Lezingen van de dag – zondag 17 april 2016


Heilige (of feest) van de dag

Robertus van La Chaise Dieu burning-candles-in-church
(† ca 1067)

Robertus van La Chaise Dieu osb, Frankrijk; abt

Robertus van Turlande kwam uit de Franse landstreek Auvergne. Zijn vader heette Giraldus, zijn moeder Raingardis. Reeds de omstandigheden waaronder hij geboren werd gaven te kennen wat voor leven hij later zou gaan leiden. Want toen zijn moeder van hem in verwachting was, was zij op reis naar een verre stad. Onderweg kwam het moment dat het kind geboren moest worden. Zo kwam het ter wereld midden in de eenzaamheid. Dat is veelzeggend voor iemand die later zijn leven in de eenzaamheid zou doorbrengen. Eenmaal op de plaats van bestemming aangekomen, kreeg hij een min toegewezen. Maar de pasgeboren baby wilde niet drinken van de hem voorgehouden borst; niet omdat hij de melk niet lekker vond, want bij zijn moeder dronk hij wel, maar omdat een vreemde borst zondig was. Dat kind wist dat natuurlijk nog niet, maar God maakte dat duidelijk door de gedragingen van het kind.

De jongen groeide op bij de St-Julianuskerk te Brioude. Hij maakte ernst met de kerkelijke studies, doorliep de gewone fasen van een geestelijke in opleiding, in welke tijd hij ook nog een gasthuis voor bedelaars stichtte, en werd uiteindelijk priester gewijd. Hij voelde zich aangetrokken tot het godgewijde leven en trad in in het klooster van Cluny, waar toen een belangrijke vernieuwingsbeweging aan de gang was onder leiding van de grote abt Odilo. Na enige tijd wist hij voor zichzelf zeker dat daar zijn definitieve roeping niet lag. Hij ondernam een pelgrimsreis naar Rome om door bemiddeling van de apostelen Petrus en Paulus God om uitkomst te vragen.

Na terugkomst ging hij op zoek naar een geschikte eenzame plek om zich als kluizenaar te kunnen vestigen. In die tijd voegde zich een gewezen soldaat bij hem. Die had spijt over al de zonden die hij in zijn soldatentijd had begaan en wilde zich geheel aan God wijden (zie afb.). Hij heette Stefanus. Terwijl zij beiden verder zochten, kwam er nog een soldaat bij: Dalmatius. Ze vonden een goede plek tussen de dorens en de distels en vestigden zich daar. Daartoe moest hun de grond geschonken worden. Die was in bezit van twee kanunniken: Rostaguus en Arbertus: de laatste was bovendien een abt. Met dat zij de schenking deden sloten zij zich ook bij Robertus aan. Uit die plek zou later het klooster ‘Casa-Dei’ groeien (= ‘Huis van God’ in het Frans verbasterd tot ‘La Chaise Dieu’). Nog tijdens Robertus’ leven telde het 300 monniken.

Intussen gebeurden er rond Robertus allerlei wonderen. Hij genas zieken, hield door middel van zijn gebed een waterloop tegen, liet doven horen, stommen spreken, lammen lopen en dreef allerlei duivels uit. Tevoren gaf hij aan zijn monniken te kennen op welk moment hij zou sterven. Toen het zover was, sterkte hij hun in hun religieus leven en gaf de geest.

Hij werd begraven in de kloosterkerk. Ook na zijn dood gebeurden er talloze wonderen.

4e zondag in de Paastijd – C


Uit de Handelingen van de Apostelen 13, 14 + 43-52

Het Goede Nieuws van de gestorven en verrezen Christus (3e zondag na Pasen) wordt door de Kerk verkondigd aan alle volkeren. Paulus en Barnabas begonnen hun prediking in de synagoge, want zij dachten dat daar het Evangelie het eerst moest gemeld worden. Wanneer zij stoten op weigering en zelfs belediging, besluiten zij om zich resoluut tot de heidenen te wenden.

