbod écht ontvangen en dus dankbare mensen zijn. Die dankbaarheid, dat maakt het verschil! Bekeerde zondaars gaan hun leven verder uitbouwen met in hun hart een gevoel van erkentelijkheid voor de ontvangen vergeving. Terwijl vele zogezegde rechtschapenen in de zelfzekere overtuiging leven dat zij Gods liefdesaanbod en barmhartigheid niet en nooit nodig hebben. God hanteert dus een andere maatstaf dan wij. Wij maken aan de buitenkant onderscheid tussen goeden en slechten. God nodigt iedereen onvoorwaardelijk uit. Hij verlangt alleen dat zijn liefde aanvaard wordt, écht aanvaard, dus dankbaar aanvaard. Dankbaarheid, dat verlangt God van ieder!

Het erge is dat velen hun eigen akkers of zaken belangrijker vinden dan Gods liefdesaanbod. En dit geldt vooral voor de rijken en de vooraanstaanden, maar evenzeer voor de armen en de onaanzienlijken. Ook van hen verwacht God dankbaarheid.

Daarom vond de wat strenge evangelist Mattheüs het nodig een slot aan de parabel toe te voegen over de man zonder bruiloftskleed.

Armen en kleinen behoren niet automatisch tot Jezus’ gemeenschap, omwille van het feit dat ze arm zijn of klein. In de zaligsprekingen staat: ‘Zalig de armen van geest’, en dat betekent: ‘Zalig diegenen die, zij het rijk, zij het arm, dankbaar kunnen zijn voor de levenskansen die zij ontvangen in plaats van hebzuchtig, afgunstig en trots.’

Het bruiloftskleed is dus het symbool van de dankbaarheid en van de bereidheid tot wederliefde van de christen. Paulus zei reeds “Bekleed u met de nieuwe mens”, dit is: de mens naar Jezus’ maat, de dankbare, delende, zichzelf-gevende mens. “Geen feestkleed hebben” betekent dan: er wel bij zijn, maar zonder dankbaarheid, meer met een houding van “alleen voor zichzelf opeisen”. En dat maakt een liefdesantwoord helemaal onmogelijk. Wie geen dankbaarheid of wederliefde in zijn hart draagt, sluit zich zelf uit van het feest, zoals God het voor hem droomt. Uiteindelijk stelt God aan iedereen, aan rijken en aanzienlijken, maar evenzeer aan armen en behoeftigen, de vraag: “Hebt gij het bruiloftskleed aan? dwz. Draagt gij dankbaarheid en wederliefde in uw hart?”

Elke Eucharistie wil ons laten voelen dat wij opnieuw geroepen worden tot een dankbare liefdegemeenschap. Zie, de Heer heeft voor ons weer zijn maaltijd klaar. “Kom dus nu maar naar zijn bruiloftsfeest!”

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
Gij wacht en staat gereed om, als de weg is afgelegd en alle leed geleden, iedereen zijn plaats te geven bij de maaltijd die Gij hebt aangericht. Laat ons niet onverschillig worden en in liefdeloosheid vervallen. Wek in ons het geloof dat er een weergaloze toekomst wacht voor wie ingaat op uw uitnodiging.
In Christus’ naam, amen.