Lezingen van de dag – zondag 17 juli 2016


Heilige (of feest) van de dag

Marina van Bithynië († 508)church-750248_640

Marina (ook Maria of Maremjana; alias Marinus) van Bithynië, Syrië; kloosterlinge

Volgens de legende zou haar moeder bij Marina’s geboorte gestorven zijn. De vader, Eugenius, vertrouwde het kind toe aan de familie en werd zelf monnik in een klooster. Maar na een aantal jaren werden zijn vadergevoelens zo sterk, dat hij er steeds slechter uit begon te zien. Vader abt vroeg hem wat er aan scheelde. Hij antwoordde dat hij zijn zoontje bij familie had achtergelaten en dat hij het kind zo miste. De abt opperde toen dat hij het kind hier in het klooster bij zich zou nemen. Vol vreugde haalde hij Marina op, knipte haar haren af, deed het jongenskleren aan en veranderde haar naam in Marinus.

Toen zij zeventien jaar was geworden stierf haar vader en Marinus zette onveranderd zijn levenswijze voort. Hij bleek zo’n toegewijde monnik dat vader abt hem ook taken buiten het klooster toevertrouwde. Omdat het klooster dichtbij een zeehaven lag, werd hij er vaak met de ossenwagen op uit gestuurd om inkopen te doen voor de kloostergemeenschap. Maar op een morgen lag er voor de kloosterpoort een pasgeboren baby met een kaartje eraan dat broeder Marinus er de vader van was. Marinus nam de schuld op zich en moest bij wijze van boetedoening buiten de poort in een schamele hut het kind opvoeden. Daar was hij blootgesteld aan de beschimpingen van de mensen binnen en buiten het klooster. Toen eindelijk de tijd van boete voorbij was, mocht broeder Marinus weer binnenkomen. Kort daarop stierf hij.

Bij het afleggen van het lijk ontdekte men de waarheid die nog eens bevestigd werd doordat de moeder van de baby kwam zeggen dat zij de broeder ontzaglijk onrecht had aangedaan, omdat zij hem vals had beschuldigd. Ieder stond versteld van de nederige heiligheid van deze markante vrouw.

Op 17 juli van het jaar 1230 werden haar relieken overgebracht van Constantinopel naar Venetië in 1230.

Bron: Heiligen.net

16e zondag door het jaar – Cbijbel


Uit heb boek Genesis 18, 1-10a

Deze lezing biedt ons een mooie bladzijde over gastvrijheid. Een spontane gastvrijheid waarbij iedereen zich haast en spoedt. Een gulle gastvrijheid met uitgelezen spijzen! In de drie vreemdelingen erkende Abraham zijn God. Hem is het die de aartsvader ontvangt. Daarom overlaadt de Heer Abraham zijn weldaden. Een zoon zal worden geboren uit de Vader der gelovigen  om zo Gods belofte te vereeuwigen.

In die dagen verscheen de Heer aan Abraham, bij de eiken van Mamre. Op het heetst van de dag zat Abraham in de ingang van zijn tent. Toen hij opkeek, zag hij even verderop plotseling drie mannen staan. Onmiddellijk snelde hij de tent uit, naar hen toe. Hij boog diep en zei: ‘Heer, wees toch zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan. Ik zal wat water voor u laten halen zodat u uw voeten kunt wassen, maak het u hier onder de boom intussen gemakkelijk. Ik zal u ook iets te eten brengen, zodat u weer op krachten kunt komen voordat u verdergaat. Daarvoor bent u immers bij uw dienaar langsgekomen?’ Zij antwoordden: ‘Wij nemen uw uitnodiging graag aan.’
Abraham haastte zich naar de tent, naar Sara. ‘Vlug,’ zei hij, ‘drie schepel fijn meel! Maak deeg en bak brood.’ Daarna snelde hij naar de kudde, zocht een mooi kalf uit dat er mals uitzag, en gaf dat aan een knecht, die het onmiddellijk klaarmaakte. Hij haalde boter en melk, nam het gebraden kalf en zette alles aan zijn gasten voor. Terwijl zij aten, bleef hij bij hen staan onder de boom.
‘Waar is Sara, uw vrouw?’ vroegen zij hem. ‘Daar, in de tent,’ antwoordde hij. Toen zei een van hen: ‘Ik kom over precies een jaar bij u terug en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben.’

