Lezingen van de dag – zondag 18 september 2016


Heilige (of feest) van de dag

Philippine Duchesne († 1852)st-rose-duchesne

Saint-Charles, Missouri (Noord-Amerika); kloosterlinge & missionaris

Zij werd op 29 augustus 1769 geboren te Grenoble, een stad tegen de Alpen in het oosten van Frankrijk. Haar vader was advocaat. Hij bracht zijn dochter groot in een antikerkelijke, maar verdraagzame sfeer. Op 16-jarige leeftijd trad zij in bij de Zusters Visitandinnen. Maar deze Congregatie raakte verstrooid tijdens de Franse Revolutie, zodat zij vanaf 1791 religieus gesproken dakloos was.

In 1804 trad zij te Parijs toe tot de nieuwe stichting van Sint Madeleine-Sophie Barat († 1865; feest 25 mei). In haar geestelijk leven was zij mystiek begenadigd. Zijzelf schrijft dat zij overstelpt werd met geestelijke vreugden.
In 1818 maakte zij de oversteek naar Noord-Amerika en stichtte in Saint-Charles een vestiging van het Instituut van het Heilig-Hart. Dat eerste huis was niet meer dan een houten blokhut. Ze had er te kampen met alle moeilijkheden die bij zo’n pioniersbestaan horen: de bittere kou, geldgebrek en keihard werken. Bovendien had ze als Française buitengewoon veel moeite met de Engelse taal. Met haar vier medezusters wist ze echter stand te houden, en in 1820 opende zij het eerste schooltje dat gratis toegankelijk was voor de immigranten die zich ter plaatse hadden gevestigd.
In 1828 zijn het er al zes. Diep in haar hart echter verlangde ze ernaar om temidden van de inlandse Indianen te kunnen werken. Maar daar leek ze toch te oud voor geworden. Ze was 72, toen ze van alle verantwoordelijkheden ontslagen werd. Intussen was er een schooltje geopend temidden van de Potawatomi-indianen te Sugar-Creek in de staat Kansas. Het was de jezuïetendirecteur die uitdrukkelijk om haar komst vroeg: “Wat doet het ertoe dat ze al oud is? Ze zal ons tot grote steun zijn met haar ervaring, levenswijsheid, moed en ondernemingsgeest, en niet te vergeten door haar gebed.”
Het zou haar slechts één jaar vergund zijn temidden van de indianen door te brengen. Maar die tijd was genoeg om van hen de vererende bijnaam te ontvangen ‘de eeuwig biddende vrouw’. Om gezondheidsredenen moest ze in juli 1842 terug naar Saint-Charles. Op haar sterfbed verzuchtte ze:
“Zelfs nu nog brandt in mijn hart hetzelfde verlangen om naar de missie in de Rocky Mountains te vertrekken, als destijds in Frankrijk toen ik ernaar verlangde om hier naar Amerika te komen.”
Ze stierf er op 18 november 1852, 83 jaar oud.

In 1952, honderd jaar na haar dood, leven er meer dan duizend zusters van het Heilig-Hart in de Verenigde Staten van Amerika, die 8 colleges, 28 pensionaten en een veelvoud aan lagere scholen leiden. Daarnaast zijn er nog meer dan 6000 werkzaam in 30 andere landen.

Philippine werd heilig verklaard in 1988.

25e zondag door het jaar – Cbijbel


Uit de profeet Amos 8, 4-7

Geld is zulk een tiran en het gebruik ervan is zulk een toetssteen voor de echtheid van het hart, dat de profeten er altijd een van de voornaamste domeinen in zagen, waar de ware godsdienst getest wordt. Wie de arme uitsluit, kan God niet dienen.

Jullie die de armen kwaad willen berokkenen en uit zijn op de ondergang van de machtelozen van dit land, luister!
Jullie zeggen: ‘Wanneer is de dag van de nieuwemaan voorbij, zodat we weer koren kunnen verkopen? Wanneer de sabbat, zodat we weer graan kunnen verhandelen?’ Jullie maken de efa kleiner, jullie maken de sjekel zwaarder en jullie knoeien met de weegschaal. Jullie kopen de zwakken voor een handvol zilver, de armen voor een paar sandalen, en jullie zeggen: ‘Ook het kaf verkopen we als graan!’
Nooit – en dit zweert de Heer op wie Jakobs volk zich laat voorstaan – zal Ik een van jullie daden vergeten.

 

Psalm 113, 1-2 + 4 + 5 + 7 + 8

Refr.: Verheerlijk de Heer, die de armen opheft.

Loof, dienaars van de Heer,
loof de Naam van de Heer. Drieeenheid_2

De Naam van de Heer zij geprezen,
van nu tot in eeuwigheid.

Verheven boven alle volken is de Heer,
verheven boven de hemel zijn luister.

Wie is gelijk aan de Heer, onze God,
die hoog daar boven zijn woning heeft ?

Hij verheft uit het stof wie berooid is,
uit het vuil tilt Hij op wie alles ontbeert.

