Lezingen van de dag – zondag 18 okt. 2015


Heilige (of feest) van de dag

Lucas, evangelist (+ 1e eeuw)dsc_1686-1

Lukas (ook Lucas) Evangelist (ook van Achaia), Boëthië, Griekenland; † 1e eeuw

Persoonsgegevens
Lukas is de naam die van oudsher wordt gegeven aan de schrijver van het derde evangelie. Blijkens de eerste zin is het opgedragen aan een zekere Theófilus. Omdat het boek van de Handelingen der Apostelen is opgedragen aan diezelfde Theófilus, wordt Lukas ook beschouwd als de schrijver van dat bijbelboek.

Over Lukas zelf is weinig bekend. Volgens de overlevering was hij afkomstig uit de Syrische stad Antiochië, waarschijnlijk van heidense afkomst. Dat baseert men niet alleen op het feit dat zijn evangelie bestemd was voor Jezus’ leerlingen die van niet-joodse afkomst waren, maar ook op het feit dat Paulus hem uitdrukkelijk niet noemt als een leerling uit de besnedenen. Men neemt aan dat hij de Lukas was die in het gezelschap van Paulus meereisde. De grote apostel noemt hem in zijn brieven drie keer. Hij houdt Paulus gezelschap tijdens diens eerste gevangenschap: “U groet Epafras, mijn medegevangene in Christus, alsmede Markus, Aristarchus, Demas en Lukas, allen medewerkers van mij” (Filemon 24). In zijn brief aan de christengemeente te Kolosse noemt Paulus hem weer, nu alleen met Demas: “U groet mijn vriend Lukas, de arts, en Demas” (Kolossenzen 04,14). Zou hij ook Paulus’ lijfarts geweest zijn? Ook als de grote apostel in Rome gevangen zit, is Lukas in zijn buurt te vinden: “Demas heeft mij in de steek gelaten. [-] Alleen Lukas is bij me” (2 Timotheus 04,10.11).

Dat Lukas een trouwe metgezel was, wordt nog eens versterkt door het feit dat sommige stukken in de Handelingen, waarin Paulus een hoofdrol vertolkt, in de wij-vorm geschreven zijn. Alsof Lukas er zelf bij was.

Latere tradities veronderstellen, dat hij behoorde tot de (twee-en)zeventig leerlingen die Jezus voor zich uit zond naar alle plaatsen waarheen Hij zelf dacht te gaan (Lukas 10,01). Gezien zijn Griekse naam, menen anderen dat hij een van de Grieken was die zich tot Filippus wendden met de vraag om Jezus te spreken te krijgen (Johannes 12,20-22). Weer anderen nemen aan dat hij naast Kleopas de tweede Emmausganger was, die op de avond van de eerste dag van de week ontgoocheld naar huis terugwandelde en onderweg gezelschap kreeg van de verrezen Heer zelf, zonder dat ze het in de gaten hadden. Ze herkenden Hem pas bij het breken van het brood, en dát, terwijl hun hart onderweg brandde bij de uitleg van de schriften die Hij hun had gegeven (Lukas 24,13-35). Deze veronderstelling wordt gevoed door de omstandigheid dat Lukas de enige evangelist is, die dit verhaal vertelt; bovendien noemt hij wel de naam van de ene leerling, Kleofas, maar niet die van de andere. Zou hij dat dus zelf geweest kunnen zijn? Daar staat tegenover dat Lukas uitdrukkelijk aan het begin van zijn evangelie zegt dat hij naspeuringen moest verrichten om de gebeurtenissen rond Jezus te achterhalen. Daaruit kan men de conclusie trekken, dat hij ze niet persoonlijk heeft meegemaakt.

Historisch gesproken echter is er over de evangelist verder niets met zekerheid bekend. Na Paulus’ marteldood in Rome zou hij het evangelie hebben verkondigd in Italië, Dalmatië (= het huidige Joego-Slavië) en Macedonië. Op zijn oude dag trok hij nog naar Noord-Afrika, waar hij in Lybië en Zuid-Egypte christengemeenten visiteerde. Uiteindelijk keerde hij terug naar Boëthië, een Griekse landstreek ten noord-westen van Athene. Daar zou hij tenslotte zijn beide boeken, het Evangelie en de Handelingen, hebben geschreven op bestelling van Theofilus, de gouverneur van de Griekse landstreek Achaia.

