Lezingen van de dag – zondag 7 juni 2015


Heilige (of feest) van de dag

Anna van Sint-Bartholomeus (+ 1626)anne-3

Anna van Sint-Bartholomeus (oorspronkelijk García; ook van St.-Barthélemy) ocd, Antwerpen, België; kloosterlinge; † 1626.

Anna García werd op 1 oktober 1549 in de Spaanse plaats Armendral geboren. Zij was de jongste van zeven kinderen. Haar vader, Fernando, en moeder, Maria Mancanas, waren welgestelde boeren. Op tienjarige leeftijd verloor zij haar ouders. Nu werd zij toevertrouwd aan de zorgen van haar oudere broers en zussen. Dezen keken voor haar uit naar een geschikte huwelijkspartner. Maar zij gaf te kennen liever carmelites te worden.
Zo trad zij in 1572 toe tot de Karmel van Avila, waar de grote Teresa op dat moment priorin was. In haar nieuwelingentijd legde zij zich toe op een leven van versterving en opoffering uit liefde voor de zielen die verloren dreigden te gaan. Na haar noviciaat werd zij secretaresse van Teresa. Tussen hen groeide een intense vriendschapsband. Nadat Teresa in 1582 in haar armen was gestorven, brak er voor haar een rusteloos leven aan.
Ze verbleef enige tijd te Avila, Madrid en Ocaña; in 1604 – toen was ze dus al 55! – vertrok ze met enkele gezellen naar Parijs; het jaar daarna was zij te Pontoise en in 1608 te Tours. Overal werden nieuwe kloostervestigingen gesticht. In 1611 kwam ze naar de Zuidelijke Nederlanden; eerst naar Bergen (= Mons), vervolgens naar Brussel en uiteindelijk naar Antwerpen (6 november 1612); daar werd ze voor de rest van haar leven priorin. Vandaaruit stond zij mede aan de wieg van de vestigingen in Doornik (26 oktober 1614) en Brugge (7 maart 1626). Het schijnt dat zij door haar gebed de stad Antwerpen twee keer voor een inval over water door Prins Maurits heeft behoed; resp, in 1622 en 1624.

Sindsdien geldt zij als beschermster van de stad Antwerpen.

Ze werd zalig verklaard in 1917.

120_001

10e ZONDAG DOOR HET JAAR – B

Uit het boek Genesis 3, 9-15

De slang is hier het symbool van alle kwade machten, die zich verzetten tegen de nakomelingen van de vrouw. In den beginnen vervalst Satan de onderlinge betrekkingen tussen de schepselen en hun verhouding tot God. Maar eens zal de slang iemand ontmoeten die sterker is dan zij: de Messias, de zoon van de nieuwe Eva.

Nadat Adam van de boom gegeten had, riep God, de Heer, de mens: ‘Waar ben je?’
Hij antwoordde: ‘Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’
‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan Ik je verboden had te eten?’
De mens antwoordde: ‘De vrouw die U hebt gemaakt om mij ter zijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’
‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de Heer, aan de vrouw.
En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’
God, de Heer, zei tegen de slang: ‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan, het vee zal je voortaan mijden, wilde dieren wenden zich af; op je buik zul je kruipen en stof zul je eten, je hele leven lang. Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.’

 

Psalm 130, 1-8

Refr.: Ik zal uw rechtvaardigheid prijzen, Heer.

Uit de diepte roep ik tot U, Heer,
hoor mijn stem, wees aandachtig,
luister naar mijn roep om genade.

Als U de zonden blijft gedenken, Heer, 694317631_orig
wie houdt dan stand ?
Maar bij U is vergeving,
daarom eert men U met ontzag.

Ik zie uit naar de Heer,
mijn ziel ziet uit naar Hem
en verlangt naar zijn woord.

Mijn ziel verlangt naar de Heer,
meer dan wachters naar de morgen,
meer dan wachters uitzien naar de morgen.

