Lezingen van de dag – zondag 9 sept 2018


Heilige (of feest) van de dag

Pedro Claver († 1654)

Sj, Cartagena, Columbia; apostel van de negerslaven in Zuid-Amerika

De negerslaaf die de oude Pater Claver op zijn ziekbed moest verzorgen had allerlei slimmigheidjes moeten bedenken om eerst de lekkerste dingen van het eten voor de zieke uit te zoeken voor zichzelf, en wat er dan overbleef aan zijn zieke te geven. Hij kon het niet doen in zijn barak, want dan zouden de anderen het zien, ook niet onderweg van de keuken naar het ziekenkamertje, want dan liep hij kans dat hij zou worden betrapt. Ook niet achter de rug van pater Claver op het ziekenkamertje, want daar kwamen de hele dag drommen mensen over de vloer: ieder wilde nog een laatste glimp van deze heilige man opvangen.

Toen de zieke in de vroege morgen van 8 september 1654 overleed, was er niets anders meer op zijn kamer dan zijn bed, het laken waar hij onder lag en de schamele kleren aan zijn lijf. De rest was door iedereen meegenomen als aandenken.

Pedro was in 1580 – dus nu vier-en-zeventig jaar geleden – geboren in het Catalaanse stadje Verdú. Hij ging studeren in Barcelona en na beëindiging van zijn studies trad hij in bij de paters jezuïeten; hij was toen twintig jaar oud. Toen hij als priesterstudent ging studeren op het eiland Majorca, raakte hij in gesprek met broeder Alfonsus, de portier van de universiteit († 1617). Hij was een voormalig handelsman en wist te vertellen dat er in de Nieuwe Wereld vreselijke dingen gebeurden. Vanuit Afrika werden door Spanjaarden, Portugezen, Hollanders en Engelsen negers naar Zuid-Amerika overgebracht, om daar voor goudgeld op de markt verkocht te worden. Ze werden in de goud- en zilvermijnen te werk gesteld en stierven als ratten. “Het goud en zilver waar onze kerken en paleizen mee zijn versierd, kost duizenden mensenlevens, en er schijnt niemand te zijn die zich om die arme mensen bekommert”, zo besloot broeder Alfonso. Van dat ogenblik af, stond het voor Pedro vast dat hij daar naartoe wilde.

In 1610 vertrok hij naar Zuid-Amerika. Een bootreis van Europa naar Zuid-Amerika was onder gewone omstandigheden een verschrikking. Je was geheel afhankelijk van de wind; meestal duurde zo’n overtocht enkele maanden in de brandende tropenzon. Water en voedsel bedierven; passagiers en zeelui vochten om de laatste druppels water en de schamelste restanten voedsel. Als er al niet velen stierven aan voedselvergiftiging, uitputting of een of andere ziekte die uitbrak, dan liep je altijd nog kans het loodje te leggen in een van die grimmige gevechten.

De negers die men ving in de binnenlanden van Afrika en onder in de stinkende en bedompte ruimen van de houten schepen dumpte en vastklonk aan ijzeren kettingen die aan ringen in de wand werden bevestigd, waren er tientallen keren erger aan toe. Ze kregen nauwelijks te eten, want dat was er voor de zeelui al nauwelijks. Sanitair was er niet; ze lagen opgepakt op elkaar met hun uitwerpselen als een soort van stinkend cement. Water was er al te weinig om te drínken, dus van wassen kon geen sprake zijn. Ze stierven daar beneden inderdaad als ratten, zoals broeder Alfonso met verdriet had opgemerkt. Pas als de stank ook tot op het dek doordrong, en het geschreeuw overging in gebrul, hees men de lijken op en gooide ze in zee. De kapitein sprak van een gelukkige overtocht, als hij meer dan de helft van de honderden negers levend op de wal van Cartagena kon afleveren. Hij verdiende er schatten mee. Per jaar werden er zo ongeveer tienduizend negers aangevoerd.

De enige die zich van hun lot iets aantrok was Pater Claver. Vanaf 1616 tot aan zijn dood in 1654 heeft hij onvermoeibaar voor ze gezorgd. Zodra er een schip in zicht kwam, trok hij bedelend langs de poorten van de rijken en zamelde voedsel, snoep, vruchten, zeep en reukwater in. Zodra de lading aan wal was gezet, trok hij er met zijn tolken op af. Die tolken waren gewezen negerslaven uit allerlei gebieden in Afrika, want Pater Pedro wilde er zeker van zijn dat hij iedereen persoonlijk in de eigen taal kon aanspreken. Hij troostte ze, gaf ze wat te eten, liet ze zich zo goed en zo kwaad als het ging verzorgen, had een goed woord voor ze, en probeerde hun toestemming te krijgen om ze te dopen: dan zouden ze op die manier tenminste nog bij Christus’ liefde horen. Juist waar zijn volgelingen, de christenen van Europa, zich zo beestachtig gedroegen, probeerde hij hun te troosten met het vooruitzicht van een gelukkiger leven na de hel waar ze nu in terecht waren gekomen.