Paulus en Barnabas trokken van Perge verder naar Antiochië in Pisidië. Daar aangekomen gingen ze op sabbat naar de synagoge en namen er plaats. Na afloop van de samenkomst liep een groot deel van de Joden en de vrome proselieten met Paulus en Barnabas mee, die hen toespraken en hen aanspoorden zich over te geven aan de goedgunstigheid van God.
De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van de Heer te luisteren. Bij het zien van de mensenmenigte werden de Joodse leiders jaloers en begonnen ze de woorden van Paulus op godslasterlijke wijze verdacht te maken. Maar Paulus en Barnabas zeiden onomwonden: ‘De boodschap van God moest het eerst onder u worden bekendgemaakt, maar aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, zullen we ons tot de heidenen wenden. Want de Heer heeft ons het volgende opgedragen: “Ik heb je bestemd tot een licht voor alle volken om redding te brengen, tot aan de uiteinden van de aarde.”’
Toen de heidenen dit hoorden, verheugden ze zich en spraken ze vol lof over het woord van de Heer, en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren aanvaardden het geloof.
Het woord van de Heer verspreidde zich over de hele streek.
De Joden hitsten echter de vrome vrouwen uit de hogere kringen op, evenals de vooraanstaande burgers van de stad, en wisten hen zover te krijgen dat ze zich tegen Paulus en Barnabas keerden, zodat die uit het gebied werden verdreven.
Maar zij schudden het stof van hun voeten omdat ze niets meer met hen te maken wilden hebben en vertrokken naar Ikonium.
De achterblijvende leerlingen waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest.

 

Psalm 100, 1 + 2 + 3 + 5

Refr.: Gods volk zijn wij, de kudde die Hij weidt.

Juich de Heer toe, heel de aarde, Resurrection-Icon
dien de Heer met vreugde,
kom tot Hem met jubelzang.

Erken het: de Heer is God,
Hij heeft ons gemaakt,
Hem behoren wij toe,
zijn volk zijn wij,
de kudde die Hij weidt.

De Heer is goed,
zijn liefde duurt eeuwig,
zijn trouw van geslacht op geslacht.

 

Uit het boek Apocalyps 7, 9 + 14b-17

Jezus beloofde het eeuwig leven, dat het boek van de Apocalyps oproept in twee beelden: staan voor de troon van God om Hem dag en nacht te dienen, en nooit meer honger kennen noch dorst, verslagenheid noch tranen. Jezus telt zich voor als de ware Herder. Omdat deze Herder het geslachte Lam werd, kan Hij de zijnen leiden naar de bron van levend water.

Ik, Johannes, zag dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het Lam.
Een van de oudsten sprak tot mij: ‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. Ze hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het Lam. Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om Hem te vereren. En Hij die op de troon zit zal bij hen wonen. Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. Want het Lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’

 

Alleluia.1280X720img-high14058041397310

Ik ben de goede Herder, zegt de Heer.
Ik ken de mijnen en de mijnen kennen mij.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 10, 27-30

Aan het einde van een lange rede, waarin Jezus zich voorstelt als de goede Herder, wijst Hij de zijnen op de drievoudige houding die ze behoren aan te nemen tegenover hun Herder: geloof hechten aan Hem die hun leven is, vertrouwen op Hem die hen behoedt, en, omdat de Vader en de Zoon één zijn, Christus volgen om binnengeleid te worden in de goddelijke eenheid.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Mijn schapen luisteren naar mijn stem, Ik ken ze en zij volgen mij. Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven, niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven, en de Vader en Ik zijn één.’

Van Woord naar leven

Het is je zeker niet ontgaan dat paus Franciscus gisteren na zijn bezoek aan het vluchtelingenkamp Lesbos in Griekenland twaalf vluchtelingen (waaronder zes kinderen) mee genomen heeft naar Rome voor onderdak. De gemeenschap van Sant-Egidius zal verder voor hen zorgen. Twaalf mensen die land en goed hebben achtergelaten op zoek naar, en in de hoop op, een beter leven. Het zijn gekwetste schapen, op de vlucht voor de boze wolven, verlangend naar rust en onderdak. Een herder heeft hen opgepikt, en hen gebracht naar een schaapstal waar het goed is om te vertoeven. En dat is de Sant-Egidiusgemeenschap zeer zeker !