 

Psalm 15

Refr.: Heer, wie mag te gast zijn in uw tent ?

Heer, wie mag gast zijn in uw tent,
wie mag wonen op uw heilige berg ?Drieeenheid_2
Wie de volmaakte weg gaat en doet wat goed is,
wie oprecht de waarheid spreekt.
Hij doet aan lasterpraat niet mee,
hij benadeelt een ander niet
en drijft niet de spot met zijn naaste.

Hij veracht wie geen achting waard is,
maar eert wie ontzag heeft voor de Heer.
Zijn eed breekt hij niet, al brengt het hem nadeel,
voor een lening vraagt hij geen rente,
hij verraadt geen onschuldigen voor geld.
Wie zo doet, komt nooit ten val.


Uit de brief van Paulus aan de Kolossenzen 1, 24-28

Paulus zit in de gevangenis en kan zijn apostolische activiteit niet uitoefenen. Hij voelt zich echter niet nutteloos. Hij verheugt er zich zelfs over de Kerk te verrijken en het mysterie van Christus te openbaren door deel te nemen aan het lijden van de Redder. De Kolossenzen hebben dit mysterie mogen ervaren. Hoewel zij heidenen waren, kregen zij toch toegang tot het heil.

Broeders en zusters,
ik ben blij dat ik nu voor u lijd en dat ik in mijn lichaam mag aanvullen wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt, ten behoeve van zijn lichaam, de kerk, waarvan ik de dienaar ben. Met het oog op u heeft God mij die dienende taak toevertrouwd, opdat zijn boodschap in al haar volheid verkondigd wordt: het mysterie dat in alle eeuwen en voor alle generaties verborgen is geweest, maar nu aan zijn heiligen onthuld is. Aan hen heeft God bekend willen maken hoe glorierijk dit mysterie is voor alle volken: Christus is in u, hij is uw hoop op goddelijke luister. Hem verkondigen wij wanneer we iedereen waarschuwen en in alle wijsheid onderrichten, om iedereen tot volmaaktheid in Christus te brengen.

 
Alleluia.Taize-candles-C-700x438
Moge de Vader van onze Heer Jezus Christus
ons innerlijk oog verlichten
om te zien hoe groot de hoop is
waartoe Hij ons roept.
Alleluia.

 
Uit het evangelie volgens Lucas 10, 38-42

Het evangelieverhaal over Marta en Maria stelt geen twee mogelijke roepingen tegenover elkaar, zelfs niet om ze daarna met elkaar te verzoenen. Het leert ons dat voor alles één zaak absoluut noodzakelijk is: de persoon van Jezus Christus gastvrij ontvangen, zijn woord aanhoren en het in zich opnemen; zich zonder voorbehoud openstellen voor Jezus’ mysterie.

Toen ze verder trokken ging Jezus een dorp in, waar hij gastvrij werd ontvangen door een vrouw die Marta heette. Haar zuster, Maria, ging aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Maar Marta werd helemaal in beslag genomen door de zorg voor haar gasten. Ze ging naar Jezus toe en zei: ‘Heer, kan het U niet schelen dat mijn zuster mij al het werk alleen laat doen? Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen.’ De Heer zei tegen haar: ‘Marta, Marta, je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk. Er is maar één ding noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, en dat zal haar niet worden ontnomen.’

Van Woord naar leven

De overweging van deze zondag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

God komt bij mensen op bezoek: Jahweh bij Abraham, Jezus bij Martha. Hij wordt er goed onthaald. En toch blijken we hier nog iets te kunnen leren, en wel over de kwaliteit van onze dienstbaarheid.

Want, op welke manier zijn wij eigenlijk gastvrij? Gastvrijheid kent immers verschillende niveaus. Om een bezoeker te laten aanvoelen dat hij thuis is omringen wij hem met allerlei attenties. Materiële attenties op de eerste plaats: wij zorgen voor rust, eten en drank. Maar dat is blijkbaar niet voldoende. Er moeten ook menselijke en geestelijke attenties bij komen: wij proberen tijdens het bezoek onze aandacht te concentreren op het verhaal en de ervaringen van de gast; hij mag zich in het centrum voelen; hij krijgt de ereplaats; hij wordt het eerst bediend. Maar wij kunnen nog verder gaan en onze gast beschouwen als was hij God zelf. Dat is de diepste, de gelovige visie op de gastvrijheid: het bezoek van een gast zien als een goddelijk geschenk voor ons.

