Lezingen van de dag – zondag 6 november 2016


Heilige (of feest) van de dag

Maria Josepha Kümi († 1817)candle-1129354_640

Maria Josepha (gedoopt Magdalena) Kümi osd, Klooster Weesen am Wallensee, Zwitserland; kloosterlinge

Magdalena werd geboren in 1763 en was afkomstig uit de Zwisterse streek Wollerau aan de Züricher See. Haar opvoeding kreeg zij bij de cisterciënzerinnen van het nabijgelegen klooster Wurmsbach, en trad in 1780 toe tot de dominicanessen van klooster Weesen aan de Wallensee onder de naam Maria Josepha. Zij beschouwde zichzelf als bruid van Christus, had een bijzondere devotie tot zijn lijden en droeg haar eigen lijden op tot verzoening en vergiffenis van zonden.

Na haar dood werd zij met goedkeuring van de bisschop door het volk ter plaatse als een heilige vereerd.

32e zondag door het jaar – Cbijbel


Uit het tweede boek Makkabeeën 7, 1-2 + 9-14

Deze tekst is een van de eerste in het Oude Testament die een geloof in de individuele verrijzenis betuigt. Tegenover de onrechtvaardigheid van de gewelddadige verdwijning van onschuldigen en verdrukten, belijdt Israël dat God machtig en rechtvaardig genoeg is om hen te doen opstaan tot een gelukzalig leven.

In die dagen werden zeven broers en hun moeder gearresteerd en op bevel van de koning met gesels en riemen gemarteld om hen te dwingen verboden varkensvlees te eten.
Een van hen vroeg namens hen allen: ‘Waarom ondervraagt u ons? Wat wilt u van ons te weten komen? We zijn eerder bereid te sterven dan te breken met de tradities van onze voorouders.’ Zijn laatste woorden luidden: ‘Ellendeling! U beneemt ons nu wel het tegenwoordige leven, maar de Koning van de wereld zal ons na onze dood tot een nieuw, eeuwig leven opwekken, omdat we omwille van zijn voorschriften gestorven zijn.’
Nadat de eerste broer op deze wijze om het leven was gekomen, werd de tweede voorgeleid om te worden vernederd. Ze stroopten zijn huid met haar en al van zijn hoofd en vroegen: ‘Zou je niet liever eten wat je wordt voorgezet, in plaats van je lichaamsdelen een voor een te laten pijnigen?’ ‘Nee!’ antwoordde hij in zijn moedertaal, en daarom onderging hij dezelfde folteringen als zijn broer.
Daarna was de derde broer aan de beurt. Hij stak desgevraagd onmiddellijk zijn tong naar buiten, bood onverschrokken ook zijn handen aan en zei fier: ‘Uit de hemel heb ik ze gekregen, omwille van Gods voorschriften doe ik er afstand van, en van Hem hoop ik ze weer terug te krijgen.’ De koning en zijn gevolg stonden versteld van de geestkracht van deze jongeman, die zich van de pijn niets leek aan te trekken.
Toen ook hij dood was, lieten ze de vierde dezelfde gruwelijke martelingen ondergaan. Toen hij op het punt stond te bezwijken, zei hij: ‘De dood door mensenhanden wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft: dat Hij ons weer zal opwekken. Voor u echter zal er geen opstanding tot nieuw leven zijn.’

 

Psalm 17, 1 + 5 + 6 + 8 + 15

Refr.: Uw aanblik, Heer, verzadigt mij als ik ontwaak.

Luister, Heer, ik vraag om recht,
luister naar mijn smeken.

Hoor mijn gebed,Drieeenheid_2
geen leugen komt over mijn lippen.

Mijn voeten volgden uw spoor,
mijn stappen wankelden niet.

Ik roep tot U om hulp,
want U geeft mij antwoord.

Wil mij horen, God,
luister naar mijn spreken.

Behoed mij als de appel van uw oog,
verberg mij in de schaduw van uw vleugels.

Laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen,
bij het ontwaken mij verzadigen aan uw beeld.

 

Uit de tweede brief van Paulus aan de christenen van Tessalonica 2, 16 – 3,5

Bezorgd om zijn broeders te bevestigen en zelf geconfronteerd met de boosheid van ongelovigen, nodigt Paulus de Tessalonicenzen uit, met hem te bidden tot de trouwe God, opdat zij samen de genade van de volharding zouden bekomen.

Broeders en zusters,
Mogen onze Heer Jezus Christus en God, onze Vader, die ons zijn liefde heeft getoond en ons door zijn genade blijvende steun en goede hoop gegeven heeft, u aanmoedigen en sterken in al het goede dat u doet en zegt.
Voor het overige, broeders en zusters, bid voor ons. Bid dat het woord van de Heer zich elders even snel verspreidt en evenzeer geprezen wordt als bij u. Bid ook dat wij worden behoed voor slechte en kwaadaardige mensen, want niet iedereen is betrouwbaar.
Maar de Heer is trouw, Hij zal u kracht geven en u tegen het kwaad beschermen. De Heer geeft ons de overtuiging dat u doet wat wij u opdragen en dat zult blijven doen.
Moge de Heer uw wil en verlangen richten op de liefde voor God en de standvastige trouw aan Christus.