Lieve mensen, je kan vanuit het evangelie van vandaag, en het stukje dat we lazen uit de Openbaring van Johannes, grootse theologische redeneringen opbouwen, maar ik zou het heel eenvoudig willen houden, me inspirerend aan die nobele daad van de paus gisteren.

Zijn wij, u en ik, niet allemaal geroepen herder te zijn voor elkaar, net zoals Jezus dat was voor de gekwetste en verdwaalde schapen, net zoals de paus dat gisteren was voor die twaalf vluchtelingen, en net zoals zovele mensen leven in de liefde van God om anderen een vredevol bestaan te geven. Oh er zijn zovele goede herders de dag van vandaag. Gelukkig, want er zijn heden te dage ook zoveel verdwaalde en gekwetste schapen die ronddolen zonder te weten naar waar of hoe het te leven.

Diep vanbinnen zijn we misschien, en waarschijnlijk zelfs, ook voor een stuk dat verdwaalde schaap, die gekwetste ziel, die vanbinnen op de dool is, die het niet klaar speelt te vergeven, die zo moeilijk kan liefhebben, of er zelfs problemen mee heeft er gewoon ‘te zijn’ voor de ander. Het is een stil lijden waarmee vele mensen kampen. Het is ook een eenzaam lijden, want men ziet dat soort duisternis al snel als een soort persoonlijk falen en daar pakt een mens niet graag mee uit naar de buitenwereld, wat begrijpelijk is. Het is een kwetsure die ons doet botsen op ons onvermogen. We stuiten op grenzen van het eigen kunnen, grenzen van ons ik, en ze raken ons dieper dan we denken. We kunnen die pijn verdringen door allerlei zaken te gaan doen die ons in een soort waas houden. Maar wie eerlijk diep in zijn hart kijkt kent zijn kleinheid tot liefhebben. En wie dat onvermogen werkelijk toelaat, zal een dorst in zichzelf vaststellen om U tegen te zeggen.

En ja, schrijf die ‘U’ maar met grote letter. Want in die dorst is de Heer aanwezig met zijn overgrote liefde, namelijk zijn heilige Geest. Het is een dorst ons gegeven die een kracht in zich draagt ons met ons hele zijn te neigen naar de grote herder van ons leven: Jezus. Met andere woorden: het is niet goed met onze dorst te blijven zitten. Nee, we moeten de bron opzoeken om onze dorst te lessen. En die bron is Jezus, het levende water.

Het is goed naar Hem toe te gaan in gebed, in dagelijks volgehouden gebed, niet neerbuigend, maar waardig en dankbaar. Het is ook goed, naast het gebed, die mensen en dingen op te zoeken waarin Jezus aanwezig is, en tot ons komt. Onze huisgenoten, onze collega’s, situaties die we bewust kunnen opzoeken waarvan we goed weten dat ze ons hart diepe voldoening geven wanneer we erop ingaan. Zoveel werken van barmhartigheid (om het nu even zo te zeggen) wachten op helpende handen. Deze werken doen zal onze innerlijke dorst lessen, want we dienen God en medemens, en het haalt ons uit de duisternis van ons ikje naar het licht van Gods gemeenschap.

Sleutel van deze innerlijke uittocht is onze overgave aan Christus in ons. Vanuit onszelf kunnen we het zo moeilijk. Nee, Christus is, zoals Hij beloofd heeft, bij ons, om ons bij te staan, te dragen, te leiden, te behoeden.

Herder zijn voor elkaar, betekent misschien wel deze sleutel aanbieden aan ieder die dorst heeft. De wijze waarop we dit doen zal afhangen van de mensen waarmee we te maken hebben en de situaties waarin ze zich bevinden. Als het maar gebeurt in de liefde van God, biddend en hoopvol.

Werk aan Gods winkel.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer Jezus, Jezus, de goede herder
Lam van God en goede Herder, wanneer wij ons van U verwijderen, her-inner ons dan dat Gij voor ons gestorven zijt, plaats ons in de genade van uw verlossing, zoek ons op als een goede Herder, en vergeef ons, trek ons in uw verlossing, neem ons op – door Gods barmhartigheid – in uw liefde, en doe ons leven door U, met U, in U. Moge wij, samen met U, ook herder zijn voor elkaar; liefhebbend, troostend, helend, leidend. In uw genade. Amen.