Israël, hoop op de Heer !
Bij de Heer is genade,
bij Hem is bevrijding, altijd weer.
Hij zal Israël bevrijden
uit al zijn zonden.

 

Uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs 4, 13 – 5, 1

De last van de lichamelijke miseries en zelfs het vooruitzicht van de dood, zijn niet bij machte Paulus’ zelfvertrouwen aan te tasten. Vanuit zijn geloofszekerheid weet hij dat het leven niet vernietigd wordt maar omgevormd. De God der levenden kan niet ontgoochelen.

Broeders en zusters,
er staat geschreven: ‘Ik bleef vertrouwen, daardoor kon ik spreken.’ In datzelfde vertrouwen spreken ook wij, omdat we geloven en weten dat Hij die de Heer Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus, zal opwekken en ons samen met u naar zich toe zal voeren. Dit alles gebeurt omwille van u, zodat Gods goedheid, die zich door steeds meer mensen verbreidt, ook tot steeds meer dankzegging leidt, tot eer van God.
Daarom verzaken wij onze plicht niet. Ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd. De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft.
Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig.
Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel.

 

Alleluia.images

Als iemand mij liefheeft,
zal hij mijn woord onderhouden,
mijn Vader zal hem liefhebben
en Wij zullen tot hem komen.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 20-35

Jezus openbaart zich als sterker dan de duivel. In Hem werkt de heilige Geest; dezelfde Geest die ons naar Hem toetrekt en ons doet zitten in zijn kring om te luisteren naar zijn Woord om Gods wil te volbrengen.

Jezus ging terug naar huis, en weer verzamelde zich een menigte, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te gaan eten. Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om Hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had Hij zijn verstand verloren. Ook de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul’, en: ‘Dankzij de vorst der demonen kan Hij demonen uitdrijven.’

Toen Hij hen bij zich geroepen had, sprak Hij tot hen in gelijkenissen: ‘Hoe kan Satan zichzelf uitdrijven? Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden; als een gemeenschap innerlijk verdeeld is, zal die gemeenschap niet kunnen standhouden. En als Satan tegen zichzelf in opstand is gekomen en verdeeld is, kan ook hij niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet. Bovendien kan niemand het huis van een sterkere binnengaan om zijn inboedel te roven, als hij die sterkere niet eerst vastgebonden heeft; pas dan kan hij zijn huis leeghalen. Ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp.’
Dit omdat ze gezegd hadden: ‘Hij is bezeten door een onreine geest.’

Intussen waren zijn moeder en zijn broers aangekomen. Ze stuurden iemand naar binnen om Hem te halen. Zelf bleven ze buiten wachten. Er zat een groot aantal mensen om Hem heen, en die zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken U.’
Hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’
Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’

Van Woord naar leven

De overweging van vandaag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

In de evangelietekst van vandaag hoorden wij de zwaarste beschuldiging ooit tegen Jezus geuit. De verblindheid van zijn tegenstanders ging zover dat zij Hem verweten gebruik te maken van duivelse, kwade machten. Jezus was nochtans Gods goedheid zelf. Heel zijn optreden was er juist op gericht het kwade te bestrijden. Door zijn kracht stonden gekwetste en zieke mensen weer op, genezen, bevrijd. Zijn voortdurende strijd tegen alle vormen van het kwaad werd het teken dat het Rijk van Gods liefde groeide en dat Hij handelde in naam van de goede God. Jezus was onverdeelde goedheid.

