Lezingen van de dag – zondag 22 januari 2017


Heilige (of feest) van de dag

Vincentius van Valencia († 304)

Vincentius van Valencia (ook Diaken, Levita of van Huesca), Zaragoza, Spanje; diaken & martelaar

Volgens de legende is Vincentius samen met zijn bisschop Valerius van Valencia gevangen genomen tijdens de christenvervolgingen aan het begin van de 4e eeuw onder keizer Diocletianus (284-305). Ze werden in de kerker geworpen met de bedoeling dat ze daar de hongerdood zouden sterven. Na geruime tijd nam de stadhouder aan dat ze lichamelijk behoorlijk verzwakt en uitgeput waren en de dood al in de ogen zagen. Toen liet hij ze voor zich verschijnen om ze over te halen hun God af te zweren. Maar beiden bleken nog kerngezond en in blakende conditie. De oude Valerius getuigde met zijn zachte stem van Christus. Maar de jonge Vincentius sprak luid en duidelijk en vol overtuiging: “Jullie aanbidden goden van steen. Wij daarentegen de levende God en zijn zoon Jezus Christus.”
Woedend veroordeelde de stadhouder de oude bisschop tot verbanning en Vincentius tot de marteldood. Hij liet hem bijna vierendelen, gedeeltelijk villen en roosteren. Maar Vincentius stierf niet. Nu werd hij in een vochtige en donkere kerker geworpen, waarvan de bodem bezaaid lag met glasscherven en scherpe steentjes. Hier mocht hij met zijn gewonde lichaam de dood afwachten. Maar er kwamen engelen om hem te troosten en de pijn weg te nemen. Ze verdreven de duisternis en veranderden de scherven en steentjes in bloemen. Zoals Vincentius’ luide lofzang voor God door heel de gevangenis weerklonk, zo verspreidde zich ook de geur van de bloemen. Toen de stadhouder ervan hoorde, was hij ontzet. Hij beval dat de martelaar verzorgd en verpleegd moest worden. Hij moest genezen, want de machthebber was bang voor de reactie van het volk, als het zou horen dat Vincentius in de gevangenis zou zijn omgekomen.
Maar nauwelijks lag Vincentius in een zacht, schoon bed, of hij gaf de geest. De stadhouder voelde zich bedrogen. Woedend beval hij het lijk buiten de stad op het open veld te dumpen ten prooi aan roofvogels en wilde dieren. Maar een raaf vatte post naast het lichaam en verjoeg alle bloeddorstige dieren. Zo konden de christenen het lichaam bergen en eerbiedig begraven.

3e zondag door het jaar – A


Uit de profeet Jesaja 8, 23b – 9, 3

In de donkere dagen van hun ballingschap in Assyrië zullen de Galileeërs het licht van de bevrijding zien opgaan. Deze profetie gaat volledig in vervulling wanneer Jezus de Blijde Boodschap het eerst verkondigt te Kafarnaüm in Galilea, dicht bij de heidenen.

Zoals het land van Zebulon en Naftali in het verleden smadelijk bejegend is, zo wordt weldra eer bewezen aan de kuststreek, het Overjordaanse en het domein van andere volken.
Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen.
U hebt het volk weer groot gemaakt, diepe vreugde gaf U het, blijdschap als de vreugde bij de oogst, zij jubelen als bij het verdelen van de buit.
Het juk dat op hen drukte, de stok op hun schouder, de zweep van de drijver, U hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds.

 

Psalm 27, 1-4 + 13-14

Refr.: De Heer is mijn licht, mijn behoud.

De Heer is mijn licht, mijn behoud,
wie zou ik vrezen ?
Bij de Heer is mijn leven veilig,
voor wie zou ik bang zijn ?

Kwaadwilligen kwamen op mij af
om mij levend te verslinden,
mijn vijanden belaagden mij,
maar zij struikelden, zij vielen.

Al trok een leger tegen mij op,
mijn hart zou onbevreesd zijn,
al woedde er een oorlog tegen mij,
nog zou ik mij veilig weten.

Ik vraag aan de Heer één ding,
het enige wat ik verlang:
wonen in het huis van de Heer
alle dagen van mijn leven,
om de liefde van de Heer te aanschouwen,
Hem te ontmoeten in zijn tempel.

Mag ik niet verwachten
de goedheid van de Heer te zien
in het land van de levenden?
Wacht op de Heer,
wees dapper en vastberaden,
ja, wacht op de Heer.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 1, 10-13 + 17

In de gemeenschap van Korinte staan christenen tegenover elkaar en zijn onderling verdeeld naargelang de geloofsverkondiger waarop zij zich beroepen. Paulus herinnert hen dat de woordvoerders van het evangelie allen ten dienste staan van de ene verlosser, Christus, waarvan het ene doopsel de eenheid onder de gelovigen bewerkt.

