Lezingen van de dag – zondag 21 juni 2015


Heilige (of feest) van de dag

Aloysius van Gonzaga (+ 1591)15

Aloysius van Gonzaga sj, Rome Italië; jezuïetenstudent & verpleger pestlijders; † 1591.

Aloysius werd op 9 maart 1568 in het Italiaanse Castiglione bij Mantua geboren, als oudste zoon en erfgenaam van de hertog van Castiglione. Reeds op zijn vierde jaar werd hij door zijn trotse vader overal mee naartoe genomen, of het nu diplomatieke missies waren of jachtpartijen. Maar toen hij op een keer met malaria thuiskwam, was het afgelopen. Op zevenjarige leeftijd onderging de jongen een gevoelige verandering: hij werd meer teruggetrokken en in zichzelf gekeerd. Toen zijn vader na twee jaar terugkeerde van een zendingsreis naar Spanje, was hij trots op zijn zoon: de jongen zou straks een wijze en bedachtzame opvolger zijn.

Aan het hof van De’Medici’s
Tezamen met zijn broer Rudolf werd de jonge Aloysius naar Milaan gestuurd om aan het hof van hertog Francesco de’ Medici zijn opleiding te krijgen in alle vaardigheden die hij straks als man van adel nodig had. Deze vriend van zijn vader behoorde tot de hoogste kringen van zijn tijd. Hij had omgang met alle machtigen der aarde. Hoe oogverblindend het leven daar ook was, de ruim tienjarige Aloysius had een bijzonder fijn gevoel voor wat echt en niet echt was. Hij keek door de mooie aankleding en rijke façades, het gekonkel en geroddel, de vleierijen en pluimstrijkerijen heen; proefde bij velen de opgeschroefde onechtheid en trok zich van dit alles zoveel mogelijk terug. Wel ridderlijk opkomen voor Christus en zijn kerk, en het intussen houden met een of meerdere maîtresses. Hij walgde ervan en zocht zijn toevlucht in de huiskapel, de enige plek die veilig was. In zijn persoonlijk gebed beloofde hij plechtig nooit met opzet een zonde te bedrijven en niet mee te doen met het holle vertoon van de meesten hier aan het hof. In zijn eentje las hij vrome en theologische boeken. Natuurlijk kwam ook de kardinaal van Milaan zo nu en dan eens langs, Carolus Borromeus, die zelf later heilig verklaard zou worden. Deze was getroffen door de heilige ernst van het twaalfjarige kereltje. Door zijn toedoen mocht Aloysius ook de eerste communie ontvangen, want dat was nog altijd niet gebeurd. Vanaf dat moment begon het jongetje als een kloosterling te leven; ’s nachts bleef hij lang op om te bidden; hij vastte drie keer per week en hij bracht veel tijd door met bidden, lezen en mediteren.

Spaanse en Italiaanse hoven
Toen Maria van Oostenrijk na de dood van haar man, keizer Maximiliaan II, naar haar vaderland Spanje terugkeerde, bood vader Di Castiglione aan dat zijn familie haar zou vergezellen. In Madrid zocht Aloysius een pater jezuïet als biechtvader. Hem maakte hij zijn verlangen bekend om bij de jezuïeten in te treden. Hij was nu vijftien. Zijn biechtvader zei dat hij nog te jong was, en dat zoiets nooit zou kunnen zonder de toestemming van zijn vader.
Voorzichtig bracht hij zijn verlangen bij zijn vader ter sprake. Dat doorkruiste de toekomstplannen van de hertog volkomen. In zijn woede probeerde hij hemel en aarde te bewegen om zijn zoon op andere gedachten te brengen. Daarom stuurde hij hem in gezelschap van zijn jongere broer Rudolf langs de Italiaanse hoven in de hoop dat die bevlieging wel zou overgaan. Maar de jongen die het hof van de Medici’s in Milaan had meegemaakt, zag alleen maar meer van hetzelfde. Bij thuiskomst was hij des te vaster besloten om zijn leven aan wezenlijker dingen te wijden. Nu zag zijn vader in dat niets hielp en gaf tenslotte in arren moede zijn toestemming. Aloysius trad in bij de jezuïeten te Rome op 25 november 1585. Hij was op dat moment ruim zeventien jaar oud.

Jezuïet
Zijn geestelijk leidsman leerde hem nu zich te matigen in de strenge religieuze praktijken waaraan hij in de afgelopen jaren zo gewend was geraakt. De jonge novice zei van zichzelf: “Ik ben een stuk kronkelig metaal en ben ingetreden om gladgeschaafd te worden.” Vanaf nu leidde hij het leven van elke jezuïet in het begin van zijn opleiding: hij legde na afloop van het tweejarige noviciaat de drie religieuze geloften af, studeerde filosofie en deed zijn examens. In 1589 werd hij naar zijn ouderlijk huis teruggestuurd om een ruzie bij te leggen tussen zijn vader en zijn broer Rudolf. Daar had hij een flinke tijd voor nodig en pas in mei 1590 keerde hij naar Rome terug.

