Lezingen van de dag – zondag 5 november 2017


Heilige (of feest) van de dag

Odrada van Alem († 8e eeuw)

Odrada van Alem, Kempen, België; maagd

Zij werd als adellijk meisje geboren te Scheps aan de Nete, vlakbij Balen, België. Zij wilde haar leven geheel aan God toewijden. Toen na de dood van haar moeder een stiefmoeder in huis kwam, ontstonden tussen haar en Odrada steeds meer wrijvingen.

Zo wil het verhaal dat zij eens het feest van de kerkwijding wilde bijwonen te Millegem. Haar vader en stiefmoeder gingen ook, zodat er voor haar geen rijdier was. “Probeer maar één van de wilde paarden uit het bos te pakken te krijgen en te temmen”, was het hatelijke commentaar van haar stiefmoeder. Zij maakte daarop een kruis van wilgentakken (volgens sommige versies van het verhaal waren het lindetakken). Met dat teken voor zich uit geheven stapte ze op de aanstormende dieren toe. Ze kwamen tot stilstand. Een schimmel maakte zich los uit de groep, naderde Odrada voorzichtig en knielde voor haar neer. Ze besteeg het dier en kwam nog op tijd voor de kerkwijding te Millegem. Daar stak ze de wilgentakken in de grond, waarop ter plekke een bron ontsprong. De takken groeiden uit tot een opvallende boom.

Dit alles verbeterde de verhouding tussen haar en haar stiefmoeder niet. Zij verkommerde, kwijnde weg en stierf op jeugdige leeftijd: † 8e eeuw.
Aan haar vader had ze vlak voor haar dood gevraagd haar lichaam op te baren in een holle boomstam, deze op een kar te leggen, met een span ossen ervoor, en het aan de dieren over te laten, waar zij heen zouden gaan. Op de plek waar zij halt zouden houden, wenste zij begraven te worden. Pas in het Brabantse plaatsje Alem aan de Maas stonden ze stil. Haar vader liet er voor haar een basiliek bouwen.

31e zondag door het jaar – A

Bij uitzondering wordt vandaag enkel het evangelie van deze zondag weergegeven.

De andere lezingen zijn:

Mal. 1, 14b – 2, 2b.8-10
1 Tess. 2, 7b-9.13

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 23, 1-12

‘Ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden.’

Jezus richtte zich tot de menigte en tot zijn leerlingen en zei:
“De Schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden. Ze bundelen alle voorschriften tot een zware last en leggen die de mensen op de schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten. Al hun daden zijn erop gericht om door de mensen gezien te worden. Ze verbreden immers hun gebedsriemen en maken de kwastjes aan hun kleren langer, ze verlangen een ereplaats bij feestmaaltijden en in synagogen, en hechten eraan op het marktplein eerbiedig te worden begroet en door de mensen rabbi te worden genoemd.
Jullie moeten je niet rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één meester, en jullie zijn elkaars broeders en zusters. En noem niemand op aarde vader, want jullie hebben maar één vader, de Vader in de hemel. Laat je ook niet leraar noemen, want jullie hebben maar één leraar, de Messias.
De belangrijkste onder jullie zal jullie dienaar zijn. Wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd.”

Van Woord naar leven

De overweging van deze zondag is van de hand van Frans Mistiaen, s.j.

Zoals overal waren er ook tussen de farizeeërs van Jezus’ tijd goeden en slechten. De meesten waren Bijbelspecialisten, die het heel goed meenden, die dicht bij het volk stonden en probeerden de mensen te helpen hoe zij de strenge joodse wet in het concrete leven konden toepassen. Maar er waren natuurlijk ook slechte farizeeërs. Zij die de neiging hadden vooral eer te halen bij de mensen, gebrand waren op uiterlijke onderscheidingstekens en de hoogste volmaaktheid eisten van iedereen, zodat hun woorden totaal hypocriet overkwamen.
“Farizeeër zijn” kreeg de betekenis van “eerzuchtig en onecht zijn”. En dat kan het fundamentele gebrek worden van iemand die gezag uitoefent. Dat kan zelfs de “beroepsziekte” worden van een hele groep die verantwoordelijkheid draagt, ook binnen de Kerk. Daartegen richt zich vandaag de kritiek van het evangelie. “Hoed u voor de ‘christelijke’ farizeeërs tussen de voorgangers,  de gezagsdragers en de verantwoordelijken binnen de Kerk!”

