Lezingen van de dag – zondag 18 juni 2017


Heilige (of feest) van de dag

Potentius van Steinfeld († 389)

Potentinus van Steinfeld, Duitsland; pelgrim met zijn beide zoons Felicius & Simplicius

Wat er over Potentinus bekend is, stamt uit een legende van de 9e eeuw. Hij zou afkomstig zijn uit de Franse landstreek Aquitanië, voortgekomen uit een adellijk geslacht. Op pelgrimstocht met zijn beide zoons Felicius en Simplicius ging hij langs bij zijn landgenoot bisschop Maximinus van Trier. Op diens voorstel gingen ze naar Karden aan de Moezel. Daar voegden zij zich bij de levensgemeenschap die rond de heilige priester Castor († ca 400; feest 13 februari) was ontstaan, en leidden tot hun dood een heilig en godgewijd leven als kluizenaars.

11e zondag door het jaar – A


Uit het boek Exodus 19, 2-6a

Door bemiddeling van Mozes vertrouwt de God van het Verbond aan zijn volk een zending toe voor alle naties. Zij zullen getuigen van de goddelijke heiligheid, die eens moet stralen over heel de wereld.

De Israëlieten waren vanuit Refidim verder getrokken en in de Sinaiwoestijn gekomen. Daar sloegen de ze hun kamp op, vlak bij de berg.
Mozes ging de berg op, naar God.
De Heer riep hem vanaf de berg toe: ‘Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: “Jullie hebben gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe Ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken; want de hele aarde behoort mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.”‘

 

Psalm 100, 1 + 2 + 3 + 5

Refr.: Wij zijn Gods kudde, zijn volk.

Juich de Heer toe, heel de aarde,
dien de Heer met vreugde,
kom tot Hem met jubelzang.

Erken het: de Heer is God,
Hij heeft ons gemaakt, Hem behoren wij toe,
zijn volk zijn wij, de kudde die Hij weidt.

De Heer is goed,
zijn liefde duurt eeuwig,
zijn trouw van geslacht op geslacht.

 

Uit de brief van Paulus aan de Romeinen 5, 6-11

In Christus’ dood vinden wij het bewijs van Gods oneindige liefde en de bron van onze verzoening met Hem. In zijn verrijzenis hebben wij de belofte en het onderpand van het eeuwig leven.

Broeders en zusters,
toen wij nog hulpeloos waren is Christus voor ons, die op dat moment nog schuldig waren, gestorven.
Er is bijna niemand die voor een rechtvaardig mens wil sterven; slechts een enkeling durft voor een goed mens zijn leven te geven.
Maar God bewees ons zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.
Des te zekerder is het dus dat wij, nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij Hem zullen worden gered en niet veroordeeld.
Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met Hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met Hem zijn verzoend, worden gered door diens leven.
En meer nog, dat wij God prijzen danken we aan onze Heer Jezus Christus, door wie we nu al met God zijn verzoend.

 

Alleluia.

Uw woord is waarheid, Heer,
wijd ons toe in uw waarheid.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 9, 36 – 10, 8

De zending die aan de leerlingen is toevertrouwd, vloeit voort uit Jezus’ medelijden met de verlaten menigte. Is die zending aanvankelijk nog beperkt tot Israël alleen, zij zal zich, onder stuwing van de Geest van de Verrezene, weldra uitbreiden tot alle volkeren.

Toen Jezus de mensenmenigte zag, voelde Hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder.
Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraag dus de eigenaar van de oogst of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.’
Daarop riep hij zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen.
Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, en ten slotte Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die Hem zou uitleveren.
Deze twaalf zond Jezus uit, en Hij gaf hun de volgende instructies: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in en bezoek geen Samaritaanse stad. Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël. Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven!’

Van Woord naar leven

Jezus voelde medelijden met de mensenmenigte, ‘omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder’.

Ik denk dat we in het leven allemaal een beetje schaap zijn. Want ook wij zijn soms uitgeput, hulpeloos, in twijfel, … donkerte en droogte alom. Het overkomt ons allemaal, zowel op gelovig vlak alsook op andere terreinen van het leven. En je moet maar geluk hebben een goede herder te ontmoeten die je weer wat licht kan geven, sterkte, liefde, heling.

Jezus roept vandaag zijn leerlingen op herder te zijn voor de medemens. Hij roept ze op, Hij zendt ze uit. Ze moeten het kwade uitdrijven, mensen genezen, Gods liefde verkondigen.

Die liefdevolle verantwoordelijkheid voor elkaar … Op vele plaatsen is ze aanwezig, heel wat gezinnen en gemeenschappen zijn er door getekend, in tal van parochies gebeuren wonderlijke dingen op dat vlak, dikwijls zonder al te veel bla bla maar nederig en oprecht. God zij dank.
Anderzijds zijn er de dag van vandaag ook zoveel schapen die lijden onder eenzaamheid, verveling, gewetenswroeging, depressie, of welke pijn ook. Heel veel mensen komen ‘hun herder’ niet tegen, en dreigen weg te zinken in hun moeras van duisternis en verlatenheid.

Als christenen, lieve mensen, zou het een evidentie moeten zijn oog en hart te hebben voor al die schapen rondom ons die er uitgeput bijliggen. Als we het evangelie liefhebben, wat we toch beweren, zouden we ons van binnenuit gestuwd moeten weten naar de medemens, bijzonder naar hem die aan de kant van het leven zit als een bedelaar naar liefde en bevrijding.

Laat ons, ieder naar zijn mogelijkheden, actieve christenen zijn; christenen die niet enkel tevreden zijn met het gelukzalig gevoel dat men ontvangt bij het nuttigen van de Heer in de communie, maar christenen die, vanuit de eucharistie, vreugde en vrede ervaren door de dorstige medemens nabij te zijn, hem liefde en warmte gevend, biddend en dankend omdat God doorheen de liefde de mensheid tot gemeenschap maakt; gemeenschap met elkaar, in Hem.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
geef dat wij herder zijn voor elkaar; elkaar liefhebbend en koesterend. Kom met uw Geest over ieder van ons en wek in ons het vuur om van uw goedheid te getuigen door haar te dragen en te baren. Gij in ons, met ons, door ons.
Amen.