Lezingen van de dag – zondag 17 december 2017


Heilige (of feest) van de dag

Wivina van Bijgaarden († 1170)

Wivina van Bijgaarden (ook van Brabant), België; kloosterzuster

Over haar is weinig met historische zekerheid bekend. We moeten te rade gaan bijlegendes.

Zij zou dan rond 1109 geboren zijn in de vooraanstaande familie Van Oisy en groeide uit tot een mooi en bevallig meisje. Dat was de reden waarom een jongeman, Richward, verliefd op haar werd en haar ten huwelijk vroeg. Maar zij had andere plannen. Zij wees hem er ten eerste op, hoe weinig hoffelijk hij zijn bedoelingen met haar onder woorden bracht; vervolgens maakte zij hem bekend, dat zij liever haar leven in dienst van God wilde stellen; en ze raadde hem aan hetzelfde te doen. Waarop hij inderdaad het leven van een kluizenaar ging leiden.

Men vertelt, dat zij rond het jaar 1120 haar ouderlijk huis ontvluchtte en zich tezamen met haar vriendin Emwara terugtrok als kluizenares op landgoed Bijgaarden bij Brussel. Na drie jaar kreeg zij het land van de eigenaar, Graaf Godfried I van Brabant ten geschenke. De onderneming groeide uit tot een klooster, dat de regel van Benedictus aannam en afhankelijk was van het nonnenklooster van Affligem, zuidoostelijk van Aalst. Wivina werd zelf de eerste abdis. Zij was uiterst consequent in haar gestrenge levenswijze. Ze at bijzonder weinig; wat ze at was vegetarisch; en ze onderhield allerhande verstervingen.

Eens zou zij op reis bij het licht van een kaars haar gebeden hebben gezegd met behulp van haar gebedenboek. Plotseling woei de kaars uit. Maar op wonderlijke wijze vatte hij vanzelf weer vlam.

Een andere keer zou de duivel een bezoek hebben gebracht aan haar klooster. Aan een zuster zou hij hebben toegegeven, dat hij nergens in de christenwereld zo’n moeilijk karwei had dan aan Wivina en haar gezellin, Emwara, die al evenzeer uitblonk in religieuze deugd. Wivina schijnt tenslotte te zijn overleden op 17 december van het jaar 1170.

Volgens sommigen is Emwara haar toen als abdis opgevolgd.

Na haar dood werd haar zaligheid – aldus een oude kroniek – geopenbaard aan een vrome vrouw, Theda genaamd. Deze Theda zag in een visioen een heerlijk rustbed staan in de hemel. Op haar vraag voor wie dat lekkere bed bestemd was, kreeg zij ten antwoord, dat het de rustplaats was van Wivina.

Wivina was al overleden en in de kerk bijgezet, toen bisschop Alardus van Kamerijk de kloosterkerk officieel kwam inwijden. Tijdens de processie gingen alle kaarsen plotseling vanzelf uit. Maar toen de processie langs het graf van Wivina trok, ontbrandde vanzelf de kaars die de priester Ingelbertus in zijn handen had.

Ook worden wonderen verhaald die op haar graf gebeurd zouden zijn. Ene Nastradus was zo kromgegroeid, dat hij zich alleen nog maar met behulp van een schabelletje kruipend kon voortbewegen. Maar bij een bezoek aan haar graf, stond hij op, liet zijn kruipplankje achter en trad in een klooster om zijn verdere leven te wijden aan dankbaarheid.
Ook werd een jonge vrouw, Hetelina, afkomstig uit Brussel, op Wivina’s graf genezen van een uitzinnige razernij die haar had aangegrepen op het moment van de bevruchting van haar eerste kind. Tenslotte wordt nog de genezing vermeld van een zekere Innia van Hungersvelt, die compleet was uitgeteerd door de vierdaagse koorts.

In 1796 werd haar gebeente overgebracht naar de Zavelkerk te Brussel. Zowel op die plaats als in de abdij van Bijgaarden, die nu Wivina-abdij heet, wordt zij nog altijd druk vereerd.
Haar voorspraak wordt ingeroepen tegen besmettelijke ziekten, hoofd- en keelpijn, koorts, oogkwalen, in het bijzonder bij kinderen; daarnaast tegen veeziekten met name bij paarden.

Zij wordt afgebeeld in kloosterhabijt; zij heeft een staf bij zich die erop duidt dat zij abdis is geweest. Tenslotte draagt zij een brandende kaars bij zich, die soms door een engel wordt ontstoken.

3e zondag in de advent – B


Uit de profeet Jesaja 61, 1-2a + 10-11

Midden de moeilijkheden om na de ballingschap Jeruzalem terug op te bouwen, kondigt een profeet Gods tussenkomst aan. Armen, nederigen en verdrukten zal Hij eerst helpen. Zij zijn er immers het meest ontvankelijk voor. Zo worden zij een volk, verrukt om al wat God hen geeft en vol vreugde als een bruid bij de komst van haar bruidegom.

