Lezingen van de dag – woensdag 24 april 2019


 

woensdag in de paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 3, 1-10

Christen zijn, getuigen van de verrijzenis, is niet op de eerste plaats schermen met woorden, maar leven, spreken en handelen als Jezus. Wij zien Petrus een zieke genezen: hij gebruikt woorden , gebaren, kortom de ‘stijl’ van Jezus zelf. Dit toont hoe Jezus zelf met zijn leerlingen actief blijft. Belangrijk is hier ook dat het om Jezus en om God gaat, niet om Petrus, mens en bedienaar van Gods heilswerk. Niet de apostel, maar wel God wordt verheerlijkt door de mensen die dit heilsmoment bijwoonden.

Op een dag gingen Petrus en Johannes zoals gewoonlijk omstreeks het negende uur naar de tempel voor het middaggebed. Men had ook een man die al sinds zijn geboorte verlamd was naar de tempel gebracht; hij werd daar elke dag neergelegd bij de poort die de Schone heet, om te bedelen bij de bezoekers van de tempel. Toen hij zag dat Petrus en Johannes de tempel wilden binnengaan, vroeg hij om een aalmoes.
Petrus richtte zijn blik op hem, evenals Johannes, en zei: ‘Kijk ons aan.’
De bedelaar keek naar hen op, in de verwachting iets van hen te krijgen.
Maar Petrus zei: ‘Geld heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop.’
Hij pakte hem bij zijn rechterhand om hem overeind te helpen. Onmiddellijk kwam er kracht in zijn voeten en enkels. Hij sprong op, ging staan en begon te lopen. Daarna ging hij samen met hen de tempel binnen, lopend en springend en God lovend.
Alle tempelbezoekers zagen hem lopen en hoorden hem God loven. Ze herkenden hem als de bedelaar die altijd bij de tempelpoort had gezeten en waren buiten zichzelf van verbazing over wat er met hem was gebeurd.

 

Psalm 105, 1-9

Refr.: Wees blij van hart, u die de Heer zoekt.

Loof de Heer, roep luid zijn Naam,
maak zijn daden bekend onder de volken.
Zing en speel voor Hem,
spreek vol lof over zijn wonderen.
Beroem u op zijn heilige Naam,
wees blij van hart, u die de Heer zoekt.

Zie uit naar de Heer en zijn macht,
zoek voortdurend zijn nabijheid.
Gedenk de wonderen die Hij heeft gedaan,
de oordelen die Hij heeft uitgesproken.
Nageslacht van Abraham, zijn dienaar,
kinderen van Jakob, door Hem verkozen.

Hij is de Heer, onze God,
zijn besluiten gelden over de hele aarde.
Tot in eeuwigheid zal Hij gedenken
zijn belofte aan duizend geslachten.
Het verbond dat Hij sloot met Abraham
en voor Isaak bevestigde met een eed.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 24, 13-35

Zoals de leerlingen van Emmaüs kunnen wij Jezus pas ervaren, zien, in onze wereld, in onze menselijke relaties, als we echt geloof hebben, als we alles met nieuwe ogen bekijken. Alles rondom ons, de opbloeiende natuur, de openbloeiende mensen, onze eigen ervaringen, leiden naar Hem. Dat geloof is altijd een tasten. Want als we Hem herkennen, verdwijnt Hij dikwijls weer uit ons gezicht.

Op de eerste dag van de week gingen twee van de leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs heet en zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen.
Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden.
Hij vroeg hun: ‘Waar loopt u toch over te praten?’
Daarop bleven ze somber gestemd staan.
Een van hen, die Kleopas heette, antwoordde: ‘Bent U dan de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is?’
Jezus vroeg hun: ‘Wat dan?’
Ze antwoordden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus uit Nazaret, een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. Onze hogepriesters en leiders hebben Hem ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. Wij leefden in de hoop dat Hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is. Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf gingen, vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen zeggen dat er engelen aan hen waren verschenen. De engelen zeiden dat Hij leeft. Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen ze niet.’
Toen zei Hij tegen hen: ‘Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’
Daarna verklaarde Hij hun wat er in al de Schriften over Hem geschreven stond, en Hij begon bij Mozes en de Profeten.
Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof Hij verder wilde reizen. Maar ze drongen er sterk bij Hem op aan om dat niet te doen en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Hij ging mee het dorp in en bleef bij hen.
Toen Hij met hen aan tafel aanlag, nam Hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun.
Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze Hem. Maar Hij werd onttrokken aan hun blik.
Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet toen Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?’
Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen, die tegen hen zeiden: ‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en Hij is aan Simon verschenen!’
De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood.