Broeders en zusters,
in de naam van onze Heer Jezus Christus roep ik u op om allen eensgezind te zijn, om scheuringen te vermijden, om in uw denken en uw overtuiging volkomen één te zijn.
Door Chloë’s huisgenoten is mij namelijk verteld, broeders en zusters, dat er verdeeldheid onder u heerst. Ik bedoel dat de een zegt: ‘Ik ben van Paulus’, een ander: ‘Ik van Apollos’, een derde: ‘Ik van Kefas’, en een vierde: ‘Ik van Christus.’
Is Christus dan verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of is het in de naam van Paulus dat u bent gedoopt? Ik ben immers niet door Christus gezonden om te dopen, maar om te verkondigen; en niet door middel van diepzinnige welsprekendheid, want dan zou het kruis van Christus van zijn kracht worden beroofd.

 

Alleluia.

Jezus verkondigde de Blijde Boodschap van het Koninkrijk,
Hij genas alle ziekten en kwalen onder het volk.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 4, 12-23

In enkele lijnen roept Matteüs verschillende gebeurtenissen op die allen een begin aankondigen. De arrestatie van Johannes de Doper betekent het begin van het Nieuwe Testament. De prediking van Jezus in het Galilea der heidenen suggereert dat Hijzelf het licht der volken is. De roeping van de eerste leerlingen luidt het begin in van de tijd van de Kerk en haar zending. De eerste genezingen die Jezus verricht, openbaren de werkdadigheid van het heil dat Hij brengt.

Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week Hij uit naar Galilea.
Hij liet Nazaret achter zich en ging wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali.
Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja: ‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan de weg naar zee en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’
Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer’, zei Hij, ‘want het Koninkrijk van de hemel is nabij!’
Toen Hij langs het meer liep, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’
Ze lieten meteen hun netten achter en volgden Hem.
Even verderop zag Hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden Hem.
Hij trok rond in heel Galilea; Hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het Koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.

Van Woord naar leven

De overweging van deze zondag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

De evangelist Matteüs legt er de nadruk op dat Jezus zijn prediking niet in Jeruzalem begon, maar in Galilea, niet in het centrum, wel in de marge. Twee gebieden worden tegenover elkaar geplaatst, vooral echter met een theologische bedoeling.

Jeruzalem was een versterkte stad, met erbinnen, op de Sionsberg, de tempel van Jahweh, de God van de joden, die zó hoogheilig was, dat zijn Naam zelfs niet mocht worden uitgesproken. Dit machtige, religieuze centrum van het land werd beheerst door een kaste van priesters die de riten in de tempel verzorgden – dwz. dat zij vooral de offergaven van de mensen ontvingen – en daarnaast door een groep schriftgeleerden, die uit de oude Bijbel voortdurend uiterst gedetailleerde wetten en kleine gedragsregels haalden om de mensen voor te schrijven wanneer zij goed of verkeerd deden. De joodse godsdienst was dus verworden tot uiterlijkheden. Om beschouwd te worden als een goede gelovige was het allerbelangrijkste “de voorgeschreven offers te brengen” en “te gehoorzamen aan een honderdtal kleine wetten”. Zo’n opvatting over de godsdienst had echter als verschrikkelijk gevolg dat voortdurend een schuldgevoel werd gewekt bij de gewone mensen, die vooral schrik hadden om onder de maat te blijven en verkeerd te doen tegenover een eisende, dreigende en straffende Jahweh.

Jezus distantieert zich duidelijk van die opvatting over de godsdienst, die vooral in Jeruzalem heerste. Hij is tegen die winstgevende offerritussen van de priesters en die angstaanjagende wetten van de schriftgeleerden. Hij is tegen de tempel die alleen maar dient als offerplaats. Hij is tegen een God waarvan de mensen schrik zouden moeten hebben.

Jezus begint zijn prediking in een heel andere streek, maar vooral in een heel ander religieus klimaat.
Galilea was de grensprovincie in het Noorden. Geen afgesloten burcht op een berg zoals Jeruzalem, maar een landelijke streek, gelegen aan het meer. Daar waren de mensen eenvoudiger, armer, meer open ook. Ontvankelijker voor allerlei vreemde invloeden en niet afgesloten of verstard in eigen opvattingen, zoals in de trotse hoofdstad. Galilea was bevolkt door een mengelmoes van rassen en godsdiensten met Aramese, Arabische, Fenicische en Griekse invloeden. Men had er geleerd verdraagzaam te zijn tegenover elkaar in een gezond pluralisme van verschillende culturen. Het was een ‘multiculturele samenleving’. Die mengelmoes van allerlei godsdiensten werd echter door Jeruzalem met de grootste minachting bekeken. De religieuze leiders van de hoofdstad beschouwden zichzelf als de “zuivere joden, die de juiste leer wisten te bewaren”, en zij misprezen de Galileërs als “heidenen, die de wet niet kenden”.