Soms hebben wij toch nog de indruk dat ons kerkinstituut juist doet wat het evangelie bekritiseert. Merkwaardig hoe sommigen nu durven beweren: “Weet ge, de eenvoudige gelovigen hebben in feite nood aan verantwoordelijken die bekleed zijn met pracht en praal, onveranderlijke uitspraken doen en vaste tradities verdedigen.” Dit  is helemaal niet de visie van christenen die zich vandaag medeverantwoordelijk voelen voor de Kerk. Er zijn in de loop der geschiedenis regelmatig van onderuit stromingen ontstaan, waarbij charismatische profeten opriepen tot grotere echtheid, eenvoud en gelijkheid: Franciscus van Assisi  o.a., en meer recent een Broeder Roger van Taizé misschien of paus Franciscus. En, gezien in het geheel van die geschiedenis, – vergeleken met de renaissance bijvoorbeeld
of zelfs de tijd vóór Vaticanum II – mogen wij wel besluiten dat er al heel wat positief verbeterd is. Maar toch blijven er in onze Kerk van vandaag nog zo van die gewoonten en uiterlijke vormen bestaan waarop de kritiek van het evangelie nog even indringend scherp van toepassing is. Het is goed dat deze waarschuwing tegen de bekoring van het christelijk farizeïsme ook nog in onze tijd blijft weerklinken. De echte geest van Jezus’ evangelie is heel anders dan de franjes en de ijdelheden die ook nu nog dikwijls aan ons kerkinstituut hangen.

En toch denk ik dat wij te weinig bereiken als wij onze energie vooral gaan steken in het afbreken van die uiterlijkheden. Het meest belangrijke is uiteindelijk een verandering van de innerlijke houding van de verantwoordelijken, de bekering van de geestelijke binnenkant
van al wie voorgaat of een leidende functie krijgt in het geloof. En het is voor dat niveau dat het evangelie van vandaag ons juist een visie en een hulp biedt: “Gij hebt maar één Vader, één Leraar en één Meester”.

Elke christelijke voorganger of kerkleider, al wie verantwoordelijkheid krijgt en dus gezag uitoefent in de kerk, wordt door Jezus uitgenodigd zijn functie uit te oefenen in het besef dat alleen God de uiteindelijke Vader, Leraar en Meester is. Dat betekent dat hij, ook als hij moet of mag optreden met gezag als vader, leraar of meester uitgenodigd wordt dit steeds te doen in het besef dat hij toch ‘kind’ blijft van dé Vader,
‘leerling’ van dé Leraar en ‘dienaar’ van dé Meester.

“Kind zijn van de Vader” terwijl ment het vaderlijk gezag uitoefent , wil zeggen dat de christelijke verantwoordelijke, (bisschop,  pastoor, voorzitter van kerkfabriek, koster of bloemenschikster), in zijn of haar manier van besturen, beheren en gezag doen gelden, vooral de dankbare afhankelijkheid van het kind-zijn zal uitstralen en geen dictatoriale, zichzelf-verheffende eisen gaat stellen.
“Leerling blijven van de Leraar” terwijl men onderricht geeft, wil zeggen dat de christelijke verkondiger, (universiteitsprofessor, prekende priester, godsdienstlerares, catechiste) in zijn of haar manier van onderrichten, zal laten aanvoelen dat ook hij of zij nog veel bij te leren heeft
en de waarheid niet in pacht heeft.

En “Dienaar worden van de Meester” terwijl men over een bepaald domein eindverantwoordelijke is, wil zeggen dat de christelijke geëngageerde bij alles wat hij of zij zegt en doet nooit vanuit de hoogte op anderen zal neerzien, maar steeds dienstbaar zal proberen op te kijken naar allen die aan zijn of haar zorg worden toevertrouwd, dus ook naar de kleineren en de zwakkeren.

Tot die visie en houding worden allen die verantwoordelijkheid krijgen of dragen in de Kerk uitgenodigd en opgeroepen: steeds kind, leerling en dienaar te blijven wanneer zij gezag uitoefenen, onderrichten of hulp bieden.

Hoe kunnen wij gelovigen daarbij helpen? Nogmaals, niet door actie aan de buitenkant, niet door een beeldenstorm van de uiterlijke praal in de Kerk. Die valt er wel vanzelf af als er verandering komt aan de binnenkant, als er gewerkt wordt aan de innerlijke houding van “dankbaar kind zijn”, van “belangstellende leerling blijven” en van “bescheiden dienaar worden”. Gelovigen kunnen wel díe voorgangers en verantwoordelijken steunen die in deze geest leven, die niet boven, maar naast hun mede-gelovigen gaan staan en die bereid zijn in onderling overleg lasten en taken te verdelen, die geen tuchtgemeenschap uitbouwen, maar ruimte en zelfstandigheid aanbieden, die meer voor-“gaan” dan voor-”houden”, die door hun levensstijl laten aanvoelen, dat zij uiterlijke eretekens, titels, rangorde, troon of ereplaatsen
zeer onbelangrijk vinden.

Laat ons maar samen bidden om authentieke voorgangers en verantwoordelijken in onze christelijk geloofsgemeenschap van vandaag.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede Vader,
leer ons altijd te leven, te spreken, te handelen, te bidden, te zingen, vanuit de binnenkant; de binnenkant die Gij zelf zijt. Ja, moge Gij, en enkel Gij, de bezieler zijn van al wat naar buiten komt. Opdat ons leven puur mag zijn, helder, levend vanuit haar wortels die geënt zijn op uw Drie-ene liefde diep in onszelf.
Groeiend in Christus. Amen.