Lezingen van de dag – dinsdag 23 april 2019


 

dinsdag in de paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 2, 36-41

Het is typisch dat in de eerste verkondiging van de christelijke geschiedenis de verrijzenisboodschap steeds verbonden wordt met een oproep tot bekeringsgezindheid. Het aanvaarden van Jezus’ verrijzenis en dus de mogelijkheid van het leven als verrezenen eist een uittreden uit onszelf, een wil om nieuwe mens te worden. Zich bekeren is langs de kant van Christus gaan staan. Zich laten dopen is zich laten opnemen in Jezus’ leven, is Jezus in ons laten verrijzen.

Op Pinsteren sprak Petrus: ‘Laat het hele volk van Israël er zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en messias is aangesteld.’
Toen ze dit hoorden, waren ze diep getroffen en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’
Petrus antwoordde: ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’
Ook op nog andere wijze legde hij getuigenis af, waarbij hij een dringend beroep op zijn toehoorders deed met de woorden: ‘Laat u redden uit dit verdorven mensengeslacht!’
Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend.

 

Psalm 33, 4 + 5 + 18 + 19 + 20 + 22

Refr.: De aarde is vol van de mildheid van de Heer.

Oprecht is het woord van de Heer,
alles wat Hij doet is betrouwbaar.

Hij heeft recht en gerechtigheid lief,
van de trouw van de Heer is de aarde vervuld.

Het oog van de Heer rust op wie Hem vrezen,
op wie hopen op zijn trouw.

Hij zal hen redden in doodsgevaar,
bij hongersnood zal Hij hun leven sparen.

Wij verwachten vol verlangen de Heer,
Hij is onze hulp en ons schild.

Schenk ons uw trouw, Heer,
op U is al onze hoop gevestigd.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 20, 11-18

De verrezen Heer laat zich maar herkennen door de mens die Hem met liefde zoekt. Het verhaal van Maria Magdalena toont ons aan dat Jezus ontdekt wordt waar Hij niet verwacht wordt. We moeten dus Jezus leren zien waar Hij is. Hij is overal waar mensen elkaar de kans geven nieuw te zijn.

Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen.
‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar.
Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem naartoe gebracht hebben.’
Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was.
‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’
Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’
Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’
Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!‘ (Dat betekent ‘meester’.)
‘Houd me niet vast’ , zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat Ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’
Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’
En ze vertelde alles wat Hij tegen haar gezegd had.

Lezingen van de dag – maandag 22 april 2019


 

paasmaandag


Uit de Handelingen van de Apostelen 2, 14 + 22-32

We maken hier kennis met Petrus’ eerste prediking tot het volk. De Petrus van de verloocheningsnacht is dood: dit is een Petrus die niet kàn zwijgen. Wie werkelijk gelooft dat Jezus lééft, gaat getuigen in blijdschap en vreugde. Het leven van de christen krijgt een andere kleur door de paaservaring: de ervaring van het nieuwe leven.

Petrus trad naar voren, samen met de elf andere apostelen, verhief zijn stem en sprak de menigte toe:
‘U, Joden en inwoners van Jeruzalem, luister naar mijn woorden en neem ze ter harte. Israëlieten, luister naar wat ik u zeg: Jezus uit Nazaret is door God tot u gezonden, hetgeen gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God, zoals u bekend is, door zijn toedoen onder u heeft verricht.
Deze Jezus, die overeenkomstig Gods bedoeling en voorkennis is uitgeleverd, hebt u door heidenen laten kruisigen en doden. God heeft Hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van Hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over Hem niet behouden.
David zegt immers over Hem: “Steeds houd ik de Heer voor ogen, Hij is aan mijn zijde, ik wankel niet. Daarom verheugt zich mijn hart en jubelt mijn tong van blijdschap. Ja, mijn lichaam zal behouden blijven, want u zult mij niet overleveren aan het dodenrijk en het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan. U hebt mij de weg naar het leven getoond, uw nabijheid zal mij vervullen met vreugde.”
Broeders en zusters, u zult mij wel toestaan dat ik over de aartsvader David zeg dat hij gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich immers nog steeds hier.
Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, heeft hij de opstanding van de messias voorzien en gezegd dat deze niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan.
Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen.’

 

Psalm 16, 1 + 2a + 5 + 7 + 8 + 9 + 10 + 11

Refr.: Behoed mij, God, ik schuil bij U.

Behoed mij, God, ik schuil bij U.
Ik zeg tot de Heer: U bent mijn Heer.