Hij laat hem wonen bij hooggeplaatsten,
bij de hoogsten van zijn volk.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan Timoteüs  2, 1-8

Ten beste spreken en danken is een plicht voor ieder christen. Hij zal veel bidden voor alle mensen, speciaal voor hen die zware verantwoordelijkheid dragen, om allerlei goede dingen te bekomen, maar bijzonder voor de vrede. Deze voorbede krijgt zijn betekenis en werkdadigheid in Christus, middelaar en redder van allen.

Dierbare,
allereerst vraag ik dat er voor alle mensen gebeden wordt, dat er smeekbeden, voorbeden en dankgebeden voor hen worden uitgesproken. Bid voor alle koningen en gezagsdragers, opdat we rustig en ongestoord kunnen leven, in alle vroomheid en waardigheid. Dat is goed en welgevallig in de ogen van God, onze redder, die wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen.
Want er is maar één God, en maar één bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen, als het getuigenis voor de vastgestelde tijd.
Om dit te verkondigen ben ik als apostel aangesteld. Ik spreek de waarheid, ik lieg niet – ik ben aangesteld als leraar voor de heidenen om hun het geloof en de waarheid te onderwijzen.
Ik wil dat bij iedere samenkomst de mannen met geheven handen bidden, vol toewijding, zonder wrok of onenigheid.

 

Alleluia.burning-candles
Spreek, Heer, uw dienaar luistert.
Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.
Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 16, 1-13

Wanneer het heil wordt aangereikt, moeten wij alles doen om het te verwerven, met evenveel doorzicht en handigheid als een rentmeester zich uit de slag trekt en zijn toekomst veilig stelt. Wat het geld betreft, is de beste belegging het uitdelen aan de armen. Wij moeten onze meester weten te kiezen, God dienen en ons niet slaaf maken van het geld.

Jezus richtte zich tot zijn leerlingen:
‘Er was eens een rijke man die een rentmeester had en te horen kreeg dat de rentmeester zijn eigendommen verkwistte. De rijke man riep de rentmeester bij zich en zei tegen hem: “Wat hoor ik over jou? Leg verantwoording af van je beheer, want je kunt niet langer rentmeester blijven.” Toen zei de rentmeester bij zichzelf: Wat moet ik doen nu mijn heer mij het beheer afneemt? Werken op het land kan ik niet, en voor bedelen schaam ik me. Maar ik weet al wat ik moet doen om ervoor te zorgen dat de mensen, wanneer ik van mijn beheerderstaak ben ontheven, mij bij hen thuis ontvangen. Een voor een riep hij de schuldenaars van zijn heer bij zich. De eerste vroeg hij: “Hoeveel bent u mijn heer schuldig?” “Honderd vaten olijfolie”, antwoordde de schuldenaar. De rentmeester zei tegen hem: “Hier is uw schuldbewijs, ga zitten en maak er gauw vijftig van.” Daarna vroeg hij aan de volgende schuldenaar: “En u, hoeveel bent u schuldig?” “Honderd balen graan”, luidde het antwoord. De rentmeester zei: “Hier is uw schuldbewijs, maak er tachtig van.” En de heer prees de oneerlijke rentmeester omdat hij slim had gehandeld. De kinderen van deze wereld gaan immers slimmer met elkaar om dan de kinderen van het licht.
Ook Ik zeg jullie: maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen wanneer de mammon er niet meer is.
Wie betrouwbaar is in het geringste, is ook betrouwbaar als het om veel gaat, en wie oneerlijk is in het geringste is ook oneerlijk als het om veel gaat. Als jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon, wie zal jullie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt? Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’

Van Woord naar leven

De overweging van vandaag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

Hetgeen wij verdiend hebben met inspanningen en zwoegen, beschouwen wij heel spontaan en natuurlijk als volledig en totaal onze eigendom. “Míjn loongeld, míjn auto, míjn huis! Al wat ik verdiend heb, daar doe ik toch mee wat ik wil. Ik ben daarvoor niemand verantwoording schuldig!”
Is dat wel waar? Wie heeft ons, om dat geld te verdienen, de kans gegeven, de gezondheid, de gunstige omstandigheden, het vertrouwen? Als wij even dieper nadenken dan moeten wij toegeven dat wij dikwijls en op vele domeinen meer kansen hebben gekregen dan wij prestaties hebben geleverd.
Het evangelie heeft hierover een originele visie en zegt dat wij eigenlijk rentmeesters zijn, geen eigenaars dus, maar beheerders van Gods schepping. De goederen, de dingen die wij hebben, zijn eigenlijk niet onze eigendom, maar wij hebben die in bruikleen gekregen.

