Lezingen van de dag – zondag 7 febr. 2016


Heilige (of feest) van de dag

Lucas de Wonderdoener († ca 947)Hosios_Loukas_(nave,_lunette_on_west_wall_of_north_cross-arm)_-_Luke_of_Steiris_01

Lukas (ook Loukas) de Wonderdoener (ook van Hellas, van de Stirionberg, van Stiris of Thaumaturgos), Griekenland; kluizenaar

Hij was afkomstig uit de buurt van Athene. Volgens de verhalen die rond zijn persoon worden overgeleverd, zou hij als klein kind al bijzonder gevoelig geweest zijn voor godsdienstige zaken. Hij had hart voor de armen, besteedde veel tijd aan gebed en hield zich aan de vastenpraktijken van de kerk.

Hij was nog jong, toen zijn vader stierf. Nu was hij verantwoordelijk voor het stukje grond van de familie. Zo wordt er van hem verteld dat hij er in een bepaald voorjaar op uit trok om het land in te zaaien. Onderweg kwam hij een arme bedelaar tegen aan wie hij zoveel zaaigoed afstond dat hij te weinig overhield om het gehele oppervlak van zijn eigen grond te voorzien. Maar God liet zijn goedkeuring blijken doordat uit het schamele restje zaad een enorme oogst groeide.

Lukas was hier zo van onder de indruk dat hij besloot monnik te worden. Zonder zijn moeder iets te zeggen, meldde hij zich aan bij een klooster in het naburige Athene. Moeder was ontroostbaar en in haar verdriet bad zij tot God dat Hij zo goed wilde zijn haar de verblijfplaats van haar zoon te onthullen. Daarop droomde de hègoumen (overste) van het klooster drie nachten achtereen dezelfde droom. Een vrouw verscheen hem die hem met grote heftigheid verweet haar zoon van haar te hebben afgenomen.

Geschokt riep de hègoumen Lukas bij zich en ondervroeg hem over de omstandigheden van thuis. Onmiddellijk beval hij hem naar huis terug te keren en voor zijn moeder te gaan zorgen. Toen moeder vier maanden had aangezien, hoezeer hij zich tot het monniksleven voelde aangetrokken en hoeveel verdriet het hem deed niet aan die roeping te kunnen voldoen, gaf zij hem tenslotte haar zegen.

Nu meldde hij zich aan bij een ander klooster. Toch werd hij het liefst kluizenaar. Hij trok zich terug op de berg Joanitza (of Joanitra) bij Korinte. Daar stond een kerkje dat was toegewijd aan de heilige artsen Cosmas en Damianus († 303; feest 26 september). Hij bouwde een eenvoudig hutje tegen de kerk aan en legde een moestuintje aan voor zijn onderhoud. Zeven jaar verbleef hij op die plek; deed er ’s nachts zijn gebeden en ontving overdag mensen die hem om raad of gebed kwamen vragen. Twee bejaarde monniken die bij hem langs kwamen, achtten hem waardig voor de grote monnikengeloften. Daarmee was zijn hartenwens vervuld.

Door de invallen van de Bulgaren zag hij zich genoodzaakt naar elders te trekken. Nu ging hij in de leer bij een pilaarheilige in het Peloponnesusgebergte. Tien jaar zorgde hij voor hem zoals een kind voor zijn vader. Toen keerde hij terug naar zijn Joanitraberg. Maar daar werd zijn dierbare rust steeds meer verstoord door toeloop van mensen. Zij kwamen af op de wonderen die over hem verteld werden; die wilden ze met eigen ogen wel eens zien.

Opnieuw trok hij zich terug. Nu naar een nog verder afgelegen berg in de landstreek Fokis, Stirion genaamd. Daar is hij tenslotte gestorven, naar men aanneemt op 57-jarige leeftijd.

Op zijn graf werd door Romanos II Theofanu het beroemde klooster Hosios Loukas gebouwd. Nog altijd komen er pelgrims naartoe om zijn hulp in te roepen.

Hij wordt afgebeeld als monnik met baard, de monnikskap over het hoofd, in gebedshouding (de beide armen uitgespreid ten hemel).

5e ZONDAG DOOR HET JAAR – C


Uit de profeet Jesaja 6, 1-2a + 3-8

In het meest sacrale deel van de tempel openbaart God zich aan de profeet als Koning van de aarde, Meester van de volken en Schepper van alles. Tegenover Gods heiligheid ontdekt Jesaja dat hij zondaar is. Maar wanneer hij dan door God zelf gereinigd wordt, durft hij vragen om zijn gezondene te zijn.