Heer, mijn enig bezit, mijn levensbeker,
U houdt mijn lot in handen.

Ik prijs de Heer die mij inzicht geeft,
zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.

Steeds houd ik de Heer voor ogen,
met Hem aan mijn zijde wankel ik niet.

Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.

U levert mij niet over aan het dodenrijk
en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.

U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 28, 8-15

Het lege graf van Jezus is voor sommigen bron van verbazing, geloof, vreugde en hoop, voor anderen bron van ergernis, ongeloof en tegenwerking. Maar elke mens moet tenslotte stelling nemen. Wie gelooft, zoals de vrouwen, brengt ook vandaag de boodschap van vandaag naar de mensen. Als men louter met het verstand tracht te zien, gelooft men evenwel nog niet. Men moet zich gewonnen geven aan en in de Geest, met het hart. En ernaar leven…

Ontzet en opgetogen verlieten de vrouwen haastig het graf om het aan Jezus’ leerlingen te gaan vertellen.
Op dat moment kwam Hij hun tegemoet en groette hen.
Ze liepen op Hem toe, grepen zijn voeten vast en bewezen Hem eer.
Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien.’
Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de bewakers naar de stad. Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. Die vergaderden met de oudsten en besloten de soldaten een flinke som geld te geven en hun op te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ‘s nachts gekomen en hebben Hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.” En mocht dit de prefect ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.’
Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.

Lezingen van de dag – zondag 21 april 2019


 

Pasen

Verrijzeniszondag  –  hoogfeest

Elkaar vandaag een gelukkige of zalige hoogdag toewensen is een mooie en zinvolle gewoonte. Deze paaszondag is immers dé Dag des Heren bij uitstek. Het is de ‘Dag die de Heer heeft gemaakt!’ Daarom kunnen wij blij zijn en jubelen: ‘Alleluia, Christus is verrezen, alleluia!’ Ook wijzelf kunnen delen in die vreugde. Hij, Christus Jezus, heeft ons immers radicaal nieuw gemaakt. Met Hem verrezen tot een nieuw leven, zijn wij ook uitgenodigd mét Hem te leven! Daarom kunnen wij vandaag, als dankbare, gelovige kinderen, de Vader jubelend danken voor zoveel goedheid.


Uit de Handelingen van de Apostelen 10, 34a + 37-43

Alleen een kleine groep mensen kon getuigen van het paasmysterie. Zij waren niet enkel de getuigen geweest van Jezus’ openbaar leven maar ook van zijn verrijzenis. En als wij vandaag geloven, dan is dat in de kracht van hun ervaring zn hun geloof.

Petrus nam het woord en zei:
‘U weet wat er in heel het Joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God, na de doop waartoe Johannes opriep, Jezus uit Nazaret met de heilige Geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed. Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij. Wij zijn de getuigen van alles wat Hij gedaan heeft, in het land van de Joden en ook in Jeruzalem.
Zeker, ze hebben Hem gedood door Hem aan een kruishout te hangen, maar God heeft Hem op de derde dag weer tot leven gewekt en Hem aan de mensen laten verschijnen, niet aan het hele volk, maar aan enkele getuigen die daartoe door God waren aangewezen, aan ons namelijk, die samen met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de dood was opgestaan.
Hij heeft ons opgedragen daarvan getuigenis af te leggen en aan het volk bekend te maken dat Hij het is die door God is aangesteld als rechter over de levenden en de doden. Van Hem getuigen alle profeten dat iedereen die in Hem gelooft door zijn Naam vergeving van zonden krijgt.’

 

Psalm 118, 1-2 + 16-17 + 22-23

Refr.: Alleluia – alleluia – alleluia

Loof de Heer, want Hij is goed,
eeuwig duurt zijn trouw.
Laat Israël zeggen:
‘Eeuwig duurt zijn trouw’.

De rechterhand van de Heer verheft mij,
de rechterhand van de Heer doet machtige daden.
Ik zal niet sterven, maar leven,
en de daden van de Heer verhalen.

De steen die de bouwers afkeurden,
is een hoeksteen geworden.
Dit is het werk van de Heer,
een wonder in onze ogen.

 

Uit de brief van Paulus aan de Kolossenzen 3, 1-4

Voor de gedoopten heeft het eeuwig leven van de Verrezene nog niet zijn volle heerlijkheid bereikt. Maar vanaf vandaag, in het licht van het Koninkrijk waarnaar zij op weg zijn, moeten de christenen de ware zin van hun bestaan vinden.

Broeders en zusters,
als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister verschijnen.

