Lezingen van de dag – zondag 20 augustus 2017


Heilige (of feest) van de dag

Bernadus van Clairvaux († 1153)

o.cist., Frankrijk; abt & kerkleraar

Bernardus werd vermoedelijk in 1091 geboren te Fontaine-les-Dijon uit een adellijk geslacht. Zijn moeder was Aleth de Montbard († vóór 1150; feest 4 april); zij was reeds op vijftienjarige leeftijd gehuwd met Técelin († ca 1150; feest 4 april), heer van Fontaine-les-Dijon, bijgenaamd ‘de Blonde’. Als het aan moeder had gelegen, was zij zelf liever het klooster in gegaan, maar zij schikte zich in haar lot en volgde haar man naar zijn kasteel. Gelukkig was haar heer een deugdzaam man. Zijn plicht maakte, dat hij haast altijd aan het hof van de hertog van Bourgondië verkeerde, maar ook in dat milieu bewaarde hij zijn godsdienstzin en goede zeden. Het echtpaar kreeg zes zonen en één dochter. In hun opvoeding legden de beide ouders bij hun kinderen de basis voor een onverzettelijke, heilige levenswandel. Moeder besteedde veel zorg en aandacht aan haar kinderen en gaf hun waar ze zelf van leefde: vroomheid en eenvoud. Tijdgenoten zeggen van haar, dat zij van het kasteel een half klooster had gemaakt. Daardoor zou je kunnen zeggen, dat alle kinderen het religieuze leven met de paplepel ingegeven kregen. Ze zijn dan ook uiteindelijk allemaal het klooster ingegaan. De beroemdste werd Bernard.

Toch wees er aanvankelijk niets op dat de onstuimige, radicale Bernard die kant op zou gaan. Maar nadat hij de kloosterschool van Notre-Dame de Châtillon had doorlopen, trad hij in 1112, samen met 5 vijf familieleden en nog 30 edellieden in het klooster van Cîteaux, dat in die tijd onder leiding stond van de grote abt Sint Stephanus Harding († 1134; feest 17 april). Alleen zijn boers Gerard en Nivard waren daar toen nog niet bij; Gerard diende nog in het leger, en zou later intreden. De jongste, Nivard, lieten zij thuis bij vader als troost voor zijn oude dag; hij zou later mét zijn vader naar het klooster komen.

De grote groep nieuwkomers gaf een extra impuls aan de nieuwe orde der cisterciënzers, genoemd naar hun klooster Cîteaux, die al bij abt Robertus van Solesme († 1110; feest 29 april) begonnen was en door de nieuwe ordesregel, ‘Charta Caritatis’ geheten, van de hand van Stefanus Harding zijn beslag had gekregen.

De cisterciënzer beweging
Vanuit Cîteaux stichtte Bernardus en zijn gezellen kloosters in La Ferté-sur-Grosne (1113), Pontigny (1114), Morimond en Clairvaux-sur-Aube (25 juni 1115); Bernardus werd abt van dit laatste klooster: hij zou er voortaan naar genoemd worden. Deze eerste vier vestigingen worden de ‘eerste vier dochters’ van Sint Bernardus genoemd. Ze werden gevolgd door vele tientallen andere, waaronder Fontenay (1119), Igny (1127), Notre-Dame- d’Aiguebelle (1137) bij Montélimar, Villers bij Villers-la-Ville ten zuiden van Brussel (1146), waarvan de ruïnes nog altijd een geweldige indruk op de bezoeker achterlaten, Aulne (1147) en Cambron (1148). Dankzij zijn inspanningen ontstonden er ook vestigingen in Italië (1120), Duitsland (o.a. Amelunxborn, 1129), Oostenrijk (1130), Engeland en Schotland (o.a. Fountains, 1135, en Melrose, 1136), Tsjechië (o.a. Sedlec, 1142), Portugal (o.a. Alcobaça, 1147) en Spanje (o.a. Santes Creus, 1150, en Poblet, 1153). Bekende cisterciënzerabdijen in Zuid-Frankrijk zijn voorts Silvacane (1144), Fontfroide, dat zich in 1146 bij de orde voegde, Sénanque (1148) en Le Thoronet, aanvankelijk al elders begonnen, maar rond 1155 verhuisden de monniken naar de huidige vestiging. Dit alles overziende is het duidelijk, waarom Bernardus ook wel de tweede stichter van de cisterciënzers wordt genoemd.
De officiële benaming van de orde luidt Sacer Ordo Cisterciensis, afgekort als s.o.cist. of o.s.b.cist.; zij worden cistersiënzers van de gewone observantie genoemd, ook Bernardijnen genoemd. Na de hoge middeleeuwen voerden zij een aanzienlijke versobering in, vooral in hun kerken en kloostergebouwen.
Zij gaan gekleed in een witte pij met zwart scapulier waaraan de zwarte capuce is bevestigd, alles bijeengehouden met een brede leren riem. In het koor dragen zij een kovel. Leden van de vrouwelijke tak heten cisterciënzerinnen.

