Lezingen van de dag – zondag 22 oktober 2017


Heilige (of feest) van de dag

Paus Johannes Paulus II

Karol Józef Wojtyla (1920-2005), vanaf 1964 aartsbisschop van het Poolse Krakau, werd in 1978 tot paus verkozen; hij nam toen de naam Johannes Paulus II aan.

Karol Józef Wojtyla, sinds zijn verkiezing tot paus in 1978 bekend als Johannes Paulus II, werd op 18 mei 1920 geboren in Wadowice, een stadje op 50 kilometer van Krakau, Polen. Karol was de jongste van twee zonen die uit het huwelijk van Karol Wojtyla en Emilia Kaczorowska werden geboren. Zijn moeder overleed in 1929; zijn oudere broer, de arts Edmund, stierf in 1932 en zijn vader, een legerofficier, in 1941.

Na het afronden van zijn middelbare schoolopleiding in Wadowice, ging Karol in 1938 Poolse taal- en letterkunde studeren in Krakau. De Duitse bezettingsmacht sloot de universiteit een jaar later, in 1939. De jonge Karol moest gaan werken in een steengroeve (1940-1944) en later in de chemische fabriek Solvay. Alleen zo kon hij in zijn levensonderhoud voorzien en deportatie naar Duitsland voorkomen.

Ondanks het zware werk in de steengroeve zag Wojtyla nog kans om te studeren. In 1942 gaf hij gehoor aan zijn priesterroeping, en begon hij lessen te volgen aan het Seminarie van Krakau, dat ondergronds was gegaan. Wojtyla gaf blijk van grote energie door mede aan de wieg te staan van het ‘Rhapsodie Theater’, ook een ondergrondse aangelegenheid.

Na de Tweede Wereldoorlog vervolgde Karol zijn studies aan het officieel heropende grootseminarie van Krakau. Daarnaast werd hij student aan de theologische faculteit. Wojtyla werd Priester gewijd in Krakau op 1 november 1946.

Van 1946 tot 1948 verbleef Wojtyla in Rome, waar hij theologie en filosofie studeerde. Hij promoveerde in de theologie op een dissertatie over het geloof in de werken van Johannes van het Kruis.

In de jaren van zijn studie in Rome verzorgde Wojtyla tijdens zijn vakanties het pastoraat onder Poolse immigranten in Frankrijk, België en Nederland. Wojtyla beschreef zijn indrukken van deze landen in een document, beschikbaar in een Nederlandse vertaling in Word.

In 1948 keerde Wojtyla terug naar Polen waar hij in 1953 promoveerde in de filosofie. Daarna werd hij professor in de moraaltheologie en sociale ethiek aan het grootseminarie van Krakau en aan de theologische faculteit van Lublin.

Paus Pius XII benoemde Karol Wojtyla op 4 juni 1958 tot hulpbisschop van Krakau. De wijding vond plaats op 28 september 1958. Op 13 januari 1964 benoemde paus Paulus VI hem tot Aartsbisschop van Krakau. Dezelfde paus creëerde hem op 26 juni 1967 tot Kardinaal.

Wojtyla nam deel aan het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) en had een belangrijke bijdrage aan de totstandkoming van de pastorale constitutie Gaudium et spes, ‘over de kerk in de wereld van deze tijd’.

Op 16 oktober 1978 aanvaardde kardinaal Wojtyla zijn verkiezing tot paus. Onder de naam Johannes Paulus II werd hij de 263ste opvolger van Petrus. Wojtyla was de eerste niet-Italiaanse Paus in ruim 450 jaar, en tevens de eerste uit Polen afkomstige paus ooit. De plechtige inauguratie van Johannes Paulus II vond plaats op 22 oktober op het Sint-Pietersplein.

In januari 1979 ondernam Johannes Paulus II zijn eerste buitenlandse pastorale reis, naar Mexico. In juni datzelfde jaar bezocht hij zijn vaderland Polen en Ierland. In oktober 1979 reisde hij naar de Verenigde Staten. Weinigen konden toen bevroeden hoe ver en vaak Johannes Paulus II nog zou reizen.