In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. Boven hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels. Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook.
Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de Heer van de hemelse machten, gezien.’
Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiende kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Nu zijn je lippen gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’
Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal Ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’
Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’

 

Psalm 119, 9-14

Refr.: Groot is de majesteit van de Heer !

Ik wil U loven met heel mijn hart,
voor U zingen onder het oog van de goden,
mij buigen naar uw heilige tempel,
uw Naam loven om uw liefde en trouw:
grote dingen hebt U beloofd, tot eer van uw Naam.Drieeenheid_2

Toen ik U aanriep, hebt U geantwoord,
mij bemoedigd en gesterkt.
Laten alle koningen op aarde U loven, Heer,
zij hebben de beloften uit uw mond gehoord.

Laten zij de wegen van de Heer bezingen:
Groot is de majesteit van de Heer.
De Heer is hoogverheven !
Naar de nederige ziet Hij om,
de hoogmoedige doorziet Hij van verre.

Al is mijn weg vol gevaren, U houdt mij in leven,
u verdedigt mij tegen de woede van mijn vijanden,
uw rechterhand brengt mij redding.
De Heer zal mij altijd beschermen.
Heer, uw trouw duurt eeuwig,
laat het werk van uw handen niet los.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 15, 1-11

De ontstellende afstand tussen Paulus’ armoede en de grootheid van de boodschap die hij moet verkondigen, wordt teniet gedaan door Gods genade, bron en grond van zijn apostolische vrijmoedigheid. Eens zal hij zeggen dat het juist door zijn zwakheid is dat hij sterk is dankzij Christus die hem die kracht geeft.

Broeders en zusters,
ik herinner u aan het evangelie dat ik u verkondigd heb, dat u ook hebt aangenomen, dat uw fundament is en uw redding, als u tenminste vasthoudt aan de boodschap die ik u verkondigd heb. Anders bent u tevergeefs tot geloof gekomen.
Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat Hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, en dat Hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. Vervolgens is hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen.
Pas op het laatst is hij ook aan mij verschenen, aan het misbaksel dat ik was. Want ik ben de minste van de apostelen, ik ben de naam apostel niet waard omdat ik Gods gemeente heb vervolgd. Alleen dankzij zijn genade ben ik wat ik ben. En zijn genade is bij mij niet zonder uitwerking gebleven. Integendeel, ik heb harder gezwoegd dan alle andere apostelen, niet op eigen kracht maar dankzij Gods genade.
Hoe dan ook, of zij het nu zijn of ik, wij verkondigen allemaal dezelfde boodschap, en door die boodschap bent u tot geloof gekomen.

 

Alleluia.Taize-candles-C-700x438

Ik ben het licht van de wereld,
zegt de Heer,
wie mij volgt zal het licht
van het leven bezitten.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 5, 1-11

Lucas plaatst de roeping van de eerste leerlingen en de episode van de wonderbare visvangst bij elkaar. Daarmee herinnert hij er aan dat de huidige zending van de Kerk nauw verbonden is met het aardse optreden van Jezus. Vanuit de boot van Petrus, beeld van de Kerk, vervolgt Jezus door bemiddeling van de apostelen, zijn prediking en zijn zending.

Toen Jezus eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, zag Hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen.
Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; Hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot.
Toen Hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’
Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’
En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren.
Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken.
Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’
Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten.
Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’
En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden Hem.

Van Woord naar leven

Geliefde mensen,

het evangelie dat je zojuist las is erg rijk. Je kan, bij wijze van spreken, bijna over elk vers een homilie schrijven. Daar het zowieso al niet de bedoeling is om ‘Van Woord van leven’ hier op deze site te herleiden tot ware homilies, wil ik vandaag met u nadenken over één feitje uit dit stuk evangelie, en dat op ons eigen leven leggen. En dat is namelijk het antwoord van Simon op de vraag van Jezus om naar diep water te varen om daar opnieuw de netten uit te gooien. Op die vraag van Jezus antwoordt Simon: : ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’

Soms verlangen wij bepaalde zaken te doen maar: ofwel beginnen we er niet aan omdat we voor onszelf op voorhand weten dat we het nooit tot een goed einde zullen brengen, ofwel doen we toch een poging eraan te beginnen maar al snel wordt duidelijk dat het een flop wordt. Het eerste geval getuigt van weinig zelfvertrouwen (om niet te spreken van een gebrek aan godsvertrouwen) en het tweede geval is prijzenswaardig omdat je toch al de moeite hebt gedaan eraan te beginnen, maar het falen lag ‘m in het feit dat je het wilde klaar spelen louter en alleen vanuit je allerindividueelste ikje, los van God dus.