Bernardus’ geestelijk leven
In zijn persoonlijk leven was hij uiterst sober en streng. Volgens zeggen dreef hij bij velen duivels uit en verrichtte hij herhaaldelijk wonderen. De kerk van die tijd was een machtige en rijke kerk. In reactie daarop legden de kloosters de nadruk op de vrijwillige armoede die Jezus zijn apostelen voorhield: “Tracht geen goud, zilver of koper te verwerven om daar uw beurzen mee te vullen” (Matteus 10,09).
Hij verlangde terug naar de armoede en de eenvoud van het begin van het kloosterleven. Maar vele benedictijner kloosters waren in de loop der tijden uitgegroeid tot kapitaalkrachtige grootgrondbezitters; daarmee was de eenvoud en de kloosterlijke geest in zijn ogen verloren gegaan. ‘Zijn’ nieuwe klooster- en kerkgebouwen ademden een rustige sfeer van soberheid; alle weelde en overdaad aan binnen- en buitenkant werden geweerd. Dat bracht hem in botsing met aanhangers van de benedictijner hervormingsbeweging van Cluny, zoals Guillaume van St-Thierry († 1149; feest 8 september) en Petrus Venerabilis van Cluny († 1156; feest 11 mei).

Devotie tot Jezus’ menselijkheid
Mede door de kruistochten leerde men het Heilig Land kennen. En daardoor raakte men weer sterk doordrongen van Jezus’ menselijk bestaan. Tot dan toe was de Heer voornamelijk afgebeeld als overwinnaar in triomferende majesteit. Bernardus schilderde in zijn preken het lijden van de Heer. Zijn devotie voor Jezus’ menselijkheid was zeer groot. Dat leidde tot de legende, dat Maria hem, toen hij eens in gebed was in de kerk van St-Vorles in Châtillon-sur-Seine, in een visioen melk uit haar borst liet proeven.
Net als in zijn preken liet hij zich in zijn brieven en andere geschriften diepgaand inspireren door de Heilige Schrift. Bekend zijn zijn overwegingen bij het Hooglied van Salomo. Zijn hoofdwerk, ‘De Consideratione’ geschreven rond 1148, droeg hij op aan paus Eugenius III († 1153; feest 8 juli). Reeds tijdens zijn leven gaven zijn bewonderaars hem de eervolle bijnaam ‘Doctor Mellifluus’ (= ‘honingvloeiende leraar’).
Bij Bernardus’ dood telde de cisterciënzers orde 339 kloosters, waarvan er 68 rechtstreeks onder Cîteaux ressorteerden; in Engeland waren er 122, in Italië 88, in Spanje 56 en in Duitsland zeker meer dan honderd.

