Aankondiging van de Heer (hoogfeest)

Uit de profeet Jesaja 7, 10-14

De geboorte van een zoon moet voor koning Achaz een steun zijn voor de toekomst. In dit teken heeft de Joodse traditie een voorspelling gezien van de Messias, de Immanuël, dit wil zeggen ‘God-met-ons’.

De Heer liet tegen Achaz zeggen: ‘Vraag om een teken van de Heer, uw God, hetzij uit de diepte van het dodenrijk hetzij uit de hoge hemel.’
Maar Achaz antwoordde: ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal de Heer niet op de proef stellen.’
Toen antwoordde Jesaja: ‘Luister, huis van David. Is het niet genoeg de mensen te tergen? Moet u nu ook mijn God tergen? Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen.’

Psalm 40, 7-11

Refr.: Ik kom, Heer, om uw wil te doen.

Offers en gaven verlangt U niet,
brand– en reinigingsoffers vraagt U niet.

Nee, U hebt mijn oren voor U geopend,
en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik,
over mij is in de boekrol geschreven.’

Uw wil te doen, mijn God, verlang ik,
diep in mij koester ik uw wet.

Wanneer het volk bijeen is,
spreek ik over uw rechtvaardigheid.

Ik houd mijn lippen niet gesloten,
U weet het, Heer.

Ik zwijg niet over uw goedheid,
maar getuig van uw trouw en uw hulp.

In de kring van het volk verheel ik niet
hoe liefdevol, hoe trouw U bent.

Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 10, 4-10

In de boekrol staat er over mij geschreven: ik ben gekomen, God, om uw wil te doen.

Broeders en zusters,
bloed van stieren en bokken kan mensen onmogelijk van hun zonden bevrijden. Daarom zegt Christus bij zijn komst in de wereld: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, maar U hebt mij een lichaam gegeven; brand– en reinigingsoffers behaagden U niet. Toen heb ik gezegd: “Hier ben ik”, want dit staat in de boekrol over mij geschreven: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen.”’
Eerst zegt hij: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, brand– en reinigingsoffers behaagden U niet’ –daarmee bedoelt Hij de offers die volgens de wet worden gebracht. Dan zegt Hij: ‘Hier ben ik, ik ben gekomen om uw wil te doen’, waarmee hij het eerste opheft om het tweede van kracht te doen zijn.
Op grond van die wil zijn wij voor eens en altijd geheiligd, door het offer van het lichaam van Jezus Christus.

Alleluia.
Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen;
laat er met mij gebeuren wat U hebt gezegd.’
Alleluia.

Uit het evangelie volgens Lucas 1, 26-38

Maria, een eenvoudig meisje uit Nazaret, is verloofd met Jozef, uit het huis van David. Zij heeft zich voorgenomen geheel en al voor de Heer te leven. In haar bereikt de hoop en de verwachting van Israël het hoogtepunt. Haar instemming maakt de vervulling van de oude voorspellingen mogelijk.

In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria.
Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’
Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had.
Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet Hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’
De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, want voor God is niets onmogelijk.’
Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat U hebt gezegd.’
Daarna liet de engel haar weer alleen.

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.