Johannes Paulus II is sterk gevormd door de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, die hij deels zelf aan den lijve heeft ervaren. Hij heeeft altijd groot belang gehecht aan verzoening en vrede. Dat is onder meer tot uiting gekomen in de grote inspanningen die hij zich getroostte op het vlak van Oecumene en in de zogenaamde ‘Interreligieuze dialoog’: gesprekken met niet-christelijke godsdiensten.

Miljoenen kennen Johannes Paulus II als de paus die jongeren over de hele wereld vanaf 1985 met een nieuw geloofselan wist te bezielen middels de zogenaamde ‘Wereldjongerendagen’.

Johannes Paulus II heeft veertien encyclieken het licht laten zien. In deze documenten waarin de kerkelijke leer wordt uiteengezet, heeft hij volgens een duidelijk patroon gewerkt aan de beschrijving van het geloof op wezenlijke punten. Ook in apostolische brieven, exhortaties en andere documenten heeft paus Johannes Paulus II talrijke kwesties aan de orde gesteld. In Mulieris dignitatem bijvoorbeeld belicht hij de waardigheid van de vrouw. In Ordinatio sacerdotalis onderstreept hij dat de priesterwijding is voorbehouden aan mannen. In Familiaris consortio benadrukt de paus de centrale plaats van de christelijke familie in de moderne wereld. Reconciliatio et paenitentia bevat een pleidooi voor het sacrament van boete en verzoening. Van groot belang zijn verder het Wetboek van Canoniek Recht voor de Latijnse ritus (1983) en de Katechismus van de Katholieke Kerk, die in 1993 verscheen.

Johannes Paulus II heeft zich vanaf het begin van zijn pontificaat vasthoudend ingezet voor de mensenrechten en vrede tussen de volkeren. Een van de opvallendste successen die hij tot stand hielp brengen was de opkomst van de Solidariteitbeweging in Polen. Johannes Paulus heeft hierdoor, en door werkzame ‘stille’ diplomatie achter de schermen, uiteindelijk sterk kunnen bijdragen aan de ineenstorting van het communisme in zijn geboorteland en de rest van het Oostblok.

Johannes Paulus II gaf de eer voor zijn diplomatieke succesen aan de Heilige Maagd Maria, onder de titel Onze Lieve Vrouw van Fatima. Zij speelt een cruciale rol in zijn leven. In 1981 ontsnapte hij op wonderbaarlijke wijze aan de dood bij een moordaanslag, gepleegd op de verjaardag van de eerste Mariaverschijning in Fatima (13 mei 1917). Hij toonde Maria zijn dankbaarheid door op 13 mei 1982 naar Fatima te gaan en de wereld en Rusland toe te wijden aan het Onbevlekte Hart van Maria, precies zoals de Heilige Maagd in 1917 had gevraagd.

Johannes Paulus II heeft een hoge leeftijd bereikt, waarbij zijn gezondheidstoestand in zijn laatste levensjaren steeds verder verslechterde. Regelmatig werd er dan ook over gespeculeerd of hij vrijwillig zijn ambt zou neerleggen. Hij heeft dit niet gedaan. Mogelijk speelde de hieraan inherente praktische problemen een rol. Om te beginnen kan in principe nooit onomstotelijk worden vastgesteld dat een paus volledig zonder externe druk afstand doet van het pausschap, terwijl dit toch een conditio sine qua non is voor een geldige gang van zaken. Daarnaast brengt een teruggetreden paus een vrije keuze van zijn opvolger in gevaar. De kardinalen kunnen namelijk niet in alle vrijheid voor een eventuele ‘tegenhanger’ kiezen, wanneer de vorige paus zijn invloed, bewust of onbewust, nog doet gelden. En wat te denken van uitspraken, die een teruggetreden paus zou kunnen doen om zijn opvolger te bekritiseren of in verlegenheid te brengen? Waarschijnlijker is echter dat Johannes Paulus II is aangebleven omdat hij zich persoonlijk geroepen voelde om God, de Heilige Maagd Maria en de gelovigen tot aan zijn stervensuur te dienen, geheel overeenkomstig zijn lijfspreuk: ‘Totus Tuus’. Johannes Paulus II overleed in de avond van 2 april 2005.