De geest van God, de Heer, rust op mij, want de Heer heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, om aan verslagen harten hoop te bieden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan geketenden hun bevrijding, om een genadejaar van de Heer uit te roepen.
Ik vind grote vreugde in de Heer, mijn hele wezen jubelt om mijn God. Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan, hulde mij in de mantel van de gerechtigheid, zoals een bruidegom een kroon opzet, zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.
Want zoals de aarde haar gewassen voortbrengt, zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen, zo laat God, de Heer, gerechtigheid ontkiemen en glorie voor het oog van alle volken.

 

Lc.: 46-50 + 53-54

Refr.: Mijn ziel prijst en looft de Heer.

Mijn ziel prijst en looft de Heer,
mijn hart juicht om God, mijn redder.

Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen.

Ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan,
heilig is zijn Naam.

Barmhartig is Hij, van geslacht op geslacht,
voor al wie Hem vereert.

Wie honger heeft overlaadt Hij met gaven,
maar rijken stuurt Hij weg met lege handen.

Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar,
zoals Hij aan onze voorouders heeft beloofd.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Tessalonicenzen 5, 16-24

De komst van Christus mogen wij niet gelaten afwachten. Uitzien naar Hem moet in ons leven de vruchten van de Geest bewerken: vreugde, gebed en dankzegging. De Heer verwachten is nu reeds doen wat God van ons vraagt.

Broeders en zusters,
ees altijd verheugd, bid onophoudelijk, dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat Hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt.
Doof de Geest niet uit en veracht de profetieën niet die Hij u ingeeft.
Onderzoek alles, behoud het goede en vermijd elk kwaad, in welke vorm het zich ook voordoet.
Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus.
Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand.

 

Alleluia.

De Geest van de Heer
is over mij gekomen;
Hij heeft mij gezonden
om aan armen
de Blijde Boodschap te brengen.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 1, 6-8 + 19-28

Al wat het Oude Testament aan vraag en verwachting, hoop en spanning bevatte omtrent de messias, vindt zijn vervulling in Jezus. Dat toont ons Johannes. Hij kan zich nu terugtrekken. Het is nu aan de Wet, de profeten en de mensen van alle tijden om Hem te erkennen, die zich ophoudt midden onder ons.

Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht. Dit is het getuigenis van Johannes.
De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’
Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: ‘Ik ben niet de messias.’
Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent u Elia?’
Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’
‘Bent u de profeet?’
‘Nee, ‘antwoordde hij.
‘Maar wie bent u dan?’ vroegen ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wie zegt u zelf dat u bent?’
Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer, ”zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.’
De afgevaardigden die uit de kring van de Farizeeën kwamen, vroegen verder: ‘Waarom doopt u dan, als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?’
‘Ik doop met water’, antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u niet kent, Hij die na mij komt–ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.’
Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte.

Van Woord naar leven

Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes.

Een gezondene van God! In de oorspronkelijke taal zit in het woord ‘gezondene’ hetzelfde als in het woord ‘apostel’; een apostel is eigenlijk een ‘gezondene’. In onze taal zouden wij zeggen: een missionaris, in ‘missio’ zit het woord ‘zending’. Een missionaris is een zendeling, een gezondene. En als we vandaag in het Credo de Kerk belijden als een apostolische Kerk, dan is héél de Kerk een gezondene van God.
We zijn als mensen van de Kerk allemaal gezondenen, gezonden van Godswege. De Kerk is in de wereld van Godswege, zij is zendeling van God, geroepen door God naar de wereld toe.

Ieder van ons is dus een gezondene van God. Dat hoeven we niet telkens in ontmoetingen tot uitdrukking te brengen. We hoeven niet telkens de naam ‘Christus’ te vernoemen. Soms kan het, dikwijls niet. We moeten vooral van Jezus getuigen vanuit die diepte waar Hij ons bewoont. We moeten Jezus verkondigen vanuit die vrede, waar Paulus in diezelfde brief aan de Filippenzen (van vandaag) het over heeft, die vrede die niemand begrijpen kan, die alle begrip te boven gaat, die vrede die God in ons hart heeft gelegd. Vanuit die vrede, vanuit die verzoening, vanuit dat vertrouwen en vanuit die dankbaarheid met de mensen spreken, of zwijgen, zodat die vrede zelf getuige is van Jezus. Daartoe zijn wij geroepen, dag in dag uit, om in die vrede te laten zien dat ‘de Heer nabij is’. Hij is altijd en overal om ons heen. Hij is veel dichter bij dan wij bij elkaar zijn.

Laten we het licht tonen aan elkaar. Laten we licht zijn voor elkaar. Een licht dat verlicht, een licht dat de donkerte verdrijft. De Heer met ons, in ons, door ons.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
geef ons die warme levensstijl
die ons doet getuigen van uw vrede.
Maak ons alzo tot gemeenschap
met elkaar in U;
Gij, onze Broeder en Heer.
Amen.