Lezingen van de dag – zondag 25 maart 2018


Heilige (of feest) van de dag

Palmzondag

Begin van de Goede Week

Palmzondag of Palmpasen, is de laatste zondag vóór Pasen en de start van de Goede Week. Het is een ‘uitbundig feest’ en staat als zodanig in schril contrast met Witte Donderdag en Goede Vrijdag, die dagen van rouw zijn. Palmzondag vormt ook een voorbode van wat straks met Pasen komen gaat.

De vier evangelisten getuigen hoe Jezus in Jeruzalem, de beloofde stad van God, als een koning werd ingehaald. Maar dan wel als een ongewone koning: gezeten op een ezeltje en zonder leger, een koning van de gewone mensen, die dan ook in groten getale uitliepen. Ze zwaaiden met palmtakken, riepen: ‘Hosanna!’ en legden kleren en doeken op de weg, als een loper voor Hem uit.

Uit het feit dat alle vier de evangelisten over deze intocht schrijven, kan in ieder geval geconcludeerd worden dat ze het als een heel belangrijke gebeurtenis hebben ervaren. Als herinnering daaraan worden in de kerkdienst buxustakjes gezegend en aan de kerkgangers uitgedeeld. Die kunnen ze mee naar huis nemen om het te bewaren achter het kruisbeeld. Bijna een jaar later, op Aswoensdag, worden de takjes weer meegenomen naar de kerk. Daar worden ze verbrand en de as daarvan wordt gebruikt voor het askruisje. Zo wordt het jaar ‘rond’ gemaakt.

Palmzondag – B

Passie van de Heer


Uit het evangelie volgens Marcus 11, 1-10

Marcus beschrijft de manifestatie buiten de stad, ‘dicht bij de Olijfberg’, als een tragisch misverstand. De menigte gelooft in de nakende komst van het Rijk van hun vader David, en Jezus trekt eenzaam voorbij tussen de zijnen.

Toen ze Jeruzalem naderden en in de buurt waren van Betfage en Betanië bij de Olijfberg, stuurde Hij twee van zijn leerlingen vooruit.
Hij zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra jullie er binnenkomen, zul je daar een ezelsveulen vastgebonden zien staan, dat nog nooit door iemand bereden is; maak het los en breng het hier. En als iemand jullie vraagt waarom jullie dat doen, zeg dan: “De Heer heeft het nodig, Hij zal het meteen weer terugsturen.”’
Ze gingen op weg en vonden een veulen dat buiten op straat bij een deur was vastgebonden en ze maakten het los. Er stonden een paar mensen die vroegen: ‘Waarom maken jullie dat veulen los?’ Ze zeiden wat Jezus hun had opgedragen te zeggen en de mensen lieten hen begaan.
Ze brachten het veulen naar Jezus en legden hun mantels op het dier en Hij ging erop zitten.
Velen spreidden hun mantels uit op de weg, anderen spreidden takken met bladeren uit, die ze in het veld afhakten. Allen die voor Hem uit liepen of achter Hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David. Hosanna in de hemel!’

 

 

Uit de profeet Jesaja 50, 4-7

In het zogenaamde ‘derde lied van de knecht van God’ drukt Jesaja er zijn vertrouwen in God uit. Hij plaatst er de standvastigheid van de dienaar in het volle licht. Hij steunt hiertoe op God, wiens ijverige leerling hij is. Deze lezing krijgt haar volle betekenis wanneer men het lijdensverhaal van Christus tot zich neemt.

God, de Heer, gaf mij een vaardige tong, waarmee ik de moedeloze kan opbeuren.
Elke ochtend wekt Hij mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen. God, de Heer, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd.
Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars, wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan. Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze mij beschimpten en bespuwden.
God, de Heer, zal mij helpen, daarom word ik niet gekwetst en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots, want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.

 

Psalm 22, 8-9 + 17-18a + 19-20 + 23-24

R.: Mijn God, mijn God, waarom verlaat U mij ?

Allen die mij zien, bespotten mij,
ze schudden meewarig het hoofd:
‘Wend je tot de Heer! Laat Hij je verlossen,
laat Hij je bevrijden, Hij houdt toch van je?’

Honden staan om mij heen,
een woeste bende sluit mij in,
zij hebben mijn handen en voeten doorboord.

Ik kan al mijn beenderen tellen.
Ze verdelen mijn kleren onder elkaar
en werpen het lot om mijn mantel.

Heer, houd U niet ver van mij,
mijn sterkte, snel mij te hulp.
Ik zal uw naam bekendmaken,
U loven in de kring van mijn volk.

Loof Hem, allen die de Heer vrezen,
breng Hem eer, kinderen van Jakob,
wees beducht voor Hem, volk van Israël.

 

Uit de brief van Paulus aan de Filippenzen 2, 6-11

Deze oudchristelijke hymne verwoordt goed de dubbele beweging van Christus’ Paastocht. Aan zijn vernedering op het kruis, zo gewild door de Dienaar van God, beantwoordt zijn verheffing in heerlijkheid.
Deze geloofsbelijdenis in de goddelijkheid van de Heer moet ons voor ogen blijven gedurende heel de lezing van het lijdensverhaal.

Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 15, 1-39

Het Passieverhaal van Marcus is het verhaal van een ooggetuige. Hij schrikt er niet voor terug de mensen te schokken. Hij benadrukt Jezus’ angst, de wreedheid van zijn proces en zijn totale verlatenheid op het kruis. In deze afgrondelijke eenzaamheid daagt plots het licht uit de duisternis. Een heidens honderdman belijdt zijn geloof in de Zoon van God. Een stenen Tempel wordt vervangen door een Tempel ‘die niet door mensenhanden is gemaakt’.

’s Ochtends in alle vroegte kwamen de hogepriesters, de oudsten en de schriftgeleerden en het hele Sanhedrin in vergadering bijeen. Na Jezus geboeid te hebben, brachten ze Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.
Pilatus vroeg hem: ‘Bent U de koning van de Joden?’
Hij antwoordde: ‘U zegt het.’
De hogepriesters brachten allerlei beschuldigingen tegen Hem in. Pilatus vroeg Hem toen: ‘Waarom antwoordt U niet? U hoort toch waar ze U allemaal van beschuldigen?’ Maar Jezus zei helemaal niets meer, tot verwondering van Pilatus.
Pilatus had de gewoonte om op elk pesachfeest één gevangene vrij te laten op verzoek van het volk. Op dat moment zat er een zekere Barabbas gevangen, samen met de andere opstandelingen die tijdens het oproer hadden gemoord. Een grote groep mensen trok naar Pilatus en begon hem te vragen om ook nu te doen wat zijn gewoonte was.
Pilatus vroeg hun: ‘Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ Want hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd. Maar de hogepriesters hitsten de menigte op om te zeggen dat hij Barabbas moest vrijlaten.
Toen zei Pilatus tegen hen: ‘Wat wilt u dan dat ik doe met die man die u de koning van de Joden noemt?’ En ze begonnen weer te schreeuwen. ‘Kruisig Hem!’ riepen ze.
Pilatus vroeg: ‘Wat heeft Hij dan misdaan?’
Maar ze schreeuwden nog harder: ‘Kruisig Hem!’
Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij. Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij Hem eerst nog had laten geselen.

De soldaten leidden Hem weg, het paleis (dat wil zeggen het pretorium) in, en riepen de hele cohort bijeen.
Ze trokken Hem een purperen gewaad aan, vlochten een kroon van doorntakken en zetten Hem die op. Daarna brachten ze Hem hulde met de woorden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’
Ze sloegen hem met een rietstok tegen het hoofd en bespuwden Hem, en bogen onderdanig voor Hem.
Nadat ze Hem zo hadden bespot, trokken ze Hem het purperen gewaad uit en deden Hem zijn kleren weer aan.
Toen brachten ze Hem naar buiten om Hem te kruisigen.
Ze dwongen een voorbijganger die net de stad binnenkwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, om het kruis te dragen.
Ze brachten Hem naar Golgota, wat in onze taal ‘schedelplaats’ betekent.
Ze wilden Hem met mirre vermengde wijn geven, maar Hij nam die niet aan.
Ze kruisigden Hem en verdeelden zijn kleren onder elkaar; ze dobbelden erom wie wat zou krijgen.
Het was in het derde uur na zonsopgang toen ze Hem kruisigden.
Het opschrift met de aanklacht tegen Hem luidde: ‘De koning van de Joden’.
Samen met Hem kruisigden ze twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links.
De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met Hem: ‘Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red jezelf toch door van het kruis af te komen.’
Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden maakten onder elkaar zulke spottende opmerkingen: ‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet; laat die Messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!’
Ook de twee andere gekruisigden beschimpten Hem.

Op het middaguur viel er een duisternis over het hele land, die drie uur aanhield.
Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’, wat in onze taal betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hoor, hij roept Elia!’
Iemand ging snel een spons halen, doordrenkte die met zure wijn, stak de spons op een stok en probeerde Hem te laten drinken, terwijl hij zei: ‘Laten we eens kijken of Elia komt om hem eraf te halen.’
Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit.
En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën.
Toen de centurio, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.’

Van Woord naar leven

Vandaag, op Palmzondag, lazen we het hele passieverhaal van Jezus. We hoorden hoe Hij waardig zijn geest gaf als Koning. Uit liefde voor ieder van ons is Hij deze weg gegaan. Al wat wij dragen van kwaad nam Hij daar op het kruis in zich op, om door dit totale offer ons de volle redding te schenken met Pasen.

Maar voor dit gebeuren zich voltrok, leidde Hem een kleine ezel naar Jeruzalem, de stad waar het offer zich zal voltrekken.
Men rolde mooie stoffen voor Hem uit, men juichte Hem toe met zang en groene takken.
Het moet Hem zeker hebben ontroerd.
Maar… Hij weende ook. Hij wist immers hoe weinig er Hem écht zouden volgen op zijn liefdesweg.

Waar waren al deze mensen wanneer Hij daar hing op het kruis …

Waar staan wij in het passieverhaal ?
Zijn wij bereid met Hem mee te gaan ?

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede Heer,
mogen wij uw ezeltje zijn ?
Het zou een hele eer zijn
U te mogen dragen naar Jeruzalem,
naar de plaats van het grote offer,
de plek waar God in U
de mensheid zal optillen
tot ware paasmensen.
Heer,
mogen wij uw ezeltje zijn …
Amen.