Lezingen van de dag – zondag 3 december 2017


Heilige (of feest) van de dag

Franciscus Xaverius († 1552)

Franciscus Xaverius (eigenlijk Francisco de Yasu y Javier) sj, Sancian, Zuid-Oost-Azië; missionaris

Hij werd op 7 april 1506 geboren op het landgoed Javier in Navarra, Baskenland, Noord-Spanje. Hij studeerde te Parijs met een glanzende carrière in het vooruitzicht. Maar een ontmoeting met zijn landgenoot Iñigo (Ignatius) van Loyola zou van beslissende betekenis worden voor zijn leven. Deze Ignatius probeerde Franciscus over te halen tot zijn ideaal om ‘de zielen te helpen’, mensen in hun geloof en gebed te begeleiden en gelukkig te maken door aandacht te besteden aan Gods werk in ieders persoon. Met grote moeite liet Franciscus zich hiervoor winnen. Tezamen met nog acht anderen legden Ignatius en hij in 1534 de geloften af dat ze hun verdere leven enkel en alleen in dienst van God zouden stellen. Dat gebeurde in het kapelletje van Montmartre, dat destijds even buiten Parijs lag.

Meteen daarna ging Franciscus theologie studeren. De tien vrienden in de Heer hielden contact, ook al raakten ze verspreid over het toenmalige Europa. Ze ontmoetten elkaar in Venetië met de bedoeling samen naar het Heilige Land te gaan, om daar in de voetstappen van Jezus te treden. In die tijd ontving Franciscus de priesterwijding, 1537. Toen hun plannen werden gedwarsboomd door een oorlog tussen Turkije en Venetië, besloten ze naar hun diensten aan te bieden aan de paus in Rome. In 1540 kregen ze officieel toestemming van paus Paulus III († 1549) om een religieuze orde op te richten: de Sociëteit van Jezus (‘jezuïeten’). Op aanvraag van de koning van Portugal werd Franciscus in 1541 naar de nieuwe missiegebieden van Achter-Azië gezonden.

Vanaf dat moment begon er een rusteloos leven van reizen en trekken. Het doet sterk denken aan Paulus, de grote apostel uit de eerste eeuw van het christendom († ca 67; feest 29 juni). Franciscus legde zelfs een beduidend langere afstand af dan de Apostel. Achtereenvolgens zou hij verkondigend en dopend door India trekken (1542-1544), de Molukken (1544-1547) en Japan (1548-1551).

Eerst zette hij vanuit Goa in India koers naar de oostkust dwars door het vasteland. In het voorbijgaan bezocht hij te Madras het graf van de apostel Thomas († 1e eeuw; feest 3 juli). Vandaar zette hij koers naar Malakka, deed de Molukken aan, Ambon waar al christenen woonden en Ternate, nog volledig onbekend met de christelijke godsdienst. Hij deed zelfs Molotai aan, een eiland dat bekend staat om zijn koppensnellers. Overal probeerde hij met behulp van tolken mensen tot het christelijk geloof te bewegen. Als hij ook maar enigszins meende dat zij het doopsel waardig waren, diende hij het toe. Hij werd daarbij tot heilige ijver gedreven door zijn overtuiging dat ongedoopten in het hiernamaals voorgoed verloren zouden gaan, een opvatting die toen heel gewoon was en algemeen verspreid.
Franciscus was gegrepen door de persoon van Jezus en de liefde van zijn Vader. Met zijn vurig Baskisch temperament leefde hij voor het evangelie.
Ruim een jaar na zijn aankomst in zijn missiegebied schreef hij in volkomen eenzaamheid vanuit een gehucht op 800 kilometer afstand van zijn standplaats Goa, India:

“Menigten van mensen komen hier niet in contact met Christus om de eenvoudige reden dat er niemand klaar staat voor de heilige taak om hen erover te vertellen. Vaak heb ik gepopeld van verlangen om de Europese universiteiten binnen te rennen, vooral de Sorbonne in Parijs, en daar als een uitzinnige te keer te gaan tegen degenen die meer geleerdheid bezitten dan de bereidwilligheid om er goed gebruik van te maken. Ik zou hun aan het verstand willen brengen hoeveel mensen van de hemel niet weten en ongelukkig blijven door hun nalatigheid.”