Zo bekeerde hij om en nabij de driehonderdduizend Afrikaanse negerslaven. Weekends bestonden er nog niet. Zeven dagen per week sjouwde hij achter die arme drommels aan. Zelf noemde hij zich ‘slaaf van de negers’. De laatste jaren van zijn leven was hij ziek. Zijn verzorging liet veel te wensen over. Bij zijn dood bleek hij ernstig verwaarloosd.

De ‘apostel van de negerslaven’, zoals hij eervol wordt genoemd, werd heilig verklaard in 1888. In 1894 richtte de zus van de toenmalige generale overste van de jezuïeten, Maria-Theresia Ledochowska, de Claverbond op ter ondersteuning van de missie in Afrika.

Hij is patroon van de missiezusters van St-Petrus Claver; sinds 1896 wordt hij vereerd als patroon van de katholieke missie onder de negers.

zondag 23 door het jaar / B


Uit de profeet Jesaja 35, 4-7a

Doven, blinden, verlamden, allen zullen ooit opnieuw het volle vermogen van hun zintuigen vinden. Dat is de nieuwe schepping die Jezus, de Messias, tot stand zal brengen.

Zeg tegen het moedeloze volk: ‘Wees sterk en vrees niet, want jullie God komt met zijn wraak. Gods vergelding zal komen, Hijzelf zal jullie bevrijden.’
Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten. Verlamden zullen springen als herten, de mond van stommen zal jubelen: waterstromen zullen de woestijn splijten, beken de dorre vlakte doorsnijden. Het verzengde land wordt een waterplas, dorstige grond wordt waterrijk gebied.

 

Psalm 146, 7-10

Refr.: Loof nu, mijn ziel, de Heer.

De Heer doet recht aan de verdrukten,
de Heer geeft brood aan de hongerigen.
De Heer bevrijdt de gevangenen,
de Heer opent de ogen van blinden.

De Heer richt de gebogenen op,
de Heer heeft de rechtvaardigen lief,
De Heer beschermt de vreemdelingen,
wezen en weduwen steunt Hij.

Wie kwaad doen, richt Hij te gronde.
De Heer is koning tot in eeuwigheid,
je God, Sion, van geslacht op geslacht.

 

Uit de brief van Jakobus 2, 1-5

Jakobus, die een leidende rol speelde in de kerkgemeenschap van Jeruzalem, nodigt alle christenen uit om hun geloof te belijden en te beleven door de naastenliefde te beoefenen, met name bijzonder voor de armen uit de parochie…

Broeders en zusters,
het geloof in Jezus Christus, onze glorierijke Heer, staat niet toe dat u mensen op hun uiterlijk beoordeelt. Stel dat uw samenkomst wordt bezocht door iemand die prachtige kleren en gouden ringen draagt, en tegelijkertijd door een arme in vodden. Als u dan de eerste met alle zorg omringt en tegen hem zegt: ‘Neemt u plaats, hier zit u goed,’ terwijl u tegen de tweede zegt: ‘Ga daar maar staan, of ga maar bij mijn voetenbank op de grond zitten,’ maakt u dan geen ongeoorloofd onderscheid en wordt uw oordeel niet door verkeerde overwegingen bepaald?
Luister, geliefde broeders en zusters: heeft God niet juist hen die naar wereldse maatstaven arm zijn, uitgekozen om rijk te zijn door het geloof en deel te krijgen aan het Koninkrijk dat Hij heeft beloofd aan wie Hem liefhebben?

 

Alleluia.

Jezus verkondigde de Blijde Boodschap
van het Koninkrijk en genas alle ziekten
en kwalen onder het volk.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 7, 31-37

Door een doofstomme weer te laten horen en spreken, doorbreekt Jezus de kring van uitsluiting van zieke en zwakke mensen. De manier waarop Jezus de genezing verricht, doet ons denken aan het doopritueel en aan de opneming van een geloofsleerling in de gemeenschap van de Kerk.

Jezus vertrok weer uit de omgeving van Tyrus en ging via Sidon naar het Meer van Galilea, dwars door het gebied van Dekapolis.
Daar werd iemand bij Hem gebracht die doof was en gebrekkig sprak, en men smeekte Hem om deze man de hand op te leggen. Hij nam de man apart, weg van de menigte, stak zijn vingers in diens oren en raakte met speeksel zijn tong aan. Hij sloeg zijn blik op naar de hemel, zuchtte diep en zei tegen hem: ‘Effata!’, wat betekent: ‘Ga open!’ Meteen gingen zijn oren open, zijn tong kwam los en hij kon normaal spreken.
Hij beval de omstanders om aan niemand te vertellen wat er gebeurd was; maar hoe strenger Hij het hun verbood, hoe meer ze het rondvertelden.
De mensen waren geweldig onder de indruk en zeiden: ‘Alles wat Hij doet is goed: zelfs doven laat Hij horen en stommen laat Hij spreken.’