 

Alleluia.

Christus, ons Paaslam, is opgestaan.
Laat ons feest vieren in de Heer.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 20, 1-9

Jezus leeft! Petrus, het hoofd van het apostelcollege, is als eerste het graf binnengegaan en heeft het officieel vastgesteld. Maar het is Johannes, de leerling die Jezus liefhad, die met zijn intuïtieve liefde het teken van het lege graf onmiddellijk verstaat.

Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze Hem nu neergelegd hebben.’
Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek.
Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan.

Lezingen van de dag – zaterdag 20 april 2019


Stille zaterdag

Tussen Goede vrijdag en Paaszondag

Vandaag, op Stille zaterdag, zijn we aanwezig bij de Heer die gestorven is.
Geen eucharistie, geen Woord, enkel stilte, wachtende stilte,
uitkijkend naar de opkomende Zon …

 

 

Lezingen van de dag – vrijdag 19 april 2019


 

Goede Vrijdag


Uit de profeet Jesaja 52, 13 – 53, 12

Ons lijden nam hij op zich.

Ja, mijn dienaar zal slagen, hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien.
Zoals hij velen deed huiveren – zo gruwelijk, zo onmenselijk was zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens; zo zal hij veel volken opschrikken, en koningen zullen sprakeloos staan. En zij aan wie niets was verteld, zullen zien, zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen.
Wie kan geloven wat wij hebben gehoord? Aan wie is de macht van de Heer geopenbaard?
Als een loot schoot hij op onder Gods ogen, als een wortel die uitloopt in dorre grond. Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren.
Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht.
Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd.
Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.
Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de Heer op hem neerkomen.
Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open.
Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.
Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken.
Maar de Heer wilde hem breken, hij maakte hem ziek. Hij offerde zijn leven voor hun schuld, om zijn nageslacht te zien en lang te leven. En door zijn toedoen slaagde wat de Heer wilde.
Na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij het licht en werd met kennis verzadigd. Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht, hij neemt hun wandaden op zich.
Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen. Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op.

 

Psalm 31, 2 + 6 + 12 + 13 + 15 + 16 + 17 + 25

Refr.: Wees sterk en houd moed.

Bij U, Heer, schuil ik,
maak mij nooit te schande.
Bevrijd mij en doe mij recht.
In uw hand leg ik mijn leven,
Heer, trouwe God, U verlost mij.

Bij allen die mij belagen
wek ik de lachlust,
bij mijn buren nog het meest.
Wie mij kennen zijn verbijsterd,
wie mij zien aankomen op straat
wenden zich af en ontvluchten mij.

Vergeten ben ik als een dode, weg uit het hart,
afgedankt als gebroken aardewerk.
Maar ik vertrouw op U, Heer,
ik zeg: U bent mijn God,
in uw hand liggen mijn lot en mijn leven,
bevrijd mij uit de greep van mijn vijanden en vervolgers.

Laat het licht van uw gelaat over mij schijnen,
toon uw trouw en red uw dienaar.
Allen die uw hoop vestigt op de Heer:
wees sterk en houd moed.

 

Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 4, 14-16 + 5, 7-9

‘Een hooggeplaatste hogepriester’

Broeders en zusters,
nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden.
Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat Hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat Hij niet vervallen is tot zonde.
Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.
Christus heeft tijdens zijn leven op aarde onder tranen en met luide stem gesmeekt en gebeden tot Hem die Hem kon redden van de dood, en werd verhoord vanwege zijn diep ontzag voor God.
Hoewel Hij zijn Zoon was, heeft Hij moeten lijden, en zo heeft Hij gehoorzaamheid geleerd.
En toen Hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was, werd Hij voor allen die Hem gehoorzamen een bron van eeuwige redding.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 18, 1 – 19, 42

De passie van de Heer.

Jezus ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn leerlingen.
Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen.
Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de Farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns.
Jezus wist precies wat er met Hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’
Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’
‘Ik ben het’, zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond.
Toen Hij zei: ‘Ik ben het’, deinsden ze achteruit en vielen op de grond.
Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’
‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het, ”’zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’
Zo gingen de woorden in vervulling die Hij gesproken had: ‘Geen van hen die U mij gegeven hebt, heb Ik verloren laten gaan.’
Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf.
Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou Ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?’
De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden Hem.

Ze brachten Hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’
Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, maar Petrus bleef buiten bij de poort staan.
Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen.
Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’
‘Nee, ik niet’, zei hij.
De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen.

De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer.
Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb Ik iets in het geheim gezegd. Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat Ik gezegd heb.’
Toen Jezus dat zei gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’
Jezus zei: ‘Als Ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat Ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’
Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.

Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’ vroegen ze.
‘Nee’, ontkende Petrus, ‘ik niet.’
Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij Hem was in de olijfgaard?’
Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan.

Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal.
Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’
Ze antwoordden: ‘Als Hij geen misdadiger was, zouden we Hem niet aan u uitgeleverd hebben.’
Pilatus zei: ‘Neem Hem dan mee, en veroordeel Hem volgens uw eigen wet.’
Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’
Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou.

Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg Hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’
Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’
‘Ik ben toch geen Jood’, antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd – wat hebt U gedaan?’
Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat Ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’

Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’
‘U zegt dat ik koning ben’, zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat Ik zeg.’
Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’

Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in Hem gevonden’, zei hij.
‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat – wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’
Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’
Barabbas was een misdadiger.

Toen liet Pilatus Jezus geselen.
De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen mantel aan.
Ze liepen naar Hem toe en zeiden: ‘Leve de koning van de Joden!’, en ze sloegen Hem in het gezicht.

Pilatus liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal Hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’
Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is hij, de mens’, zei Pilatus.
Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars Hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig Hem, kruisig Hem!’
Toen zei Pilatus: ‘Neem Hem dan maar mee en kruisig Hem zelf, want ik zie niet waaraan Hij schuldig is.’
De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat Hij moet sterven, omdat Hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’
Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang.
Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt U vandaan?’
Maar Jezus gaf geen antwoord.
‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om U vrij te laten of U te kruisigen?’
Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’
Vanaf dat moment wilde Pilatus Hem vrijlaten.
Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’
Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata.
Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is Hij, uw koning.’
Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met Hem, weg met Hem, aan het kruis met Hem!’
Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’
Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’
Toen droeg Pilatus Hem aan hen over om Hem te laten kruisigen.

Zij voerden Jezus weg; Hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota.
Daar kruisigden ze Hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden.
Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen.
De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’
‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven’, was het antwoord van Pilatus.

Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden.
Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn mantel.’ Dat is wat de soldaten deden.

Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala.
Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie Hij veel hield, zei Hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon’, en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.

Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei Hij: ‘Ik heb dorst.’
Er stond daar een vat water met azijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond.
Nadat Jezus ervan gedronken had zei Hij: ‘Het is volbracht.’
Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.

Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen.
Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander.
Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat Hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet.
Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit.
Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft.
Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’
Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op Hem die ze hebben doorstoken.’

Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea – die uit vrees voor de Joden in het geheim een leerling van Jezus was – aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee.
Nikodemus, die destijds ‘s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra.
Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis.
Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was.
Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.

Lezingen van de dag – donderdag 18 april 2019


 

Witte donderdag

Voetwassing door de Heer
Instelling van de eucharistie


Uit het boek Exodus 12, 1-8 + 11-14

Het eten van het paaslam.

De Heer zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte: ‘Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn. Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: “Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje uitkiezen, elk gezin één. Gezinnen die te klein zijn om een heel dier te eten, nemen er samen met hun naaste buren een, rekening houdend met het aantal personen en met wat ieder nodig heeft. Het mag het jong van een schaap zijn of het jong van een geit, als het maar een mannelijk dier van één jaar oud is zonder enig gebrek. Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer slachten. Het bloed moeten jullie bij elk huis waarin een dier gegeten wordt, aan de beide deurposten en aan de bovendorpel strijken. Rooster het vlees en eet het nog diezelfde nacht, met ongedesemd brood en bittere kruiden.
Zo moeten jullie het eten: met je gordel om, je sandalen aan en je staf in de hand, in grote haast. Dit is een maaltijd ter ere van de Heer, het pesachmaal. Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en Ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en Ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want Ik ben de Heer.
Maar jullie zal Ik voorbijgaan: aan het bloed zal Ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee Ik Egypte straf, jullie niet treffen.
Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de Heer. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, alle komende generaties moeten die dag vieren.’

 

Psalm 116, 12 + 13 + 15 + 16 + 17 + 18

Refr.: Ik zal de Naam van de Heer aanroepen.

Hoe kan ik de Heer vergoeden
wat Hij voor mij heeft gedaan?

Ik zal de beker van bevrijding heffen,
de Naam aanroepen van de Heer.

Met pijn ziet de Heer
de dood van zijn getrouwen.

Ach, Heer, ik ben uw dienaar,
uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares:
u hebt mijn boeien verbroken.

U wil ik een dankoffer brengen.
Ik zal de Naam aanroepen van de Heer.

Ik zal mijn geloften aan de Heer inlossen
in het bijzijn van heel zijn volk.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 11, 23-26

In de nacht waarin Jezus brood nam.