Franciscus gaat er zonder meer vanuit dat het Evangelie als enige de weg wijst naar het werkelijke geluk: de inwendige wetenschap door God zomaar bemind te zijn en van daaruit je leven te in te richten.

“Zij zouden niet alleen de wetenschappen moeten bestuderen, maar ook voor ogen moeten houden met welke bedoeling God hun deze talenten heeft geschonken. Dan zouden zij zich vast en zeker veel meer toeleggen op hun gebedsleven; zij zouden God van meer nabij leren kennen en een plaats geven in hun leven; zij zouden alle neigingen in hun leven afwegen en het goede weten te kiezen, en zij zouden roepen: ‘Heer, hier ben ik. Wat wilt u dat ik doe? Stuur mij maar overal naar toe waar u wilt, al was het naar Indië!’ Met hoeveel meer vreugde in hun hart zouden zij dan leven…”
Deze vertaling is een bewerking van een tekst zoals afgedrukt in James Brodrick s.j. ‘De Heilige Franciscus Xaverius 1506-1552’ Utrecht, De Fontein, 1953 (Ned. vert. van J. Duprés) p.106-107.

Na de ontmoeting met een bekeerde Japanner ging hij naar Japan en probeerde door te dringen tot de keizer. Dat lukte pas na vele vergeefse pogingen en vergeefse pogingen, en dan alleen nog maar nadat ze zich hadden uitgedost in de kleding van westerse hoogmogendheden, compleet met dure relatiegeschenken, zoals klokken, muziekdoosjes, spiegels, kristal, kostbare kleding en wijn. De keizer gaf toestemming om het christelijk geloof te verkondigen. Hij voegde eraan toe dat het ieder in zijn rijk vrij stond dat geloof inderdaad te kiezen, wanneer men van mening mocht zijn dat men er gelukkiger van werd.
De prediking en organisatie ter plaatse liet Franciscus vervolgens over aan medejezuïeten. Zelf verlangde hij ernaar het ‘magische’ China te bereiken, het toenmalige culturele centrum van heel Achter-Azië. Hij was ervan overtuigd dat alle omringende culturen mee zouden gaan, als China voor het christendom kon worden gewonnen.
Om zich op dit alles voor te bereiden ging hij eerst terug naar Goa. Onmiddellijk daarop waagde hij de sprong. Op een onooglijk eilandje voor de Chinese kust werd hij ziek en stierf.

Zijn relieken rusten sinds 1554 in Goa (India). Een deel van zijn rechterarm werd in 1615 overgebracht naar de Gesùkerk te Rome. Tezamen met Ignatius werd hij in 1622 heilig verklaard. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne missie en wordt dan ook vereerd als patroonheilige van de missies, met name van de buitenlandse katholieke missies (sinds 1927) en van de voortplanting van het geloof.

Daarnaast is hij patroon van het Verre Oosten, en in het bijzonder van Goa, India (sinds 1748), Macau en Pakistan; van Portugal; in Italië: van Bastia, Bologna, Cremona, Parma en Piacenza;; en in Spanje van Navarra en Pamplona. Bovendien is hij beschermheilige van jezuïeten, van zeelieden in het Verre Oosten; zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen de pest; tegen hagel en storm en voor een goede reis overzee.

1e zondag van de advent – B


God is op weg naar ons toe. In Jezus, zijn geliefde Zoon, is Hij ons steeds nabij geweest. En toch is Gods droom met de mensen nog niet ten volle gerealiseerd. God heeft mensen nodig. Wij weten maar al te goed dat Hij geschiedenis maakt en dat Hij grote dingen doet met een handjevol knoeiers, met mensen die op Hem hun hoop hebben gevestigd. De liturgie van deze eerste zondag van de advent spoort ons aan te vertrouwen op God, waakzaam te zijn en trouw in het beheer van wat God ons heeft toevertrouwd.