Karakteristieke teksten bij Lukas
Hij is de evangelist, die schrijft over de engel die aan Maria Jezus’ geboorte komt aankondigen (01,26-38). Hij heeft ons het ‘Magnificat’ overgeleverd, Maria’s dankhymne: ‘Mijn ziel prijst hoog de Heer’, waarin zij zingt: “Arme en kleine mensen maakt Hij groot!” (01,46-56). Bij hem lezen we over de geboorte van Johannes de Doper bij Maria’s bejaarde nicht Elisabeth (01,05-25.57-80). Het is Lukas die ons vertelt over de volkstelling en dat Maria vlak voor Jezus’ geboorte op reis moest; dat er voor haar geen plaats was in de herberg, en dat het kind dus in een kribbe werd geboren; herders uit de omgeving komen het aanbidden (02,01-21). Via hem weten we over de 12-jarige Jezus die ongemerkt in de tempel achterblijft om met de schriftgeleerden de debatteren; zij staan versteld van zijn wijsheid. Zijn ouders vonden Hem pas na drie dagen terug. Op de bezorgde vraag van zijn moeder waarom Hij hun dat had aangedaan, antwoordde Hij: “Wist u dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?” (Lukas 02,41-52).

Lukas’ evangelie toont ons een biddende Jezus, die heel veel hart heeft voor armen en verschoppelingen. Hij kent Jezus’ verhalen over de Barmhartige Samaritaan (10,25-37), de Verloren Zoon (15,11-32), de arme Lazarus en de rijke vrek (16,19-31) en de farizeeër en de tollenaar die beiden opgaan naar de tempel om te bidden (18,09-14)). Hij vertelt over Jezus’ opmerkelijke bezoek bij Marta en Maria (10,38-42), de tollenaar Zacheus (19,01-10), de genezing van het kromgegroeide vrouwtje (13,10-17), de nieuwsberichten over de ingestorte toren en de moord van Pilatus’ soldaten op offeraars in de tempel (13,01-05). Hij heeft opgetekend hoe Jezus, stervend aan het kruis, om vergeving bad voor zijn geweldenaars (23,34), en hoe hij de goede moordenaar de toegang tot het paradijs toezegde (23,43). Aan hem hebben we het prachtige verhaal van de Emmausgangers te danken (24,13-35). In zijn Handelingen heeft hij ons het verhaal nagelaten van Jezus’ hemelvaart (06,01-11) en van de nederdaling van de Heilige Geest op zijn leerlingen met Pinksteren (02,01-12).

Zijn geneeskundige achtergrond horen we uit de bijzonderheid dat Jezus aan het hoofdeinde van het bed van Petrus’ zieke schoonmoeder gaat staan (04,39): dat is veel nabijer dan aan het voeteneinde. Lukas merkt met nadruk op dat Jezus bij al de zieken die naar Hem toe werden gebracht, één voor één de handen oplegde (04,40). We horen hoe de Barmhartige Samaritaan wijn en olie op de wonden van het slachtoffer giet (10,34). Wanneer Jezus preekt in zijn vaderstad, gebruikt Hij het spreekwoord: “Geneesheer, genees uzelf” (04,23). Wordt Jezus aangevallen op zijn omgang met zondaars en verkeerde mensen, dan antwoordt Hij: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken” (05,31).

Lukas’ dood
Hij zou op 84-jarige leeftijd gestorven zijn in een onbekende plaats in Boëthië. Over de omstandigheden waaronder hij gestorven is, doen verschillende lezingen de ronde. Zo zou hij één van de weinige christenen zijn uit de begintijd die niet door een marteldood aan zijn eind is gekomen. Maar in de oosterse kerk weet men te vertellen, dat hij wel degelijk door toedoen van afgodenvereerders de marteldood gestorven is. Zij zouden hem aan een olijfboom hebben opgehangen in de stad Thebe, Boëthië.

Verering & Cultuur
In het jaar 357 bracht keizer Constantius († 361), de zoon van de heilige keizer Constanijn († 337; feest 21 mei), zijn relieken over naar Constantinopel. In de 5e eeuw kwamen er naar Orthosias bij Arca. Tijdens de veroveringstochten van de westerse christenen in het oosten werd zijn stoffelijk overschot in Constantinopel buitgemaakt en overgebracht naar de Santa-Giustinakerk in de Italiaanse stad Padua. Ook Rome (het Vaticaan, de Sint-Pieter en de kerk van Sint Martinus) en Venetië (1464, San Giobbe) beroemen zich erop relieken van Lukas binnen de muren te hebben.

Lukas als schilder
Sinds de zesde eeuw heeft de overtuiging postgevat, dat Lukas ook schilder was. Zo zou hij portreticonen hebben vervaardigd van de apostelen Petrus en Paulus. Bovendien staan er drie iconen van de Moeder Gods op zijn naam. Dat verklaart meteen waarom Lukas zo veel weet van de omstandigheden waaronder Jezus geboren is en opgroeide: hij heeft het uit Maria’s eigen mond gehoord, terwijl zij voor hem poseerde. Dat tafereel is dan ook vooral in de middeleeuwse kunst vaak afgebeeld. Daarnaast wordt hij vaak schrijvend afgebeeld, meestal vergezeld van zijn evangelistensymbool: het rund of de os.