 

Alleluia.lantern-84160_640
Wees getrouw tot de dood, zegt de Heer,
en Ik zal u de kroon van het leven geven.
Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 20, 27-38

Voor de Sadduceeën was het geloof in de verrijzenis een louter menselijke overlevering. Zij was niet door God aan Mozes geopenbaard. Wanneer zij vaststellen dat Jezus er blijkt in te geloven, trachten zij Hem belachelijk te maken door te tonen tot welke zonderlinge en onontwarbare situaties deze leer aanleiding geeft. Het probleem is gesteld in een materialistische optiek. De wereld van de verrijzenis is helemaal anders: het lichaam ontsnapt er de aardse omstandigheden. Wanneer men gelooft in de God van de levenden, dan kan men niet anders dan ook te geloven in de verrijzenis van hen die nu reeds met Hem leven door het Verbond.

Enkele Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, kwamen naar Jezus toe en vroegen Hem: ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man sterft zonder dat zijn vrouw kinderen heeft gebaard, moet zijn broer met die vrouw trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer. Nu waren er zeven broers. De eerste was gehuwd, maar stierf kinderloos; daarna trouwde de tweede broer met de vrouw en vervolgens de derde, en toen de andere broers, maar alle zeven waren ze kinderloos toen ze stierven. Ten slotte stierf ook de vrouw. Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’
Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt, maar wie waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, huwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt. Zij kunnen ook niet meer sterven, want ze zijn als engelen en ze zijn kinderen van God omdat ze deel hebben aan de opstanding. Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in de tekst over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob. Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.’

Van Woord naar leven

Ons christelijk geloof stelt de verrijzenis, in de lijn van Paulus, voor als een nieuwe, een tweede geboorte, nog beter, als een “nieuwe schepping”, als een overgang naar een heel nieuwe vorm van leven. Zoals het kleine mensje vóór zijn geboorte nog opgesloten in de moederschoot, geen besef heeft van een leven daarbuiten ná zijn geboorte, zo kunnen wij ons niet voorstellen hoe wij er zullen uitzien na onze tweede geboorte. Wij weten wel dat wij een tweede keer doorheen een donkere tunnel moeten van pijn en afstand-doen en dood. Maar hoe dat nieuwe lichaam er dan zal uitzien, dat weten wij niet.

Maar waarom durven wij dan zo overtuigd geloven in de verrijzenis van onze persoon tot dat verheerlijkte lichaam, zoals wij het in het credo belijden? Heel eenvoudig omdat wij consequent willen geloven in God. “God is toch een God van levenden!” zegt Jezus. Wij geloven inderdaad dat de zeer persoonlijke liefde van God voor ieder van ons niet beperkt of beknot kan worden door de tijd of de dood.

Als God bemint, dan bemint Hij absoluut, en dat wil o.a. zeggen: niet voor een beperkte tijd. Als God ons éénmaal heeft opgenomen in zijn vriendschap dan laat Hij ons nooit los, ook niet in de dood. Wij zijn ervan overtuigd dat zijn trouw groter is dan de vernietigingskracht van het graf of van de crematie-oven. Geloven in de verrijzenis betekent, geloven in Gods absolute Liefde, die sterker is dan elke dood.

Misschien is het goed te beseffen dat wij op de verrijzenis niet moeten wachten tot in het hiernamaals, maar dat de verrijzenis nu reeds aan het gebeuren is. Die omvorming, die transformatie van onze hele menselijke persoon is reeds begonnen en wel bij ons doopsel. In de mate dat wij, christenen, meer verbonden leven met de verrezen Heer Jezus worden wij meer en meer “verrijzenis-mensen”, mensen die delen in zijn dood en opstanding, door te sterven aan onze zelfzucht en te groeien in Zijn geest van dienende liefde.

Als wij het moeilijk hebben met ons verrijzenisgeloof, dan kijken wij het best goed toe naar de transformatie, naar de omvorming, die in de Eucharistie reeds gebeurt. Gebroken brood en geschonken wijn worden Lichaam en Bloed van onze verrezen Heer Jezus, bron van het verheerlijkte, liefdevolle leven dat nu reeds onder ons aanwezig is. Zo groeien wij vandaag al naar de definitieve verrijzenis bij God. “Midden in de dood, zijn wij reeds in het leven.”

Frans Mistiaen, sj

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,Resurrection-Icon
trek ons in het licht van uw verrijzenis, doe ons delen in uw opstanding, opdat we in U Gods Vrede mogen zijn; boodschappers van zijn boodschap. Kom Heer Jezus, neem ons op in U, Gij, onze Broeder, onze behoeder, onze leidsman, ons leven.
Amen.