Verering & Cultuur
Na zijn dood werd hij opgevolgd door de uit Brugge afkomstige abt Robrecht Gruuthuse († 1157; feest 29 april). Het waren Guillaume van Saint-Thierry en Arnoldus van Bonneval († 1156; feest 6 februari), die zich meteen aan een levensbeschrijving zetten.
Ruim twintig jaar na zijn dood, 1174, werd Bernardus reeds heilig verklaard. Paus Pius VIII († 1830) riep hem in 1830 uit tot kerkleraar.
Hij patroon van de cisterciënzers; vanwege zijn eretitel ‘honingvloeiend van alle beroepen die met bijen te maken hebben, zoals bijenhouders, waskaarsenmakers en wassmelters; van veehoeders; van drinkers (men dronk eerst sint-bernardsminne om zich te beschermen tegen reisgevaren, later werd het een drankje op zondagmorgen bij het ontbijt…); en van stervenden. Daarnaast is hij beschermheilige van bijen en vee en wordt zijn voorspraak ingeroepen voor gezonde kalveren en dientengevolge tegen zieke koeien en hoornvee en tegen alle gevaren in huis of stal.
Bovendien wordt zijn voorspraak ingeroepen tegen (kinder)stuipen, jicht, krampen, reumatiek en zogeheten lopende roos (ook sint-bernardsvuur genoemd).
Hij wordt afgebeeld in cisterciënzer habijt, als abt (met staf); vaak met kruis en Jezus’ lijdenswerktuigen; niet zelden zien we hoe Christus zijn handen losmaakt van het kruis en ze naar Bernardus uitstrekt (berust op een visioen of legende); met regelboek of schriftrol; soms een mijter in zijn nabijheid (slaat op zijn weigering de waardigheid van bisschop te aanvaarden); met bijenkorf of zwerm bijen (vanwege zijn eretitel ‘honingvloeiende leraar’); met duivel of demon aan ketting; regelmatig vinden we de legende afgebeeld dat Maria hem van haar melk te drinken geeft (zogeheten ‘Lactatio Bernardi’).

20ste zondag door het jaar – A


Uit de profeet Jesaja 56, 1 + 6-7

Mijn tempel zal heten ‘Huis van gebed voor alle volken’.

Dit zegt de Heer: “Handel rechtvaardig, handhaaf het recht; de redding die Ik breng is nabij, en weldra openbaar Ik mijn gerechtigheid. En de vreemdeling die zich met de Heer heeft verbonden om Hem te dienen en zijn Naam lief te hebben, om dienaar van de Heer te zijn – ieder die de sabbat in acht neemt en niet ontwijdt, ieder die vasthoudt aan mijn verbond –, hem breng Ik naar mijn heilige berg, hem schenk Ik vreugde in mijn huis van gebed; zijn offers zijn welkom op mijn altaar. Mijn tempel zal heten ‘Huis van gebed voor alle volken’.”

 

Psalm 67, 2-5

Refr.: God, moge alle volken U eren.

God, wees ons genadig en zegen ons,
laat het licht van uw gelaat over ons schijnen.
Dan zal men op aarde uw weg leren kennen,
in heel de wereld uw reddende kracht.

Dat de volken U loven, God,
dat alle volken U loven.
Laten de naties juichen van vreugde,
want U bestuurt de volken rechtvaardig
en regeert over de landen op aarde.

 

Uit de brief van Paulus aan de Romeinen 11, 13-15 + 29-32

De genade die God schenkt neemt Hij nooit terug.

Broeders en zusters,
ik spreek nu tot degenen onder u die uit heidense volken komen. Zeker, ik ben een apostel voor de heidenen, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog omdat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel van hen te redden. Als God de wereld met zich heeft verzoend toen Hij hen verwierp, wat zal Hij dan, wanneer Hij hen opnieuw aanvaardt, anders teweegbrengen dan hun opstanding uit de dood?
De genade die God schenkt neemt Hij nooit terug, wanneer Hij iemand roept maakt Hij dat niet ongedaan. Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid Gods barmhartigheid hebt ondervonden, zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden. Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat Hij voor ieder mens barmhartig kan zijn.

 

Alleluia.

Ik ben het licht dat naar de wereld is gekomen,
opdat iedereen die in mij gelooft
niet meer in de duisternis is,
spreekt de Heer.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 15, 21-28

Jezus looft de Kanaänitische vrouw om haar groot geloof.

En weer vertrok Jezus; Hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. Plotseling klonk de roep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ Maar Hij keurde haar geen woord waardig.
Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen.’
Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’
Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor Hem neer en zei: ‘Heer, help mij!’
Hij antwoordde: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.’
Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’
Toen antwoordde Jezus haar: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen.

Van Woord naar leven

Natuurlijk wil Jezus de Kanaänitische vrouw niet afwijzen. Maar Hij daagt haar uit. Hij wil zien of ze werkelijk naar Hem toe wil komen. En ze houdt vol. Haar smeekbede houdt niet op. Ze zet door. Ze gaat recht op de Man af. Ze laat zich niet afleiden. En ze haalt het.

Wij kunnen van deze vrouw veel leren wat ons gebedsleven betreft.