Uit de profeet Jesaja 63, 16b-17 + 19b + 64, 3b-7

Door de komst van Jezus heeft God reeds de hemel opengescheurd en de aarde bezocht. En toch, bij iedere generatie opnieuw treft de Vader zijn kinderen aan, ingeslapen, ongevoelig en zelfs verhard in de zonde. Ieder jaar opnieuw heeft de Kerk daarom de zending onze hoop te vernieuwen, ons terug op weg te zetten, want de Heer zal wederkomen. Aan het eindpunt van onze weg zal de definitieve ontmoeting plaats hebben tussen God en zijn volk, het werk van zijn handen.

U, Heer, bent onze Vader, van oudsher heet U Onze beschermer. Waarom, Heer, liet U ons afdwalen van uw wegen? Waarom hebt U ons onbuigzaam gemaakt, zodat wij geen ontzag meer voor u hadden? Keer toch terug, omwille van uw dienaren, van de stammen die U toebehoren. Scheurde U maar de hemel open om af te dalen! De bergen zouden voor U beven.
Geen oog zag ooit een god buiten U, die opkomt voor wie op hem wacht. U komt ieder tegemoet die van harte rechtvaardig handelt, die uw weg gaat, met U voor ogen.
Maar nu bent U in toorn ontstoken, omdat wij gezondigd hebben. Hadden we maar de oude weg gevolgd, dan zouden we worden gered.
Wij allen zijn onrein geworden, onze gerechtigheid is als het kleed van een menstruerende vrouw. Wij allen zijn als verwelkte bladeren, verwaaid op de wind van ons wangedrag.
Er is niemand die uw Naam aanroept, die zich ertoe zet uw hand te grijpen. U hebt uw gelaat voor ons verborgen, U hebt ons moedeloos gemaakt en ons overgeleverd aan ons eigen wangedrag.
Toch, Heer, bent U onze Vader, wij zijn de klei, door U gevormd, wij zijn het werk van uw handen.

 

Psalm 80, 2 + 3 + 15 + 16 + 18 + 19

Refr.: Heer, laat uw kracht ontwaken.

Hoor ons, herder van Israël,
die Jozef leidt als een kudde.
U die troont op de cherubs, verschijn in luister
aan Efraïm, Benjamin en Manasse.
Laat uw kracht ontwaken, kom, en red ons.

God van de hemelse machten, keer U tot ons,
kijk neer uit de hemel en zie,
bekommer U om deze wijnstok,
de stek die uw hand heeft geplant,
het kind dat U zelf hebt grootgebracht.

Leg uw hand op uw beschermeling,
het mensenkind dat u hebt grootgebracht.
Dan zullen wij niet van U wijken.
Laat ons leven, en wij roepen uw Naam.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 1, 3-9

Paulus zegt God dank voor de gaven die ons in Christus Jezus zijn geschonken: het Woord en de kennis van God. Niets ontbreekt ons nog om vurig uit te zien naar de wederkomst van de Heer. God zelf houdt in ons die verwachting levend. Hij is getrouw.

Broeders en zusters,
genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.
Ik dank mijn God altijd voor u, omdat Hij u in Christus Jezus zijn genade heeft geschonken. Door Hem bent u in elk opzicht rijk geworden. Alles wat u zegt en al uw kennis bewijst dat het getuigenis over Christus bij u verankerd is, en hierdoor ontbreekt het u terwijl u op de komst van onze Heer Jezus Christus wacht, aan geen enkele gave van de Geest.
Hij is het ook die u tot het einde toe de zekerheid geeft dat u geen blaam zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus.
God, door wie u geroepen bent om één te zijn met zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer, is trouw.

 

Alleluia.

Laat ons uw barmhartigheid zien,
geef ons uw heil, o Heer.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 13, 33-37

De nacht is de wereld waarin we leven. De bewakers van het huis zijn de christenen. De Heer van het huis is Christus. Hij staat altijd op het punt terug te keren; het ogenblik kennen we niet. Dit mag echter geen reden zijn tot vastgeroeste loomheid. Integendeel, het feit dat Hij ieder ogenblik kan terugkeren, geeft aan ieder moment zijn eeuwigheidswaarde.

