H. Jozef, bruidegom van de H. Maagd Maria (hoogfeest)

Uit het tweede boek Samuël 7, 4-5a + 12-14a + 16

God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken. (Lc.1,32)

In die dagen werd het woord van de Heer gericht tot Natan:
‘Zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de Heer: Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal Ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken. Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en Ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor Mij een zoon.
Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen.”’

Psalm 89, 2 + 3 + 4 + 5 + 27 + 29

Refr.: Zijn nageslacht zal blijven voor altijd.

Van uw liefde, Heer, wil ik eeuwig zingen,
van uw trouw getuigen, geslacht na geslacht.
Ik belijd: uw liefde houdt eeuwig stand,
uw trouw hebt U in de hemel gevestigd.

Ik heb met mijn uitverkorene een verbond gesloten,
aan mijn dienaar David gezworen:
Uw dynastie zal Ik voor eeuwig vestigen,
uw troon in stand houden, geslacht na geslacht.

Hij zal tot mij roepen: “U bent mijn vader,
mijn God, de rots die mij redt!”
Mijn liefde zal hem altijd beschermen,
hecht is mijn verbond met hem.

Uit de brief van Paulus aan de Romeinen 4, 13 + 16-18 + 22

Tegen alle hoop in heeft Abraham geloofd.

Niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen, maar door de gerechtigheid die het geloof schenkt.
Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van vele volken gemaakt.’
En hij is dit ten overstaan van God, op wie hij vertrouwde, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. Hoewel het eigenlijk niet kon, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’
En dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.

Uit het evangelie volgens Matteüs 1, 16 + 18-21 + 24a

Jozef deed zoals de engel van de Heer hem had opgedragen.

Jakob verwekte Jozef, de man van Maria. Bij haar werd Jezus verwekt, die Christus genoemd wordt.
De afkomst van Jezus Christus was als volgt.
Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten. Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want Hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.’
Jozef werd wakker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen.

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.