Broeders en zusters,
wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf.
In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam Hij een brood,sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’
Zo nam Hij na de maaltijd ook de beker, en Hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om mij te gedenken.’
Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 13, 1-15

Jezus gaf een bewijs van zijn liefde.

Het was kort voor het pesachfeest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat Hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die Hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan.
Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd. De duivel had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet Jezus te verraden.
Jezus, die wist dat de Vader Hem alle macht had gegeven, dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die Hij omgeslagen had.
Toen Hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’
Jezus antwoordde: ‘Wat Ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’
‘O nee’, zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’
Maar toen Jezus zei: ‘Als Ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen’, antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’
Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein–maar niet allemaal.’ Hij wist namelijk wie Hem zou verraden, daarom zei Hij dat ze niet allemaal rein waren.
Toen Hij hun voeten gewassen had, deed Hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats.
‘Begrijpen jullie wat Ik gedaan heb?’ vroeg Hij.
‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben Ik ook. Als Ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. Ik heb een voorbeeld gegeven; wat Ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.’

Lezingen van de dag – woensdag 17 april 2019


 

woensdag in de Goede Week


Uit de profeet Jesaja 50, 4-9a

Het derde lied van de ‘Dienaar van Jahwe’ bezingt de volharding die deze als ijverige leerling put in de steun van Jahwe. Hij mag Gods woorden vertolken, omdat hij geluisterd heeft naar de Heer. Veel moeilijkheden zal hij ondervinden. Trouw zal hij blijven. De Heer is zijn helper.

God, de Heer, gaf mij een vaardige tong, waarmee ik de moedeloze kan opbeuren.
Elke ochtend wekt hij mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen.
God, de Heer, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd.
Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars,
wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan. Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze mij beschimpten en bespuwden.
God, de Heer, zal mij helpen, daarom word ik niet gekwetst en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots, want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
Hij die mij recht verschaft is nabij. Wie durft tegen mij een geding aan te spannen? Laten we samen voor het gerecht verschijnen. Wie is mijn tegenstander in deze zaak? Laat hij mij tegemoet treden.
God, de Heer, zal mij helpen – wie zal mij dan veroordelen?

 

Psalm 69, 8 + 9 + 10 + 21bcd-22 + 31 + 33 + 34

Refr.: Nu is het de tijd van genade.

Om U moet ik smaad verduren
en bedekt het schaamrood mijn gezicht.
Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden,
een onbekende voor de zonen van mijn moeder.

De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd,
de smaad van wie U smaadt, is op mij neergekomen.
Ik hoopte op mededogen – vergeefs;
op troost – die ik niet vond.

Nee, ze mengden gif door mijn eten
en lesten mijn dorst met azijn.
De Naam van God wil ik loven met een lied,
zijn grootheid met een lofzang prijzen.

De nederigen zien het en verheugen zich,
wie God zoeken, hun hart zal opleven.
Want de Heer hoort de armen,
zijn gevangen volk verwerpt Hij niet.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 26, 14-25

Men is vaak het meest ontgoocheld in zijn beste vrienden. Judas pleegt verraad aan zijn vriendschap met Jezus. De andere leerlingen zijn er zich zeer goed van bewust dat ook zij nog geen echte volgelingen van Jezus zijn. ‘Ik toch niet, Heer?’, vraagt elk van hen. Jezus kiest voor de trouw aan de wil van zijn Vader.

Eén van de twaalf, die met de naam Judas Iskariot, ging naar de hogepriesters en zei: ‘Wat krijg ik van u als ik Hem aan u uitlever?’
Ze betaalden hem dertig zilverstukken.
Vanaf dat moment zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.
Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt U dat wij voorbereidingen treffen zodat U het pesachmaal kunt eten?’
Hij zei: ‘Ga naar de stad en zeg tegen de persoon die jullie bekend is: “De meester zegt: ‘Mijn tijd is nabij, bij jou wil Ik met mijn leerlingen het pesachmaal gebruiken.’”’
De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en bereidden het pesachmaal.
Toen de avond was gevallen, lag Hij samen met de twaalf aan voor de maaltijd.
Onder het eten zei Hij tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie zal mij uitleveren.’
Dit bedroefde hen zeer, en de een na de ander vroegen ze hem: ‘Ik toch niet, Heer?’
Hij antwoordde: ‘Hij die samen met mij zijn brood in de kom doopte, die zal mij uitleveren. De Mensenzoon zal heengaan zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’
Toen zei Judas, die Hem zou uitleveren: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’
Jezus antwoordde: ‘Jij zegt het.’