Niet bij Hem, wel bij ons, mensen, vinden wij die mengeling van goed en kwaad. Zoals Paulus het zegt : “Het goede dat wij willen doen, doen wij niet. En het kwade dat wij niet willen doen, doen wij toch”. Soms kennen wij zelfs momenten van grote zwakheid, waarbij wij de indruk hebben dat het kwaad bij ons volledig binnendringt en als een tiran gaat heersen over ons hart. Dat wordt op dat moment dan heel vlug een gesloten burcht, waar wij liefst niemand anders meer binnenlaten. Maar wij mogen het toch weten: de liefde, die wij dan hebben buitengesloten, wacht geduldig onder de muren van onze versterkte stad. Tot het moment komt – een moment van nederigheid en vreugde – waarop wij de ophaalbrug weer neerlaten en de liefde weer binnenlaten in ons leven. Dan nodigt zijzelf ons uit met haar mee te strijden om de muren af te breken waarmee wij onszelf hadden opgesloten en geïsoleerd van de anderen. Dat niet meer het vaandel van het kwaad, maar de standaard van de liefde weer wappert op onze stad, betekent een heerlijke, bevrijdende ervaring, zowel voor ons als voor diegenen die met ons begaan zijn.

Wij moeten er ons echter geen illusie over maken. Ook na een overwinning blijft de geest van het kwaad ons bedreigen, niet alleen van buiten, maar ook van binnenuit. Het evangelie van vandaag stelt ons het leven voor als een voortdurende strijd tussen goed en kwaad. En dat is het inderdaad. De dag wat wij die strijd zouden opgeven, zou de ergste nederlaag betekenen en de totale verwoesting van ons huis.

Hoe komt het toch dat het Rijk Gods van de liefde zo dikwijls opnieuw moet worden bevochten en veroverd? Gewoon omdat het leven evolueert, omdat wij veranderen. Wij worden ouder, de kinderen worden groter, of de kleinkinderen komen op ons beroep doen, de economische situatie verslechtert, of onze werksfeer verandert, in ons lichaam ervaren wij kleine ongemakken, wij ontmoeten nieuwe mensen, of diegenen die ons juist tot steun waren, overlijden of verdwijnen, of een nieuwe kans wordt ons geboden. “Leven” betekent onvermijdelijk “veranderen en groeien”. Wij evolueren en treden steeds weer nieuwe levensfasen binnen. En de concrete situaties waarin wij terecht komen zijn ongewild telkens nieuwe gevechtsterreinen waar een strijd moet geleverd worden opdat ook dáár de liefde, de dankbaarheid, de vergeving en de openheid, het zou halen van de haat, de veeleisendheid, het egoïsme en het isolement, opdat ook dáár de goedheid sterker zou zijn dan het kwaad.

Misschien lijkt het evangelie van vandaag nogal strijdlustig. Het is in feite zeer realistisch. Ons leven eist inderdaad een voortdurende keuze tegen het kwaad, vóór het goede. Op dat punt bestaat “niet kiezen” eigenlijk niet. Want wie niet kiest, wordt onvermijdelijk meegesleurd en wel steeds naar één kant, nl. naar de kant van zijn gemakzucht en zijn eigenbelang. Echt menselijk leven is er steeds opnieuw voor kiezen in de liefdestroom van God te gaan staan, de liefde in ons hart binnen te laten, is ervoor kiezen niet op onszelf gekeerd, maar verbonden te willen leven met God, de mensen en de wereld.

Jezus wil bij ons vele duivels uitdrijven. Zijn woord van vandaag “Wie niet vóór mij is, is tegen mij” nodigt ons uit tot hernieuwde keuze voor het goede, en dat wel op het punt waar wij nu gekomen zijn, op de plaats waar wij vandaag staan.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Lieve Heer,235 Grote bloem_jpg
schenk ons de genade van berouw, van uitkijken naar uw barmhartigheid. Haal ons uit het duistere weg en breng ons in het feest van uw licht: vergeving, omhelzing, versmelting met U. Leer ons vanuit uw barmhartigheid naar anderen te zien, naar anderen te gaan; niet als een meerdere, maar als een broer of zus die uit liefde tot U en tot hen van U wil zingen doorheen woord en daad, namelijk dat Gij er zijt: met ons, onder ons, in ons, altijd en overal. En dat Gij, goede God, ons wil trekken in Uzelf, om uw liefde te worden en te schenken. Kom heilige Geest. Amen.