Een van zijn vermeende Mariaportretten wordt vereerd in de Santa-Maria-Maggiore te Rome. Daarnaast wordt hij ook beschouwd als de maker van het in feite 12de-eeuwse beeld van de Zwarte Madonna (La Moreneta, La Morena de la Serra) in de benedictijnenabdij van Montserrat (bij Barcelona).

29e ZONDAG DOOR HET JAAR – B


Uit de profeet Jesaja 53, 10-11

De ‘lijdende dienaar van de Heer’ werd door God geroepen om de lasten van de anderen te helpen dragen. Wanneer deze ‘rechtvaardige’ bij het uitvoeren van zijn opdracht moet afrekenen met tegenkanting en persoonlijk lijden, opent God een perspectief, zodat de diepere zin van de ogenschijnlijke mislukking voor hem verduidelijkt wordt.

De Heer wilde zijn dienaar breken, Hij maakte hem ziek. Hij offerde zijn leven voor hun schuld, om zijn nageslacht te zien en lang te leven. En door zijn toedoen slaagde wat de Heer wilde. Na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij het licht en werd met kennis verzadigd.
Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht, hij neemt hun wandaden op zich.

 

Psalm 33, 4-5 + 18-19 + 20 + 22

Refr.: Heer, op U is al onze hoop gevestigd.

Oprecht is het woord van de Heer, Drieeenheid_2
alles wat Hij doet is betrouwbaar.
Hij heeft recht en gerechtigheid lief,
van de trouw van de Heer is de aarde vervuld.

Het oog van de Heer rust op wie Hem vrezen
en hopen op zijn trouw:
Hij zal hen redden in doodsgevaar,
bij hongersnood zal Hij hun leven sparen.

Wij verwachten vol verlangen de Heer,
Hij is onze hulp en ons schild.
Schenk ons uw trouw, Heer,
op U is al onze hoop gevestigd.

 

Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 4, 14-16

In tegenstelling tot de hogepriester van de tempel te Jeruzalem, is Jezus, Zoon van God, van eeuwigheid onze enige en volmaakte Hogepriester. Hij heeft alle beproevingen van ons bestaan gedeeld. Daarom is Hij als eerste het Heilige der heilige bij de Vader binnengegaan, waar Hij ook ons zal binnenleiden.

Broeders en zusters,
nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden. Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat Hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat Hij niet vervallen is tot zonde.
Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.

 

Alleluia.jesus-washing-the-feet-calvin-carter

Wie de eerste wil zijn,
zal ieders dienaar moeten zijn,
zegt de Heer.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 10, 35-45

De leerlingen zijn niet groter dan hun Meester. Om te tronen in heerlijkheid moeten zij ondergedompeld worden in het water der beproeving. En zelfs dan kunnen ze geen aanspraak maken op enige beloning. De Kerk streeft slechts één grootheid na: het dienstbetoon. Haar enige vreugde is het voorbeeld na te volgen van Christus die zijn leven heeft gegeven als losprijs voor velen.

Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen bij Jezus en zeiden: ‘Meester, we willen dat U voor ons doet wat we U vragen.’
Hij vroeg hun: ‘Wat willen jullie dan dat Ik voor je doe?’
Ze zeiden: ‘Wanneer U heerst in uw glorie, laat een van ons dan rechts van U zitten en de ander links.’
Maar Jezus zei tegen hen: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die Ik moet drinken of de doop ondergaan die Ik moet ondergaan?’
‘Ja, dat kunnen wij,’ antwoordden ze.
Toen zei Jezus tegen hen: ‘Jullie zullen de beker drinken die Ik zal drinken en de doop ondergaan die Ik zal ondergaan, maar wie er rechts of links van mij zal zitten, kan Ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie ze zijn bestemd.’
Toen de andere leerlingen hiervan hoorden, werden ze woedend op Jakobus en Johannes.
Jezus riep hen bij zich en zei tegen hen: ‘Jullie weten dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken. Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

Van Woord naar leven

De overweging van deze zondag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

Er leeft een zoon van Zebedeüs in ieder van ons. Wij herkennen dat verlangen van ons hart om gewaardeerd te worden, belangrijk te zijn, op de eerste plaats te geraken. En eigenlijk is dat niet verkeerd. Een gezonde ambitie behoort tot de normale structuur van de menselijke persoonlijkheid. Het is heel goed dat iemand, die talenten en capaciteiten heeft, een animerende en leidende rol speelt. Daardoor juist komt er zoveel energie vrij, kan er zoveel gerealiseerd worden. Jezus wijst de verantwoordelijke posities niet af. Maar Hij geeft ze een heel andere functie, een ander doel en een andere inhoud.