Lezingen van de dag – dinsdag 16 april 2019


 

dinsdag in de Goede Week


Uit de profeet Jesaja 49, 1-6

Het tweede lied van de ‘Dienaar van Jahwe’ spreekt ons over zijn uitverkiezing en zijn profetische zending. Deze wil Israël na de ballingschap herstellen, maar niet politiek. Zij wil veeleer een bekering van geest en leven bewerken bij de kleine rest.

Eilanden, hoor mij aan, verre volken, luister aandachtig. Al in de schoot van mijn moeder heeft de Heer mij geroepen, nog voor ze mij baarde noemde Hij mijn naam.
Mijn tong maakte Hij scherp als een zwaard, Hij hield me verborgen in de schaduw van zijn hand; Hij maakte me tot een puntige pijl, Hij stak me weg in zijn pijlkoker.
Hij heeft me gezegd: ‘Mijn dienaar ben jij. In jou, Israël, toon ik mijn luister.’
Maar ik zei: ‘Tevergeefs heb ik me afgemat, ik heb al mijn krachten verbruikt, het was voor niets, het heeft geen zin gehad. Maar de Heer zal me recht doen, mijn God zal me belonen.’
Toen sprak de Heer, die mij al in de moederschoot gevormd heeft tot zijn dienaar om Jakob naar Hem terug te brengen, om Israël rond Hem te verzamelen – dat ik aanzien zou genieten bij de Heer en dat mijn God mijn sterkte zou zijn.
Hij zei: ‘Dat je mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt.’

 

Psalm 71, 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 15 + 17

Refr.: Mijn mond verhaalt uw gerechtigheid.

Bij U, Heer, schuil ik,
maak mij nooit te schande,
red en bevrijd mij, doe mij recht,
hoor mij en kom mij te hulp.

Wees de rots waarop ik kan wonen,
waar ik altijd heen kan gaan.
U hebt mijn redding bevolen,
mijn rots en mijn burcht, dat bent U.

Mijn God, bevrijd mij uit de hand van schurken,
uit de greep van wrede onderdrukkers.
U bent mijn enige hoop, Heer, mijn God,
van jongs af vertrouw ik op U.

Al vanaf mijn geboorte steun ik op U,
al in de moederschoot was U het die mij droeg,
U wil ik altijd loven.

Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid,
van uw reddende daden, dag aan dag,
hun aantal kan ik niet tellen.
God, U onderwees mij van jongs af aan,
en steeds nog vertel ik uw wonderen.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 13, 21-33 + 36-38

Tijdens het vriendenmaal voorspelt Jezus de komende dagen. Eén van zijn leerlingen, Judas Iskariot, zal Hem verraden. Maar ook de anderen zullen ontredderd zijn. ‘Ik ga ergens naartoe waar jij nog niet kunt komen, later zul je mij volgen’.
Zelfs Petrus zal Hem driemaal verloochenen nog eer de haan kraait.

Toen Jezus met zijn leerlingen aan tafel aanlag werd Hij diepbedroefd, en Hij verklaarde: ‘Waarachtig, Ik verzeker jullie: een van jullie zal mij verraden.’
De leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich af wie Hij bedoelde.
Een van hen, de leerling van wie Jezus veel hield, lag naast Hem aan tafel aan, en Simon Petrus beduidde hem dat hij moest vragen wie Jezus bedoelde.
Hij boog zich dicht naar Jezus toe en vroeg: ‘Wie, Heer?’
‘Degene aan wie Ik het stuk brood geef dat Ik nu in de schaal doop’, zei Jezus. Hij doopte een stuk brood in de schaal en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot.
Op dat moment nam de duivel bezit van Judas. Jezus zei: ‘Doe maar meteen wat je van plan bent.’
Niemand aan tafel begreep waarom Hij dit zei; omdat Judas de kas beheerde, dachten sommigen dat Jezus bedoelde dat hij inkopen voor het feest moest doen, of dat hij iets aan de armen moest geven.
Judas nam het brood aan en ging meteen weg. Het was nacht.
Toen hij weg was zei Jezus: ‘Nu is de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar geworden, en door Hem de grootheid van God. Als Gods grootheid door Hem zichtbaar geworden is, zal God Hem ook in die grootheid laten delen, nu onmiddellijk. Kinderen, Ik blijf nog maar een korte tijd bij jullie. Jullie zullen me zoeken, maar wat Ik tegen de Joden gezegd heb, zeg ik nu ook tegen jullie: “Waar Ik heen ga, daar kunnen jullie niet komen.’
Simon Petrus vroeg: ‘Waar gaat U naartoe, Heer?’
Jezus antwoordde: ‘Ik ga ergens naartoe waar jij nog niet kunt komen, later zul je mij volgen.’
‘Waarom kan ik U nu niet volgen, Heer? Ik wil mijn leven voor U geven!’ zei Petrus.
Maar Jezus zei: ‘Jij je leven voor mij geven? Waarachtig, Ik verzeker je: nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen.’

