Lezingen van de dag – zondag 2 april 2017


Heilige (of feest) van de dag

Franciscus a Paola
( † 1508)

Franciscus a Paola, Plessis, Frankrijk; ordestichter

Franciscus is genoemd naar Franciscus van Assisi. Zijn ouders waren zeer arme mensen. Ze woonden in Paola, een klein plaatsje aan de Calabrische kust ten zuiden van Napels. Geruime tijd bleef hun huwelijk kinderloos. Vandaar, dat ze de inspraak van Franciscus van Assisi inriepen en God om een kind vroegen. Toen dan ook enige tijd daarna een kind geboren werd, beschouwden ze dat als een regelrechte gebedsverhoring, en noemden het naar Franciscus van Assisi.

Van jongs af aan bleek het kind gevoelig voor de dingen van God. Het vastte veel en leidde een zeer sober leven. Het werd voor een religieuze opvoeding toevertrouwd aan de franciscaner monniken van een klooster uit de buurt. Op 15-jarige leeftijd trok hij zich in de eenzaamheid terug in een grot om het leven van een kluizenaar te leiden. Hij sliep op de rotsgrond, at de planten en kruiden die hij in het naburig bos vond, of soms van wat zijn vrienden hem brachten. Veel was het in ieder geval niet. Nog voor zijn 20e sloten zich twee andere jongemannen bij hem aan. Deze harde leefgemeenschap groeide uit tot een heuse religieuze orde, welke in 1436 werd gesticht en in 1474 officieel goedgekeurd: de Minimi of Miniemen; zo genoemd, omdat zij werkelijk de minsten wilden zijn naar het voorbeeld van Jezus.

Er werd een huis gebouwd, en een grote kerk; en er ontstond steeds meer toeloop. Maar de levenswijze bleef streng: men sliep op een matje op de rotsgrond; een blok hout of grote steen diende als hoofdkussen; men sliep niet meer dan strikt noodzakelijk was; men gebruikte één maaltijd per dag, en deze bestond meestal alleen uit water en brood. Bereidde men zich voor op een feestdag, dan at men de twee dagen tevoren meestal helemaal niets. Franciscus betreurde het, dat de regels voor de vasten in de Kerk telkens weer verslapten; hij was ervan overtuigd, dat de gelovigen de weldaad van consequent vasten en het zich ontzeggen van allerlei levensbehoeften niet beseften.

Over Franciscus worden wonderlijke verhalen verteld. In de jaren 1447, 1448 en 1449 zou hij bij herhaling de verovering van Constantinopel door de Turken hebben voorspeld: deze vond inderdaad plaats in 1453. Er zijn zelfs heel wat officiële documenten bewaard gebleven, waarin met bijna wetenschappelijke bewijzen wordt gestaafd hoe vaak hij allerlei kerkelijke en maatschappelijke gebeurtenissen had voorspeld. Daarnaast zijn er ook genezingen en andere wonderen bekend.

Eens kwam een hoge ambtenaar naar hem toe om hem duidelijk te maken, dat al te grote gestrengheid in het geestelijk leven tot misgroei en zelfs hoogmoed kon leiden. Franciscus hoorde hem geduldig en vriendelijk aan, en ging zeer liefdevol in op de opmerkingen van de man. Maar deze was zichtbaar niet overtuigd. Daarop nam Franciscus een vurige kool uit het brandende vuur en hield deze geruime tijd in zijn hand voor de ogen van de ambtenaar, en hij zei: “Alle schepselen gehoorzamen aan mensen die God met een zuiver hart dienen.”

Koning Lodewijk XI van Frankrijk († 1483) lag doodziek in zijn verblijf te Plessis. Maar de zucht naar het leven was zo sterk, dat hij niet alleen koning Ferdinand van Napels, maar ook de Paus de opdracht gaf de beroemde Franciscus naar hem toe te sturen; met de bedoeling dat deze hem zou genezen, en hem zou redden van een vroegtijdige dood. Hij loofde een hoge beloning uit voor de eerste die hem zou komen berichten, dat Franciscus voet op Franse bodem had gezet, en stuurde vervolgens de kroonprins op hem af bij wijze van geleide. Op 24 april 1482 kwam de man Gods in Plessis aan. De koning kwam zelf naar buiten om hem te begroeten. Hij viel hem te voet en smeekte, dat hij God zou vragen om een langer leven voor hem, de koning van Frankrijk. Maar Franciscus antwoordde ter plekke, dat hij zoiets nooit zou beloven; en bracht hem vervolgens onder ogen, dat het leven van een koning evenzeer aan een bepaalde grens gebonden was als dat van de allerlaagst geplaatste mens. Het zag er naar uit, dat Gods besluit met hem, Lodewijk, vaststond. De koning deed er beter aan zich bij de feiten neer te leggen en de resterende tijd te gebruiken om zich op gepaste wijze voor te bereiden op zijn dood. Dat deed de koning, zodat deze in vrede afscheid kon nemen van zijn vrouw en kinderen: hij stierf in de armen van Franciscus op 30 augustus van hetzelfde jaar.