In onze wereld luidt de wet: hoe hoger de positie, hoe meer men kan laten doen door de anderen. De macht wordt er heel dikwijls nagestreefd om eigen voordeel te verwerven, om anderen klein te houden door hen te dwingen tot lasten die hen verpletteren.
In het Rijk Gods bestaat een andere soort macht. Daar geldt de omgekeerde wet: “Wie groot wil worden, moet dienaar en knecht zijn”. Dit is een machtsuitoefening waarbij men geduldig-uitnodigend zich inzet voor het welzijn van het geheel en daarbij anderen toelaat te groeien en zichzelf te worden.
Macht in de wereld betekent: overheersing van anderen. Macht in het Rijk Gods betekent: dienstbaarheid, zichzelf vergeten en anderen groter maken. In het Rijk van de Liefde vallen er geen erezetels te verkrijgen, maar is er een kelk te drinken en een doop te ondergaan. Dat betekent: deelnemen aan Jezus’ weg van dienstbaarheid doorheen het lijden naar de verheerlijking. De christenen kunnen en zullen dus vooraanstaande posities innemen, maar dan alleen met een mentaliteit van dienstbetoon. Macht niet ten koste, maar ten dienste van de anderen.

De uitnodiging van Jezus gaat eigenlijk heel ver. “Slaaf” zijn van allen. Wat is het verschil tussen een “dienaar” en een “slaaf”? Een dienaar kan nog van meester veranderen als hij dat wil. Een slaaf kan niet kiezen wie hij wil dienen. Door het woord “slaaf” te gebruiken vraagt de Heer dat wij bij onze dienstbaarheid zo ver zouden gaan, dat wij niet zelf zouden kiezen wie wij willen dienen, maar ons ten dienste zouden stellen van eender wie het nodig heeft. Een dienstbaarheid dus, zoals die van de barmhartige Samaritaan, tegenover de toevallige behoeftige op onze weg. Concreet, zullen de kansarmen daar ook wel bij zijn.

De meeste kansarmen wonen nog altijd voor een groot deel in de Derde Wereld. Missionarissen en ontwikkelingshelpers beantwoorden die verregaande dienstbaarheid jegens hen in onze plaats. Ook nu nog.

Een missionaris schrijft: “In Congo is op vele plaatsen het enige dat nog “werkt” de missiepost. Paters en zusters leveren er zeer verdienstelijk werk. Zij sleuren medicamenten, schoolboeken, dekens, en kleren aan. Zij betalen de kantonniers, die de weg onderhouden. Zij zorgen ervoor dat de waterpomp blijft werken, zodat iedereen water heeft, dat in de dispensaria zieken worden verzorgd, dat er onderwijzers naar de dorpen komen en er blijven, ofschoon de hoofdstad lonkt en lokt. Zij fokken kippen, duiven, konijnen. Zij proberen een groentetuin aan te leggen. Zij maken dat in hun winkeltjes zout, zeep en petroleum voorhanden is. Zij lezen de mis, verzorgen de liturgie, vormen catechisten en geven de volksreligie een evangelische duiding. Die paters en zusters zorgen voor alles en voor iedereen, maar je ziet ze bijna niet. In onze tijd is er helemaal geen gevaar dat zij de westerse cultuur aan de landelijke bevolking opdringen. Het is integendeel een verregaande bescheiden dienstbaarheid.”

Daarbij vraagt men zich af: Wat zou toch hun diepste motivatie kunnen zijn voor dit soort leven? Het antwoord hiervoor vinden wij in Jezus’ evangelie van vandaag: de kansarmen dienen.

Er gebeurde een evolutie in de missiewerking. Het pionierswerk van missionarissen heeft in vele streken reeds merkwaardige vruchten afgeleverd. In India en Afrika bestaan Jonge Kerken met landeigen priesters en zusters. Zij blijven echter onze hulp nodig hebben. Zeker nu.

Moge deze Missiezondag een zondag worden van wereldwijde solidariteit tussen onze rijkere Kerken en de jongere Kerken in de Derde Wereld, tussen christenen die niet willen leven ten koste, maar ten dienste van de anderen.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,zz - Pinksteren 8
geef dat wij ons leven U, en enkel U, zouden dienen. Geef dat onze dienst aan U enkel uit liefde zou bestaan, belangloos, toegewijd en steeds naar de ander gericht. Geef dat onze liefde het cement mag zijn van onze samenleving: opbouwend, sterkmakend, gemeenschap scheppend. Kom met uw heilige Geest over ieder van ons, schenk ons een eenvoudig, blij en warm hart, maak ons fris en welgezind om verenigd met uw Zoon te bouwen aan uw Rijk op aarde. Kom heilige Geest, amen.