Lezingen van de dag – maandag 15 april 2019


 

maandag in de Goede Week


Uit de profeet Jesaja 42, 1-7

In vier liederen bezingt Jesaja de ‘Dienaar van Jahwe’, waarin Jezus de volmaakte verpersoonlijking zal zijn. Het eerste lied spreekt over zijn uitverkiezing. Hij krijgt de opdracht om Israël het heil te brengen. Daartoe werd hij vervuld met de geest. Hij zal in zachtmoedigheid en nederigheid de kracht en het universele licht van de ware God moeten brengen bij de naties.

Zo spreekt de Heer:
‘Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind Ik vreugde, Ik heb hem met mijn geest vervuld. Hij zal alle volken het recht doen kennen.
Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet, hij roept niet luidkeels in het openbaar; het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende vlam zal hij niet doven. Het recht zal hij zuiver doen kennen.
Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde vestigen; de eilanden zien naar zijn onderricht uit.
Dit zegt God, de Heer, die de hemel heeft geschapen en uitgespannen, die de aarde heeft uitgehamerd met alles wat zij voortbrengt, die de mensen op aarde levensadem geeft, en levensgeest aan allen die daar verkeren.
In gerechtigheid heb Ik, de Heer, jou geroepen. Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden, Ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen en maak je tot een licht voor alle volken, om blinden de ogen te openen, om gevangenen te bevrijden uit de kerker, wie in het duister zitten uit de gevangenis.’

 

Psalm 27, 1 + 2 + 3 + 13 + 14

Refr.: De Heer is mijn licht, mijn behoud.

De Heer is mijn licht, mijn behoud,
wie zou ik vrezen ?
Bij de Heer is mijn leven veilig,
voor wie zou ik bang zijn ?

Kwaadwilligen kwamen op mij af
om mij levend te verslinden,
mijn vijanden belaagden mij,
maar zij struikelden, zij vielen.

Al trok een leger tegen mij op,
mijn hart zou onbevreesd zijn,
al woedde er een oorlog tegen mij,
nog zou ik mij veilig weten.

Mag ik niet verwachten
de goedheid van de Heer te zien
in het land van de levenden ?

Wacht op de Heer,
wees dapper en vastberaden,
ja, wacht op de Heer.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 12, 1-11

De maaltijd bij Lazarus en de zalving van Jezus vinden plaats zes dagen voor Pasen. Judas Iskariot vindt het een geldverspilling. Dit verslag verwijst reeds naar de komende gebeurtenissen. Judas zal Hem overleveren. Jezus zal sterven, maar ook verrijzen. De aanwezigheid van Lazarus herinnert er ons aan dat Jezus heer en meester is over leven en dood.

Zes dagen voor Pesach ging Jezus naar Betanië, naar Lazarus die Hij uit de dood had opgewekt.
Daar hield men ter ere van Hem een maaltijd; Marta bediende, en Lazarus was een van de mensen die met Hem aanlagen.
Maria nam een kruikje kostbare, zuivere nardusolie, zalfde de voeten van Jezus en droogde ze af met haar haar. De geur van de olie trok door het hele huis.
Judas Iskariot, een van de leerlingen, degene die Hem zou uitleveren, vroeg: ‘Waarom is die olie niet voor driehonderd denarie verkocht om het geld aan de armen te geven?’ Dat zei hij niet omdat hij zich om de armen bekommerde – hij was een dief: hij beheerde de kas en stal eruit.
Maar Jezus zei: ‘Laat haar, ze doet dit voor de dag van mijn begrafenis; de armen zijn immers altijd bij jullie, maar Ik niet.’
Intussen hadden de Joden gehoord dat Jezus daar was en ze gingen in groten getale naar Hem toe, niet alleen om Hemzelf, maar ook om Lazarus te zien die Hij uit de dood had opgewekt.
De hogepriesters beraamden intussen een plan om ook Lazarus te doden, omdat hij er de oorzaak van was dat veel Joden bij Jezus kwamen en in Hem gingen geloven.