Zowel Abraham als Martha zijn in de twee verhalen blijkbaar vooral druk in de weer om spijs en drank te laten aanrukken. Maar de aandacht van de Heer gaat verder dan naar die drukdoende gastheer of gastvrouw. Hij heeft oog voor die andere vrouw, die op de achtergrond blijft: Sarah in de eerste lezing, Maria in het evangelie. Zíj krijgen van de Heer een vreugdevolle melding: “Sarah zal een zoon krijgen” en “Maria heeft het beste deel verkozen”. Hieruit blijkt dat Jezus nog iets anders apprecieert dan drukdoende gastvrijheid. Hij releveert het stille en bescheiden luisteren naar Zijn woord, het aandachtig horen naar wat Hij ons door Zijn vriendschap en verbondenheid in de stilte wil zeggen en vragen.

In ons leven zullen beiden wel aanwezig zijn: Martha en Maria. Helpen en bidden, actie en contemplatie, het zijn twee onmisbare pijlers van ons christendom. Een christen kan niet leven zonder daadwerkelijk dienstbetoon, maar evenmin zonder regelmatig stil gebed. Maar blijkbaar is ook bij ons meer gevaar dat het gebed te vlug wordt verwaarloosd. En dat heeft zijn gevolgen voor de kwaliteit van onze dienstbaarheid.

Gelovige christenen kunnen namelijk zeer edelmoedig dienstbaar zijn, maar eigenlijk op een verkeerde manier. Zij kunnen met de beste bedoelingen veel hulp bieden, maar in feite, juist in het helpen, toch vooral zichzelf naar voren schuiven. Zo merken wij hoe in allerlei verenigingen en organisaties sommigen, die zich aanvankelijk nederig en grootmoedig ter beschikking stelden, weldra op hun strepen gaan staan, eisen gaan stellen en anderen verwijten gaan maken. “Moet ik het hier weer allemaal alleen doen?” Zij gaan zich onmisbaar wanen en zich voortdurend gedepasseerd voelen. Zo verglijdt hun dienstbaarheid tot tirannieke machtsdrang.

Ook in de kerkgemeenschap kennen wij dat. Wij zijn heel dankbaar voor de grote edelmoedigheid van allerlei vrijwilligers en vrijwilligsters in alle hoeken en kanten van de parochies en de gemeenschappen. Maar het evangelie van vandaag nodigt ons uit ook deze edelmoedigheid kritisch te durven bevragen. Onze hulpvaardigheid dient immers steeds opnieuw te worden uitgezuiverd van die zelfverheerlijking, die er telkens dreigt binnen te sluipen. Zoals dikwijls verschijnt het kwade ook hier soms onder de mom van het goede.

Om dit te vermijden is ons gebed onmisbaar. Want het gebed doordringt onze actie van zelfvergetenheid. Als onze dienstbaarheid echt wordt gevoed door gebed, dan concentreert dit de aandacht werkelijk op de anderen, niet op onszelf. Dan zuivert dit onze dienstbaarheid van zelfverheerlijking. Als een priester dus teveel de baas speelt in zijn kerk, dan mogen zijn gelovigen hem gerust vragen of hij nog wel bidt… op voorwaarde natuurlijk dat die gelovigen zelf eerst voldoende hebben gebeden.

In ieder van ons zit een gevaarlijke Martha, die onze meest edelmoedige dienstbaarheid dreigt om te buigen tot een eisende tirannie: “Zeg haar toch dat zij mij moet helpen!” Moge integendeel de Maria in ons hart groeien, zodat wij, bij al onze bezorgde hulpvaardigheid, vooral veel luisteren naar de Heer. Hij nodigt ons telkens weer uit tot een liefde, die onze eigen persoon zelfvergeten achteruit stelt zodat wij in dankbaarheid en bescheidenheid anderen werkelijk dienen. “Dankbare en zelfvergeten dienstbaarheid, slechts dát ene is nodig!”

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,prayer-space-992678_960_720
U willen wij kiezen als het zogenaamde beste deel: luisterend naar uw woord, drinkend van uw liefde, ons wentelend in uw vrede. Moge wij vanuit deze innige eenheid uitdragers zijn van U, anderen brengend tot bij U, anderen zin doen krijgend in de liefde. Kom heilige Geest. Amen.