De pest
In 1591 werd Italië getroffen door allerhande rampen en ziektes. Aloysius ging uit bedelen om aalmoezen in te zamelen voor de pestlijders. Stuitte hij op straat op een stervende patiënt, dan droeg hij hem in zijn armen naar een hospitaaltje, waste de zieke, gaf hem te eten en deed alles wat nodig was. Hij walgde van de stank en de afzichtelijke goorheid van de zieken met hun wonden, de hospitalen met hun gebrek aan hygiëne en de ziekenzalen met hun smerige bedden en vuiligheid. Maar zijn overste maande hem tot voorzichtigheid. Er waren al genoeg jonge jezuïeten in opleiding het slachtoffer geworden van hun heldhaftigheid; ze raakten zelf besmet en stierven meestal niet lang daarna. Vandaar dat Aloysius’ overste hem opdroeg alleen naar het hospitaaltje te gaan van Maria van Altijddurende Bijstand. Daar werden namelijk geen pestlijders of andere gevallen van besmettelijke ziekten heengebracht. Aloysius gehoorzaamde. Maar de eerste de beste patiënt die hij er verzorgde, bleek achteraf wel degelijk besmet te zijn. Op 3 maart 1591 bleef de jonge jezuïet met hoge koorts in bed. Uiteindelijk kwam hij er wel weer bovenop, maar hij was intussen zo verzwakt dat hij tenslotte toch bezweek aan de gevolgen ervan. In de late avond van 21 juni 1591 blies hij zijn laatste adem uit; drieëntwintig jaar oud.

Op 19 oktober 1605 werd hij door paus Paulus V zalig verklaard. Paus Benedictus XIII verklaarde hem heilig op 31 december 1726 tegelijk met Stanislas Kostka, die in 1568 op achttienjarige leeftijd was gestorven.

Hij is patroon van Castiglione delle Stiviere en Mantua; van de jeugd, studerende jeugd, van studenten; zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen oogkwalen en de pest; patroon van beroepskeuze.

Hij wordt afgebeeld in toog en superplie; met een witte lelietak (kuisheid); stralenkrans om het omlaag kijkend hoofd (volgens de overlevering zou hij steeds met neergeslagen hebben gelopen om te vermijden de blikken te kruisen van vrouwen); in zwijm vallend aan de voeten van zijn biechtvader; de eerste communie ontvangend uit handen van Sint Carolus Borromeus; met kruisbeeld; doodshoofd en kroon aan zijn voeten; vorstelijke onderscheidingstekens; gesel bij hem of in zijn handen (de kwellingen die hij zich aandeed).

12e ZODAG DOOR HET JAAR – B

Uit het boek Job 38, 1 + 8-11

De Heer spreekt in storm en wind.

In die tijd begon de Heer in storm en wind tot Job te spreken: ‘Wie sloot de zee af met een deur, toen ze uit de schoot van de aarde brak? Ik hulde haar in een gewaad van wolken en omwond haar met donkere nevels. Ik legde haar mijn grenzen op en sloot haar af met deur en grendelbalk, en zei: “Tot hiertoe en niet verder, dit is de grens die ik je trotse golven stel.” ‘

 

Psalm 107, 23-24 + 25-26 + 28-29 + 30-31

Refr.: Breng dank aan de Heer, want Hij is barmhartig.

Soms daalden zij af naar zee,
gingen scheep en bevoeren het wijde water,
ze zagen de daden van de Heer,
zijn wonderen op de oceaan.VA glass bord

Hij sprak en ontketende storm,
hoog zweepte Hij de golven op.
Zij stegen tot aan de hemel, vielen neer in de diepte,
hun maag keerde om van ellende.

Ze riepen in hun angst tot de Heer,
Hij leidde hen weg uit vele gevaren,
Hij bracht de storm tot zwijgen,
de golven gingen liggen.

Het verheugde hen dat de zee tot rust kwam,
Hij bracht hen naar een veilige haven.
Laten zij de Heer loven om zijn trouw,
om zijn wonderen aan mensen verricht.

 

Uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs 5, 14-17

Wie één is met Christus, is een nieuwe schepping.

Wat ons drijft is de liefde van Christus, omdat we ervan overtuigd zijn dat één mens voor alle mensen is gestorven, waardoor alle mensen zijn gestorven, en dat Hij voor allen is gestorven opdat de levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor de levenden is gestorven en is opgewekt.
Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld; ook Christus niet, die we vroeger wel volgens die maatstaven beoordeelden.
Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.

 

Alleluia.images

Zelfs de wind en het water
gehoorzaamden aan de Heer.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 4, 35-41

Zelfs wind en water gehoorzamen Hem.

Aan het eind van die dag, toen het avond was geworden, zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Laten we het meer oversteken.’
Ze stuurden de menigte weg en namen Hem mee in de boot waarin Hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op. Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol water kwam te staan. Maar Hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en zeiden: ‘Meester, kan het U niet schelen dat we vergaan?’
Toen Hij wakker geworden was, sprak Hij de wind bestraffend toe en zei tegen het meer: ‘Zwijg! Wees stil!’ De wind ging liggen en het meer kwam helemaal tot rust.
Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog steeds niet?’ Ze werden bevangen door grote schrik en zeiden tegen elkaar: ‘Wie is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?’

