30 dec – binnen het kerstoctaaf

Uit de eerste brief van Johannes 2, 12-17

De ‘wereld’ is voor Johannes dàt deel van de mensheid dat niet in God gelooft. De wereld die alleen op zichzelf rekent om gered te worden, en God verwerpt, zijn bestaan en heilsplan niet erkent. Die wereld, kan iemand die in God gelooft, niet liefhebben. Wie gelooft, kijkt verder dan de wereld die voorbijgaat, zonder zijn hart eraan te verliezen.

Vrienden,
ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van Christus’ naam. Ik schrijf u, ouderen: u kent Hem die er is vanaf het begin. Ik schrijf u, jongeren: u hebt Hem die het kwaad zelf is overwonnen. Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent Hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik: u bent sterk, het woord van God blijft in u, en u hebt het kwaad overwonnen.
Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, want alles wat in de wereld is–zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht–,dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid.

Psalm 96, 7-10

Refr.: De hemel straalt en de aarde jubelt.

Erken de Heer, stammen en volken,
erken de Heer, zijn majesteit en macht.

Erken de Heer, de majesteit van zijn Naam,
draag geschenken zijn voorhoven binnen.

Buig u voor de Heer in zijn heilige glorie,
huiver, heel de aarde, als Hij verschijnt.

Zeg aan de volken: De Heer is koning.
Vast staat de wereld, zij wankelt niet.
Hij oordeelt de volken naar recht en wet.

Uit het evangelie volgens Lucas 2, 36-40

De profetes Hanna erkent in Jezus de gezondene van de Heer, die zijn volk zal redden. Haar lofzang is een geloofsgetuigenis. Zij vertolkt de vreugde van allen, die de messiaanse profetieën in vervulling zien gaan in de menswording van Jezus.

Er was daar ook een profetes, Hanna, de dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; vanaf haar huwbare leeftijd had ze zeven jaar met haar man geleefd, en ze was nu al vierentachtig jaar weduwe. Ze was altijd in de tempel, waar ze God dag en nacht diende met vasten en bidden.
Op dat moment kwam ze naar Maria en het kind toe, bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem.
Toen ze alles overeenkomstig de wet van de Heer hadden gedaan, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met wijsheid; Gods genade rustte op Hem.

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.