29e zondag door het jaar – A


Uit de profeet Jesaja, 45, 1 + 4-6

Koning Cyrus trekt op naar Babylon, waar hij de gevangen Joden zal bevrijden. Zo zal zijn politieke aktie, zonder dat hij het zelf vermoedt, het plan dienen van God met zijn volk.

Dit zegt de Heer tegen Cyrus, zijn gezalfde, die Hij bij de rechterhand neemt, aan wie Hij volken onderwerpt, voor wie hij koningen ontwapent, voor wie Hij deuren opent – geen poort blijft gesloten:
‘Omwille van mijn dienaar Jakob, van Israël, dat Ik heb uitgekozen, heb Ik je bij je naam geroepen en je met een erenaam getooid, ofschoon je me niet kende. Ik ben de Heer, er is geen ander, buiten mij is er geen god. Ik heb je omgord met wapens, ofschoon je me niet kende. Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten mij. Ik ben de Heer, er is geen ander.’

 

Psalm 96, 1 + 3 + 4 + 5 + 7 + 8 + 9 + 10

Refr.: Groot is de Heer, Hem komt alle lof toe.

Zing voor de Heer een nieuw lied,
zing voor de Heer, heel de aarde.
Maak aan alle volken zijn majesteit bekend,
aan alle naties zijn wonderdaden.

Groot is de Heer, Hem komt alle lof toe,
geducht is Hij, meer dan alle goden.
De goden van de volken zijn minder dan niets,
maar de Heer: Hij heeft de hemel gemaakt.

Erken de Heer, stammen en volken,
erken de Heer, zijn majesteit en macht.
Erken de Heer, de majesteit van zijn naam,
draag geschenken zijn voorhoven binnen.

Buig u voor de Heer in zijn heilige glorie,
huiver, heel de aarde, als Hij verschijnt.
Zeg aan de volken: ‘De Heer is koning.
Vast staat de wereld, zij wankelt niet.
Hij oordeelt de volken naar recht en wet.’

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Tessalonicenzen 1, 1-5b

De christenen van Tessalonica hadden van meet af aan te lijden van de vele stadsgenoten die niet tot geloof gekomen waren. Daarom is Paulus hen dankbaar om hun geloof, liefde en hoop die zij in hun midden blijven dragen.

Van Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan de gemeente in Tessalonica, die toebehoort aan God, de Vader, en de Heer Jezus Christus. Genade zij u en vrede.
Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden en gedenken dan voor onze God en Vader hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van Jezus Christus, onze Heer.
God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat Hij u heeft uitgekozen: onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest.

 

Alleluia.

Gij schittert als sterren aan het heelal,
hou het woord van het leven vast.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 22, 15-21

Zal Jezus zich door het Romeinse gezag laten brandmerken als revolutionair, of zal Hij zich door zijn landgenoten laten veroordelen als colleborateur? Het probleem is te eng voor degene die van boven komt. De staat, zo antwoordt Hij, kan de mens zijn geld en zijn diensten eisen, maar enkel God kan de totale inzet vragen van zijn persoon.

De Farizeeën trokken zich terug om zich erop te beraden hoe ze Jezus met een uitspraak in de val konden lokken.
Ze stuurden enkele van hun leerlingen samen met een aantal Herodianen naar Hem toe, met de vraag: ‘Meester, wij weten dat U oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat U zich aan niemand iets gelegen laat liggen, U kijkt immers niemand naar de ogen. Zeg ons daarom wat U vindt: is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?’
Maar Jezus had hun boze opzet door en zei: ‘Waarom stelt u me op de proef, huichelaars? Laat me de belastingmunt zien.’
Ze reikten Hem een denarie aan.
Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’
Ze antwoordden: ‘Van de keizer.’
Daarop zei Hij tegen hen: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’

Van Woord naar leven

De overweging van deze zondag is van de hand van Frans Mistiaen, s.j.