Het volhouden bijvoorbeeld. Velen van ons beginnen met regelmaat te bidden, maar houden niet vol, om welke reden ook. Het enthousiasme bekoelt, het nieuwe is er af, men verkrijgt niet wat men vraagt, men voelt zich moe, er is een goede uitzending op tv, enz …
Trouw in het dagelijks gebed is zo belangrijk. Deze trouw zou moeten los staan van mogelijk gelukzalige gevoelens tijdens ons bidden, of al dan niet mogelijke ‘resultaten’ als vrucht van ons gebed. Trouw ben je omdat je gelooft (ja, los van gevoelens, of zelfs ervaring) dat Hij er is. Je bidt omdat je van Jezus houdt, omdat je bij Hem wil zijn. Theresia van Avila zegt: “Naar ik meen is bidden niets anders dan omgaan met een vriend: je weet je door hem bemind, je bent vaak met hem alleen.” Of Pastoor van Ars: ‘Jezus kijkt naar mij, en ik naar Hem, dat is mij genoeg.’
Dagelijks gebed, trouw op afspraak … een zegen voor jezelf, je gezin, je gemeenschap, de samenleving.

Wat we ook van deze vrouw kunnen leren is de zin van de smeekbede. Natuurlijk moeten we er over waken dat we bidden in Gods wil. Dat spreekt voor zich. Maar we mogen vragen, smeken, dagelijks. Ook al blijft het resultaat schijnbaar uit … Dit laatste mag vooral geen reden zijn ermee op te houden. We moeten blijven vragen, smeken. Doorheen de eeuwen wordt er dagelijks gebeden en gesmeekt dat er vrede zou zijn, vrede tussen volkeren. En toch ontstaan er in de wereld altijd opnieuw gewapende conflicten, steekt duivels terreur de kop op, zijn er die talloze kleine oorlogjes binnen gemeenschappen en gezinnen, … Wilt dat zeggen dat we dan maar beter ophouden om te bidden voor vrede in de harten van de mensen, vrede tussen de volkeren ? Nee, we mogen, en moeten zelfs, die smeekbede blijven herhalen; persoonlijk en als gemeenschap. Wat God ermee doet, is aan Hem.
De meeste oorlogen (groot en klein) ontstaan doordat het kwaad op een of andere manier toegang heeft gekregen, en macht heeft genomen, van harten en hoofden. Bidden om vrede is dus ook bidden dat het kwaad mag ophouden te heersen, en dat mensen de genade ontvangen zich in waarheid naar God te keren, om van Hem de gave van vrede te ontvangen, om deze gave te dragen en te beleven.
Misschien zouden we voor deze intentie nog veel meer moeten bidden dan dat we dat tot nu toe doen. Ja, we zijn de smeekbede wat kwijt … We zouden het meer moeten opnemen in ons gebed.

Een derde punt wat we van de vrouw uit het evangelie kunnen leren is haar zeer sterk geloof. Jezus prijst haar ook om haar geloof. Geloof is niet louter een verstandelijke beredenering van geloven dat Jezus daar is, hoewel het dat ook is. Geloof is ook veel meer dan een belijdenis met de lippen dat God is wie Hij is en dat Hij aanwezig is, hoewel het dat ook kan zijn. Maar het is vooral een act van overgave aan God die is, een toevertrouwen aan Jezus’ aanwezigheid, opdat Hij je leven kan zijn of worden, de ziel van je gebed, de spirit van je liefde. Het is arm worden van je ego, om Hem alle ruimte te geven in uw leven. Zodat je met Paulus kan zeggen: ‘Niet ik leef meer, maar het is de Heer die in mij leeft’.

Moge de Kanaänitische vrouw uit het evangelie van vandaag een wegwijzer zijn wat betreft je gebedsleven. En, een voorstel: vraag haar voorspraak in je gebed. De hemel bestaat, en we mogen vriendschap beleven met de hemel. Dus er is niets verkeerd mee om deze vrouw haar voorspraak en hulp te vragen. Laat ze een vriendin worden, een grote zus, een moeder.

Ik wens je veel vrede tijdens je bidden.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
kom met uw heilige Geest over Kerk en wereld. En beziel ons met de gave van het gebed, het volgehouden dagelijks gebed. Geef ons de nodige discipline, de moed, maar vooral ook de liefde om dagelijks neer te knielen voor U, om de wereld bij U neer te leggen, vragend om ontferming, biddend om genade, smekend om genezing.
Kom heilige Geest. Amen.