Zijn zoon en opvolger, Karel VIII, vatte een grote bewondering voor hem op, en overlaadde hem met gunsten. Hij bouwde overal kloosters voor hem, en zorgde aldus voor een geweldige verbreiding van zijn orde. Franciscus bleef in Plessis. In die tijd was hij onder meer geestelijk leidsman van de zalige Margaretha van Lotharingen († 1521; feest 2 november). Tenslotte stierf hij te Plessis op 2 april 1508, ruim 91 jaar oud.

Reeds in 1519 werd hij officieel heilig verklaard.
Zijn relieken werden tijdens de woelingen van de Reformatie op een 13e april door ketters verbrand.

Hij is patroon van de kluizenaars en  sinds 1943 van de Italiaanse zeelieden (ooit zou hij bij gebrek aan een boot op zijn mantel de zee naar Sicilië zijn overgestoken); hij wordt met name aangeroepen door onvruchtbare echtparen om kinderen te krijgen, in tijden van lijden, en tegen de pest.

Hij wordt afgebeeld in een zwart religieus habijt, waarvan de kraag tot over de gordel omlaag valt. Vaak met het woord ‘glorie’ ergens op de afbeelding, meestal boven hem; of als asceet met gesel, boek en doodskop.

5e zondag in de vastentijd – A


Uit de profeet Ezechiël 37, 12-14

De vijfde belangrijke fase in de heilsgeschiedenis is de aankondiging van de terugkeer uit de Ballingschap. Aan het volk dat door wanhoop is verteerd, voorzegt de profeet een wedergeboorte.

Zo spreekt God de Heer:
‘Mijn volk, Ik zal jullie graven openen, Ik laat jullie uit je graven komen en Ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen.
Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat Ik de Heer ben als Ik je graven open en jullie uit je graven laat komen.
Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, Ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat Ik de Heer ben.
Wat ik gezegd heb, zal Ik doen.’ Zo spreekt de Heer.

 

Psalm 130, 1-8

Refr.: De Heer is steeds barmhartig.

Uit de diepte roep ik tot U, Heer,
hoor mijn stem, wees aandachtig,
luister naar mijn roep om genade.

Als U de zonden blijft gedenken, Heer,
wie houdt dan stand ?
Maar bij U is vergeving,
daarom eert men U met ontzag.

Ik zie uit naar de Heer,
mijn ziel ziet uit naar Hem
en verlangt naar zijn woord.

Mijn ziel verlangt naar de Heer,
meer dan wachters naar de morgen,
meer dan wachters uitzien naar de morgen.

Israël, hoop op de Heer !
Bij de Heer is genade,
bij Hem is bevrijding, altijd weer.
Hij zal Israël bevrijden uit al zijn zonden.

 

Uit de brief van Paulus aan de Romeinen 8, 8-11

‘Het vlees’ is voor Paulus de mens die zich opsluit in zichzelf en zijn zonde. ‘De geest’ is de kracht tot nieuw leven, geschonken aan de gelovige door de Geest van de verrezen Heer.

Broeders en zusters,
wie zich door zijn eigen wil laat leiden, kan God niet behagen.
Maar u leeft niet zo. U laat u leiden door de Geest, want de Geest van God woont in u. Iemand die zich niet laat leiden door de Geest van Christus behoort Christus ook niet toe.
Als Christus echter in u leeft, bent u door de zonde weliswaar sterfelijk, maar de Geest schenkt u leven, omdat u door God als rechtvaardigen bent aangenomen.
Want als de Geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft.

 

 Kyrie eleison.

Ik ben de verrijzenis en het leven,
zegt de Heer,
wie in mij gelooft
zal leven in eeuwigheid.

Kyrie eleison.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 11, 1-41

‘Ik ben de verrijzenis en het leven’. Deze uitspraak van Jezus staat centraal in het centrum van het evangelie van de opwekking van Lazarus. Wie gelooft in Jezus, messias en Zoon van God, heeft in zichzelf reeds het eeuwig leven, dat geen dood meer kan vernietigen.

Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zuster Marta woonden – dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’
Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’
Jezus hield veel van Marta en haar zuster, en van Lazarus. Maar toen Hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef Hij toch nog twee dagen waar Hij was.
Daarna zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’
‘Maar rabbi’, protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden U stenigen, en nu wilt U daar toch weer naartoe?’
Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, maar wie ‘s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’
Nadat hij dat gezegd had zei Hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, Ik ga hem wakker maken.’
De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was.
Toen zei Hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, en om jullie ben Ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’
Tomas (dat betekent ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven.’
Toen Jezus daar aankwam, hoorde Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was.
Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze Hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef.
Marta zei tegen Jezus: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’
Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’
‘Ja’, zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’
Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’
‘Ja Heer’, zei ze, ‘ik geloof dat U de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: ‘De meester is er, en Hij vraagt naar je.’
Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta Hem tegemoet was gekomen.
Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen. Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’
Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde Hem.
Diep bewogen vroeg Hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’
Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’
Jezus begon ook te huilen, en de Joden zeiden: ‘Wat heeft Hij veel van hem gehouden!’
Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, Hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’
Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. Hij zei: ‘Haal de steen weg.’
Marta, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’
Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’
Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek Hij omhoog en zei: ‘Vader, Ik dank U dat U mij hebt verhoord. U verhoort mij altijd, dat weet Ik, maar Ik zeg dit ter wille van al die mensen hier, opdat ze zullen geloven dat U mij gezonden hebt.’
Daarna riep Hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’
De dode kwam te voorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek.
Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’
Veel Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus deed, kwamen tot geloof in Hem.

Van Woord naar leven

Jezus heeft Lazarus opgewekt uit de dood om de grootsheid van God te tonen aan de mensen; aan de mensen van toen, maar ook aan de mensen van nu, aan u en mij dus. Voor de mensen toen, die letterlijk bij het gebeuren betrokken waren, moet het een ongelofelijke sterke ervaring zijn geweest. Je kunt je wel voorstellen. Wij moeten het doen met het verhaal. Maar ik zou zeggen: laat het verhaal zijn zoals het er staat. Laat het toe in je diepste binnenste, en tracht jezelf in te leven in de omstaanders en wat er gebeurd is, alsof je er zelf bij stond, opdat je zou delen in de beleving die de omstaanders gekend hebben, in dezelfde beroering en ontroering.

Het is altijd goed evangelieverhalen als dit op deze wijze te bemediteren. Kruip in het verhaal, laat het verhaal in u kruipen. Wordt er één mee, alsof je erbij was. En het ‘alsof’ zal geen ‘alsof’ blijven. Het kan een echte beleving worden; een hele diepe mystieke vorm van gebed, voor ieder weggelegd die voldoende tijd neemt om deelgenoot te worden van de evangelies.

Cliché of niet: ook wij zijn dikwijls dood, verlamd om te leven, verstrikt in de duisternis, blind voor het licht, verlaten door velen, gekeerd in onszelf: dood. Weet, lieve mensen, dat Jezus met dezelfde liefde naar ons toekomt dan dat hij dat deed bij Lazarus. Meer zelfs: Hij is er al. Hij is veel dichter dan we dikwijls denken, vermoeden, of kunnen geloven. En net als gisteren wil ik ook hier Rumi aanhalen die zegt: ‘We zoeken Hem her en der terwijl we Hem recht aankijken. Aan zijn zijde zittend vragen we: Oh Beminde, waar is de Beminde ?’ We smachten naar God, en we weten niet hoe Hij ons in het smachten reeds nabij is, ons omhelst met zijn mantel van mededogen en barmhartigheid.

Ja, zo is God, en zo is Jezus die beeld is van God. Konden we dat maar eens meer geloven op momenten dat het ons minder goed gaat. En met ‘geloven’ bedoel ik niet louter een soort gelovig weten, maar van onzentwege een act van overgave aan de aanwezige Heer, een beweging naar Hem toe, een toevertrouwen aan zijn inwoning in onze ziel. Deze toewijding, deze innerlijke onderwerping (in de religieuze en gezonde zin van het woord), zal tot gevolg hebben dat de Heer met ons de weg kan gaan die God met ons wilt gaan.
Is dat een beleving van licht … het zij zo. Is dat een nog moeten zijn in de woestijn … het zij zo. Houdt het een zending in … het zij zo, en vooral: doen !

In de aanraking van de Heer maakt God ons tot gehoorzame mensen, tot mensen die gehoor geven, mensen die ‘ja’ zeggen tot God, wat Hij ook vraagt.
Zijn wij bereid … dat is de hamvraag.

Laat ons innerlijk arm worden, opdat de Heer onze rijkdom kan zijn. Ja, laat ons bidden, het gebed liefhebben, de tijd en de stilte diep omarmen en beamen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus, beeld van de Vader,
raak ons aan in onze diepste duisternis met uw liefde, en maak ons tot volgzame mensen die vreugde vinden in hun toewijding aan U.
In uw genade. Amen.