Van Woord naar leven

De overweging van vandaag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

De lezingen uit het evangelie zijn veel meer dan alleen maar reportages over de gebeurtenissen uit het leven van Jezus. Het zijn verhalen met een diepere betekenis voor ons, gelovige mensen, nu. Jezus heeft een doofstomme genezen 2000 jaar geleden. Maar dit verhaal is in het heilig evangelieboek opgenomen als geloofsverhaal en het “gebeurt” vandaag opnieuw, hier binnen onze gelovige gemeenschap, echter dan ooit. Jezus geneest vandaag al het doofstomme in ons! Want zijn wij niet allemaal op één of ander domein wat doof en een beetje stom?

Wij zijn soms doof om Jezus’ woord te horen. Sommige dagen weten wij wel wat de Heer van ons vraagt, maar toch doen wij juist het tegenovergestelde. Wij horen wel diep in ons hart een stem die ons uitnodigt die ruzie in de familie bij te leggen, iemand een nieuwe kans te geven op school of op het werk, maar wij sluiten de oren voor die stem in ons binnenste. Wij zijn ook doof voor de nood van onze medemensen. Wij kunnen met bewondering opkijken naar een rijk geklede persoon, terwijl wij tot een armere gemakkelijk zeggen: “Blijf daar maar even wachten!” Hoe dikwijls gebeurt het ons niet, deels onbewust inderdaad, maar deels ook welbewust, goed wetend dat de Heer vraagt dat wij juist geen onderscheid maken tussen rijken en armen.

Wij zijn soms ook stom. Wij spreken de woorden niet uit die wij zouden moeten spreken. Die goede, milde woorden, waarmee wij iemand kunnen doen heropleven, die weer moed geven, wij voelen ze wel opwellen in ons hart, maar ze blijven ergens steken in onze keel. Wij spreken ze niet uit, omdat wij vergeetachtig zijn of onaandachtig. Om anderen proficiat te wensen, hebben wij schrik of zijn wij te fier.

“Liefde” is “openheid”, “beminnen” betekent “open staan”, en dat is het tegenovergestelde van “opgesloten blijven in zichzelf”. De doofstomme die Jezus geneest is het symbool van de liefdeloze, gesloten mens, die ook nog voor een stuk aanwezig is in ieder van ons. Want op sommige dagen, in sommige perioden van ons leven, zijn wij in onszelf opgesloten en geïsoleerd, niet zozeer door de houding van anderen, maar vooral door onze eigen keuzes.

Ons leven is te vergelijken met het wonen in een huis met een mooie tuin, met er rond een dikke haag. Het is heerlijk om ons regelmatig in een luie tuinstoel neer te vleien om te genieten van onze mooi tuin. Maar nu is het wel zo dat wij niet te lang in onze luie tuinstoel mogen blijven liggen. Want die haag groeit rap omhoog. Eigenlijk moeten wij elke dag een stukje van onze haag knippen, onze gemakzucht snoeien, zodat wij, over onze haag heen, contact kunnen houden met diegenen die naast en met ons leven: de man met zijn vrouw, de ouders met hun kinderen, de vrienden met elkaar. Nu zijn er spijtig genoeg mensen die dagen aan een stuk toegeven aan hun luiheid en nalaten te werken aan die levensnoodzakelijke openheid. Voor zij het goed beseffen zijn zij dan geïsoleerd en eenzaam. En wanneer men van anderen afgesloten geraakt en verder nalatig blijft, dan groeit die haag zo hoog, dat zelfs de zon niet meer binnen kan. Dan geraakt men ook geïsoleerd van God.

Jezus is diegene die ons steeds opnieuw uitnodigt onze haag te knippen, dagelijks te werken aan grotere openheid: aan nieuw contact, aan nieuwe ontmoetingen. Grotere openheid tegenover diegenen met wij dagelijks samenleven en dan ook met zijn Vader. “Open je oren, open je mond! Hoor en spreek!”

Vandaag staat de Liefde weer voor onze tuinhaag, neemt ons apart, raakt ons aan met zijn nabijheid en spreekt ons persoonlijk toe: “Effeta! Ga open”, “Doe een inspanning dat je niet opgesloten geraakt in je eigen wereldje!”

Jezus is diegene die onze oren wil openen opdat wij beter de vragen en noden van anderen zouden horen. Hij wil onze mond openen zodat wij weer die goede woorden zouden spreken die opbeuren en aanmoedigen. Jezus komt vandaag in ons leven voorbij en Hij wil de doofstomme in ons genezen, zodat ook wij vandaag zouden kunnen zeggen: “Hij heeft alles wel gedaan! Hij laat doven horen en stommen spreken!”

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Jezus,
neem mij, zoals de man uit het evangelie, even apart, weg van de menigte; Gij en ik alleen. En raak me aan; m’n duisternis, m’n twijfels, m’n ongeloof. Raak me aan met uw genezende Liefde, met uw barmhartigheid die optilt, met uw vergeving die leven geeft.
Kom Jezus, trek me in de brand van uw Liefde, maak me innig één met U, en zend me, door U vernieuwd, de wereld in, uw goedheid dragend en uitdragend, elke dag opnieuw.
Tot in lengte van dagen.