Jezus zei tot zijn leerlingen:
‘Pas op, wees waakzaam, want jullie weten niet wanneer die tijd zal komen. Het is als met een man die op reis ging: hij verliet zijn huis en droeg het beheer over aan zijn dienaren, die elk een eigen taak kregen, en de deurwachter gaf hij opdracht om de wacht te houden.
Wees dus waakzaam, want jullie weten niet wanneer de heer des huizes komt, ‘s avonds, of midden in de nacht, of bij het eerste hanengekraai, of ‘s morgens vroeg. Laat hij jullie niet slapend aantreffen wanneer hij plotseling komt.
Wat Ik tegen jullie zeg, zeg Ik tegen iedereen: wees waakzaam!’

 

Van Woord naar leven

Voila, we zijn vertrokken. Advent 2017. Op naar Kerstmis.

Een mooie tijd die advent. Een tijd van intense voorbereiding op de komst van Christus. Laten we deze tijd zinvol benutten, met de diepe eerlijke intentie te groeien in ons christen-zijn.
Moge de heilige Geest ons daarbij tot hulp zijn.

Vandaag roept het evangelie op tot waakzaamheid.
In het woordje ‘waakzaamheid’ horen we het woord ‘wakker’. Advent heeft in wezen dan ook te maken met ‘wakker worden’. Want het is gewoon een feit – laat ons eerlijk zijn – dat we dikwijls nogal slapend door het leven gaan. We laten ons leven, en wat op ons afkomt bepaalt dikwijls onze gang van zaken. Doorgaans zijn dat dingen die ons blind maken voor het wezenlijke, dingen aan de oppervlakte, heel dikwijls onbelangrijke dingen, terwijl ze toch een grote inpakt hebben op ons bestaan.

Evangelische waakzaamheid vraagt waakzaam-zijn voor Christus in ons leven, voor zijn uitnodiging Hem te volgen. Het is wakker zijn of worden voor Gods liefde, zowel de liefde die Hij in ons hart legt alsook de liefde waarvoor Hij uitnodigt.

Je kunt maar echt wakker zijn wanneer je goed uitgeslapen bent. Dus: goed slapen is de boodschap. Veel mensen ‘zondigen’ daar tegen. Ik ook hoor. Maar da’s eigenlijk niet goed. Een mens moet voldoende nachtrust hebben om te kunnen liefhebben. Jezelf voorbij lopen heeft geen enkel zin. Dat wreekt zich op een bepaald moment en daar heeft niemand iets aan.

Evangelische waakzaamheid gaat natuurlijk veel dieper dan het hebben over een goede nachtrust. Het gaat vooral over een geestelijke alertheid, een voortdurend attent zijn voor de liefde Gods.
Waar komt Hij naar me toe ?
Waar spreekt Hij me aan ?
Hoe spreekt Hij me aan ?
Door wie of wat spreekt Hij me aan ?

En …
ben ik bereid in te gaan op zijn uitnodiging ?
Kies ik werkelijk voor Hem ?
Ben ik beschikbaar voor Hem ?

Lieve mensen, we krijgen weer een prachtige periode voorgeschoteld om aan onszelf te werken.
Laten we deze advent zinvol doorgaan.
Laat ons afstand nemen van al die dingen die een belemmering vormen werkelijk waakzaam te zijn voor het langskomen van God.

Laat ons arm worden, evangelisch arm, arm van geest.

Een gezegende adventstijd voor ieder van u !

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Moeder Maria,
graag wijden we deze adventsperiode toe aan U. Neem ons bij de hand en breng ons in de genade van de Heer, in de wil van de Vader, in de liefde van de heilige Geest. Wil met ons en voor ons bidden, opdat we waakzame mensen mogen worden, wakker voor Gods liefde in ons leven.
Maria, bid voor ons. Amen.

Ps.: Maria, we zien je zo graag !!