Van Woord naar leven

De overweging van vandaag is onleend aan Kerknet-Herent

Dit verhaal van de storm op het meer is een verhaal met een dubbele bodem, d.w.z. er schuilt een diepere betekenis achter. Dat blijkt al uit het feit dat Marcus Jezus laat slapen te midden van een storm die zelfs zeevaste vissers in doodsangst brengt. Het verhaal duidt op de geschiedenis van de Kerk, die als een notedop heen en weer geslingerd wordt, maar toch in Gods handen is. Het is ook ons eigen levensverhaal. Wij zijn wel niet meer bang voor de stormen op zee, maar wij zijn nog even bang voor de stormen van het leven. Wij dreigen allemaal van tijd tot tijd weg te zinken in de angst van de zinloosheid van ons bestaan. Die angst kan vele gezichten hebben en staat je overal voor ogen: angst voor ziekte, angst voor de toekomst, angst voor de dood. Sommige mensen willen zich tegen deze bestaansangst weren door het dragen van een talisman, door het consulteren van horoscopen of het raadplegen van helderzienden en kaartlegsters. De evangelist duidt ons een andere weg aan om die angst te overwinnen.

Hij zegt dat wij met onze angst naar God kunnen gaan: ‘Heer, raakt het U niet dat wij vergaan?’ riepen de bange apostelen uit, terwijl Jezus rustig op een kussen lag te slapen. Wij mogen ook met onze angsten naar de Heer gaan: ‘Heer, raakt het U niet, dan miljoenen kinderen van honger sterven? Raakt het U niet dat heel de schepping vernield wordt door giftige stoffen? Raakt het U niet dat zoveel mensen dag en nacht tot U roepen, terwijl zij in de zorgen van het leven ten onder dreigen te gaan?’

De Heer heeft de leerlingen niet verweten dat ze angst hadden. Je helpt een angstig mens niet door hem te verbieden angstig te zijn. Als een kind alleen moet blijven in een donkere kamer, dan verbiedt moeder het niet angstig te zijn, dat zou de angst alleen maar vergroten, nee, zij laat de deur op een kiertje open, zodat er minstens een lichtstraal in de duistere kamer valt en het kind voelt dat het in zijn angst niet alleen is. Het geloof verbiedt je niet angstig te zijn, het praat de angst niet weg, maar probeert een lichtstraal van hoop te zijn in de duistere kamer van je leven te laten vallen. Die lichtstraal is de helpende aanwezigheid van Jezus. Ook als Jezus schijnt te slapen, Hij blijft toch altijd aan je zijde. Geen enkele bedreiging mag je radeloos maken, want Jezus redt, dat is zijn naam, en samen met Hem kun je nooit te gronde gaan.

Zo is de slotsom van dit verhaal: je moet altijd blijven geloven. Wat Jezus de apostelen verweet, was hun klein geloof: je weet toch dat Ik bij jullie ben, waarom zijn jullie dan zo angstig? Angst is volgens Jezus altijd het gevolg van een klein geloof. Nood leert bidden. Maar bidden kan mensen ook stom en bitter maken. Nood leert je alleen bidden als je een verbinding kunt leggen tussen je angst en de helpende aanwezigheid van de Heer. Daardoor kan een lichtstraal van Gods liefde in de duistere plekken van je leven binnenvallen. Het moet erg zijn, als je met het probleem van de dood, van een ongeneeslijke ziekte, niet meer naar God kunt gaan. God neemt je problemen niet weg, christenen gaan even zwaar gebukt onder het lijden van de wereld als anderen. Maar in de duisterenis van het lijden hebben zij een lichtpunt; de helpende aanwezigheid van de Heer. Niet de storm brengt je leven in gevaar maar de angst.

Laten we bidden om zo’n geloof dat voor geen storm nog angstig wordt, een geloof dat alle moeilijkheden overwint, dat de stormen en de golven van het leven in de hand kan houden. Veel mensen getuigen van zo’n geloof, getuigen dat God je nooit boven je krachten beproeft, dat God ook zalft waat Hij slaat. Uit deze woorden spreekt de ervaring van Gods trouw. Als je gelooft zul je hetzelfde ervaren wanneer je verzinkt in de golven van de dood. Dan zal blijken hoezeer Jezus je draagt, hoe Hij je zal opnemen bij zich, zodat geen booscheid je meer kan treffen. Angst en vrees helpen je niet, maar alleen het geloof in, en de hoop op de Heer Jezus, ook als Hij nog schijnt te slapen. Gebed is zeker niet nutteloos in een tijd vol angst en zorg, in een Kerk vol angst en zorg, in een leven vol angst en zorg…

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,images
draag ons wanneer de angst ons overmant, ook als uw hulp buiten onze gevoels- en ervaringswereld valt. Geef dat wij in dit naakte geloof mogen groeien tot mensen die gratuïet U leren liefhebben, tot groei van Kerk en wereld. Amen.