Laten we eens concreet zijn. De meeste van ons kennen beslist mensen in hun omgeving (hetzij in huis, bij familie, bij de buren, op de werkvloer,…) waarnaar we niet onmiddellijk gevoelens toe hebben van sympathie. Integendeel. Misschien kom je ze liever niet tegen, wil je eigenlijk niet met hen praten. Misschien is er ruzie, al maanden of zelfs jaren lang. Misschien neigt het wel naar haat. Allemaal menselijk hoor; komt voor bij de beste mensen. Neem nu dat je op een goed moment het besluit neemt: ‘Ach wat een toestand, dit heeft geen enkele zin. God vraagt broederschap, vergeving, en ik zit er maar op los te klooien. Gedaan daarmee. Ik ga naar die persoon om de goede banden weer op te bouwen, de relatie te helen, vergeten wat geweest is, bouwen aan de toekomst’. Met alle moed van de wereld en de beste intenties ga je naar die persoon toe. Met als resultaat: je wordt de laan uitgestuurd, je vangt bot. En daar sta je met al je goede intenties, met je edele voornemens, in je onderbroek.
Erken je dit gebeuren ? Daarom niet letterlijk zoals hier beschreven, maar ik bedoel: je komt diep gefrustreerd terug van iets dat je zo goed meende.
Het gevaar bestaat erin dat dergelijke frustraties je nog meer dan voordien op jezelf doet plooien. En je begint er gewoon niet meer aan… Laat de boel maar draaien…

Wel, als je je aangesproken voelt in wat je zojuist las, heeft Jezus dit woord voor jou vandaag: ‘Vaar naar het diepe water en gooi daar je netten uit’. En uit het diepste putteke van mijn hart hoop ik dat je dan kan zeggen zoals Simon: ‘Ach Heer, al maanden probeer ik naar dat ambetant mens toe te gaan maar ze is me liever kwijt dan rijk. Maar omdat Gij het vraagt, zal ik het doen’.
Dit laatste, lieve mensen, is van wezensbelang. ‘Omdat Gij het vraagt zal ik het doen’. Het is gehoor geven aan het Woord van de Heer, gehoor geven aan wat Hij vraagt.

Gehoor geven aan de Heer is al een hele bevrijding op zich, want het doet je loskomen van jezelf, los ook van eigen krachtpatserij. Het is gaan staan in een ‘ja’ tot Iemand die van buitenaf (eigenlijk van binnenuit) je aanspoort iets te doen los van je allerindividueelste ikje. Want die Iemand, in dit geval Jezus, laat je niet alleen die klus opknappen. ‘Ik zal altijd bij je zijn’, het levensmotto van de Heer zeg maar, geldt ook hier. We hoeven niet alleen naar dat lastig mens te gaan. De Heer zal met ons meegaan. Dat heeft Hij beloofd, en wat Hij beloofd heeft moet Hij maar doen ook. En Hij zal het doen. Hij zal ons bij de hand nemen als een goddelijke Vriend en met ons meegaan, zijn vrede schenkend, zijn liefde delend.

En nu vraagt de Heer geloof. Geloven we dat we vanuit Hem naar mensen gaan waarvan de relatie diep gekwetst is, er een wonder van liefde kan en zal geschieden. Geloven we dat de Heer kan bewerkstelligen wat we zelf niet kunnen vanuit ons eigen ikje los van Hem.

Wat ik wil zeggen, lieve mensen, is dat wat voor ons onmogelijk lijkt, bij God wel degelijk mogelijk is. Haat, kwaadheid, ruzie,… mag nooit het laatste woord hebben. De liefde overwint dit allemaal. Maar daarvoor moeten we durven het over een andere boeg gooien. Loskomen van ons eigen ikje, gehoor geven aan het Woord van de Heer, ons schenken aan Hem.

En dan is echt veel mogelijk. Probeer maar uit !

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,visnet_0
geef dat wij op uw woord onze netten steeds opnieuw durven uitgooien, opdat wat onmogelijk leek mogelijk wordt, omdat we ons aan U geschonken hebben.
Leer ons gaan op uw woord, Heer.
Alle dagen van ons leven.
Amen.