Natuurlijk is het evangelie niet tegen het recht op persoonlijk eigendom, want dit is een alom erkend middel om de waardigheid van de mens te affirmeren. In landen waar uitbuiting en willekeur door machtigen bestaat, zal het evangelie de eerste moeten zijn om dat recht op eigendom te verdedigen.
Maar waar dat recht veroverd is en gerespecteerd wordt, daar waarschuwt het evangelie ons tegen de excessen van een overdreven individualisme. De blijde boodschap van Gods droom over de wereld leert ons het geld en het goed, dat wij verwerven, bezitten en vermeerderen nooit te zien als een eigendom, waarover wij willekeurig, hooghartig en zelfgenoegzaam zouden mogen beschikken, maar het steeds te blijven erkennen als een geschenk, dat een verantwoordelijkheid inhoudt. Geld en goed zijn gaven waarvoor wij dankbaar blijven en die wij mogen gebruiken, maar nooit voor onszelf alleen, wel steeds volgens Gods bedoeling, dit is in principe voor het hele mensdom, daar Hij de Vader van allen wil zijn.

In de visie van het Rijk Gods zijn wij dus rentmeesters. Als wij onze huidige wereld willen helpen groeien naar de wereld zoals God die droomt, dan gedragen wij ons niet als pretentieuze eigenaars van ónze rijkdommen, maar als dankbare beheerder van Gods schepping en weldaden.

En een rentmeester moet rekenschap geven over zijn beheer. Velen leven zonder God, omdat zij baas willen zijn over hun eigen leven, handel en wandel. Maar als gelovigen erkennen wij uit vrije wil dat er Iemand is tegenover wie wij wel verantwoording af te leggen hebben. Daarbij moeten wij niet onmiddellijk denken aan het oordeel bij onze dood, ná ons leven. God vraagt eigenlijk rekenschap te midden van ons leven. Wij moeten immers altijd klaar staan voor de komst van het Rijk Gods nu!
Het is goed dat wij regelmatig herinnerd worden aan wat onze keuze eigenlijk zou moeten zijn. De parabel nodigt ons uit – vermits de tijd dringt – tot een uiterst edelmoedige zet, zonder verder uitstel.

Op een cruciaal crisis-moment beslist de rentmeester radicaal van handelwijze te veranderen. Het geld dat hem was toevertrouwd gaat hij op dat moment niet meer aanwenden zoals een eigenaar spontaan doet – geld bijwinnen, kleintjes laten krijgen, van de geldmacht gebruik maken om interest en commissieloon te eisen – maar hij gaat het gebruiken als een middel om zijn menselijke verhoudingen te verbeteren. Een echte bekering dus. Een relatie van macht, woeker en oneerlijke winst, buigt hij om tot een vriendschapsrelatie gebaseerd op strikte rechtvaardigheid.
Het evangelie zegt niet dat wij ons van alle geld moeten ontdoen – dat zou onrealistisch zijn; geld is immers onmisbaar – maar wel dat wij het goed moeten gebruiken. Het evangelie vraagt dat wij ons geld niet gebruiken als een macht om onszelf te verrijken, maar als een middel om de relaties in Gods schepping te verbeteren.

Maar Jezus voegt er vandaag waarschuwend aan toe dat dit heel moeilijk is. Hij aarzelt niet het geld een bedrieglijke duivel te noemen om aan te duiden dat de mens erdoor bezeten kan geraken.
Geld kan inderdaad een macht worden die  – als wij niet scherp opletten – ons spontaan doet overhellen naar één bepaalde kant: naar hebzucht, individualisme, bedriegerij, onrechtvaardigheid, afgunst en verdeeldheid.
Hoeveel families vallen niet uiteen, alleen omwille van het geld? Hoeveel religieuze gemeenschappen geraken niet uitgeblust, juist omwille van de rijkdom?
Geld is een voortdurende bedreiging omdat het de mens spontaan ertoe brengt met die macht voor zichzelf steeds meer rechten op te eisen, die heel vlug onredelijk en onrechtvaardig worden.
Dat kan ook bij ons gebeuren vooral als het leven ons eens in een crisis stort, waarbij wij ons laten gaan, waarbij wij ons zwak voelen, kwetsbaar of eenzaam. Als mensen dan geld hebben, dan gebeuren er ravages.

En toch is geld inderdaad onmisbaar en kan het goed aangewend worden. Juist omdat wij vrije en verloste mensen zijn, kunnen wij van het geld in plaats van een “machtsgod” een “rechtsmiddel” maken, een middel om rechtvaardigheid te bevorderen. Maar dat zal een voortdurende aandacht en strijd vragen tegen onze eigen zelfzucht.

Het evangelie van vandaag wil ons uitnodigen tot dit kordaat besluit: Ons niet te gedragen als hooghartige eigenaars die de geldduivel en onze eigen zelfzucht dienen, maar als dankbare rentmeesters die geld en goed beheren volgens Gods bedoeling, d.w.z. in dienst van de rechtvaardigheid.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer, crocifisso_san_damiano_volto
geef dat wij al wat wij bezitten niet mogen zien als ons bezit. Help ons te leven als rechtvaardige rentmeesters van ons gelden en onze goederen, opdat uw Rijk daardoor gediend mag worden. Leer ons kijken naar hen die ons nodig hebben, en doe ons handelen in uw liefde.
Amen.