Wie uit Matteüs’ tegenstelling nu zou besluiten dat het christendom thuishoort op het platteland en niet in de stad heeft te letterlijk geïnterpreteerd en dus de verkeerde conclusie getrokken. Onze wereld is ondertussen grondig veranderd. Die openheid voor allerlei meningen, dat pluralisme van culturen vindt men bij ons sinds verschillende eeuwen veeleer in de steden. Het ‘Galilea’, zoals Matteüs dat bedoelde, met zijn mengelmoes van vreemde godsdiensten, waar mensen uitgedaagd worden om multicultureel samen te leven, ligt vandaag niet in één of andere groene zone op onze ‘buiten’, maar veeleer in het midden van onze grootsteden. In onze tijd moeten wij ‘Galilea’ dus meer daar gaan zoeken.

Het is in ieder geval duidelijk dat Jezus niet kiest voor het harde, verstarde centrum van de godsdienst, waar de zuiveren menen de enige, echte doctrine te bezitten en door strakke instellingen hun macht laten gelden, maar dat Hij kiest voor een gebied van gewone, bescheiden mensen, die openstaan voor allerlei godsdienstige opvattingen. De tekens dat het Rijk Gods groeit – ‘ommekeer’, ‘genezing’, ‘bevrijding’ en ‘heil’ – worden zichtbaar, niet te midden van het enge joodse rigorisme, wel in het Galilea der heidenen, in het Galilea der vreemde volkeren.

Maar de uiteindelijke reden waarom Jezus deze keuze maakte lag dieper. Het was eigenlijk omwille van een andere visie over God. Voor Jezus is God niet de ongenaakbare, hoogheilige tempel-Jahweh, die de gewone mensen alleen maar zouden kunnen ontmoeten door Hem offers te brengen door bemiddeling van de priesters of door strikt te gehoorzamen aan de geboden van de schriftgeleerden. Voor Jezus is God de liefde die in het hart van elke mens aanwezig is, onmiddellijk bereikbaar, dus heel nabij. “Het Rijk van Gods liefde is in u!” De bekering die Jezus vraagt is een omschakeling van opvatting: durven geloven dat God geen dreigende of straffende heerser is die wij ontmoeten in een tempel, beheerd door eisende functionarissen van de religie; maar durven geloven in een God die ons in het gewone leven van elke dag graag ziet en die ons overal en rechtstreeks uitnodigt tot wederliefde. Juist om dit duidelijk te maken gebruikt Jezus voor God ook een nieuwe naam: niet “Jahweh”, maar “Vader”. Echt christendom zal daarom ook de mensen niet dwingen, maar hen steeds uitnodigen om het liefdesaanbod van God, die Vader is, te beantwoorden met wederliefde, dus in dankbaarheid en vanuit vrije wil.

In dezelfde lijn ligt Jezus’ keuze van zijn medewerkers, zijn eerste leerlingen. Het zijn geen godsdienstspecialisten of geleerden, maar gewone werkmensen, vissers. Het is geen kastegroep die macht uitoefent op anderen, maar het zijn eenvoudigen, die persoonlijk worden aangesproken om anderen te dienen. Hun voornaamste taak is niet te oordelen of een scheiding te maken tussen goeden en slechten, maar integendeel mensen te verenigen, allen zonder onderscheid te redden van zinloosheid en vervreemding. De goede boodschap die zij in Jezus’ naam zullen uitdragen is een boodschap die mensen losmaakt van alles wat hen tegen elkaar opzet en die oproept tot een bevrijdende verbondenheid en gemeenschap. “Als God ons aller Vader is, dan is onze levensopdracht broers en zussen te worden van elkaar!” Volgens de visie van Mattéüs vandaag maakte Jezus dus een bewuste keuze: tégen de machtstempel, vóór de volkskerk, tégen de elite-clerus, vóór de gewone mensen, tégen de eisende en straffende doctrine, vóór de bemoedigende en reddende boodschap, tegen de Jahwe van de wet, vóór de liefdevolle Vader, symbolisch samengevat: tégen Jeruzalem, vóór Galilea.

Drie jaar later zal ‘Jeruzalem’ Jezus toch in haar macht krijgen en Hem kruisigen. Maar daarop volgt de verrijzenis. En op die morgen luidt bij Matheüs de boodschap van de verrijzenisengel juist: “Ga naar Galilea, daar zult gij Hem levend zien!”

Het christelijk geloof zal, zoals vroeger in de geschiedenis, ook vandaag worden vernieuwd, niet vanuit Jeruzalem, wel vanuit Galilea, niet vanuit het centrum, wel vanuit de marge, van ergens aan de rand, dat juist de uitvalsbasis wordt voor de uitbreiding tot alle volkeren.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
spreek ook ons aan.
Schenk ons de bereidheid
U te volgen
waarheen Gij ons leiden wilt.
Dat wij mogen leven in U,
opdat Gij moogt leven in ons.
Amen.