Wel of geen belasting betalen aan de Romeinse keizer, die Palestina bezet hield, dat was niet alleen een politiek probleem waarover de Joden het onder elkaar oneens waren, maar het was ook een religieus probleem. Want de belasting moest uitsluitend met Romeinse munten worden betaald, waarop stond geschreven: “Van Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus”. Een Romeinse munt aanraken, betekende voor de strikt gelovige joden dan ook zoveel als een godslastering.
Jezus staat voor een dilemma: Hij kan niet antwoorden dat men geen belasting moet betalen aan de keizer, want dan zouden de partijgangers van de Herodes (Herodianen), die de Romeinen steunden, Hem zeker beschuldigen van opstandigheid tegen het wettelijk gezag. Antwoordt Hij dat men wel belasting moet betalen, dan zou de andere strekking nl. de strenge farizeeërs Hem zeker verwijten geen echte jood te zijn, maar de Romeinse keizer in plaats van Jahweh als god te erkennen.

Jezus kan het niet nalaten toch eerst even hun huichelarij te ontmaskeren. Hij vraagt hun de belastingsmunt te zien. Met tegenzin moeten zijn aanvallers toegeven dat zij die verfoeide Romeinse munt wél in hun beurs dragen en blijkbaar dus toch gebruiken en aanraken.

Maar dan dient Hij hun ook van antwoord. “Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt, maar geef aan God wat aan God toekomt!” Wij vragen ons natuurlijk af: “Wat komt er dan wel aan God toe?”

Jezus nodigt ons uit zijn redenering te vervolledigen: “Wat het beeld van de keizer draagt, komt toe aan de keizer”. Wij mogen dus vervolledigen: “Aan God komt toe wat het beeld van God draagt”. Welnu wie of wat draagt het beeld van God? Dat is de mens zelf, die geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. Wat behoort dus uiteindelijk nooit toe aan de keizer, aan de staat of aan de politieke machten? De kern van de mens, die van God is, zijn diepste wezen zelf, zijn vrijheid, zijn unieke persoon, zijn beminnenswaardigheid, zijn eeuwigheidsdrang. Daarover heeft geen enkele menselijke organisatie macht. Jezus zegt dus dat het gezag van God uiteindelijk boven de politieke machten staat, als die het wezen van de mens zouden willen verknechten. Een politieke structuur is nooit absoluut, maar steeds relatief dwz. aanvaardbaar in zoverre zij de kern van de mens dient, de mens respecteert als unieke persoon en als kind van God.

Hiermee wordt dus helemaal niet gezegd dat geloof en politiek totaal gescheiden zijn van elkaar. Het is niet zo dat een deel van de mens – vb. zijn openbaar leven – aan de staat zou toebehoren en een ander deel – vb. zijn privé-leven – aan God, als twee gescheiden domeinen zonder invloed op elkaar. Het evangelie moet integendeel invloed hebben op de concrete organisatie van onze maatschappij. De christen wordt juist vanuit het evangelie opgeroepen om als gelovige mee te werken aan de opbouw van een meer menswaardige samenleving. Het evangelie zegt ons niet concreet welke concrete politieke structuren nu de beste zijn voor een land, een streek of voor de wereld in onze tijd. Jezus’ woord vandaag biedt ons alleen een waarschuwing voor elke machthebber, groot of klein: politieke macht is enkel verantwoord als zij ten dienste staat van de menselijke waardigheid. Boven elke maatschappelijke ordening staat het Rijk van Gods liefde die de unieke persoon van elke mens respecteert.

Op elk muntstuk staat een beeltenis geprent. Wij vragen ons vandaag af: “Wiens beeld of opschrift dragen wij uiteindelijk in ons binnenste mee? Aan wie behoort onze diepste persoonlijkheid toe? Behoren wij toe aan één of andere afgod, een verslavende macht? Of behoren wij werkelijk toe aan de God van de liefde?”

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
Gij alleen zijt de Heer en niemand anders. Help ons oprechte christenen te zijn: dat wij niet offeren aan geld of goed, dat macht een aanzien ons hart niet maken tot een steen. Maak dat wij de blik op Hem gevestigd houden die ons van U het levend beeld gegeven heeft: Jezus Christus, uw Zoon, onze broeder en Heer.
Amen.