Lezingen van de dag – maandag 25 maart 2019


 

Aankondiging van de Heer
(Maria Boodschap)

hoogfeest   –   eigen lezingen

God houdt steeds rekening met de vrijheid van de mensen. Zijn bedoelingen dringt Hij nooit op. Hij brengt ze als een uitnodiging, een Boodschap, geen bevel. Wij kunnen erop ingaan, wij kunnen ook weigeren. Zelfs de komst van zijn Zoon, als Verlosser, maakte Hij afhankelijk van het ja-woord van Maria. Ook zijn boodschap van liefde en heil komt nu nog dagelijks tot ons in het appèl van mensen en omstandigheden rondom ons. Mogen wij dan even gelovig ja-zeggen als Maria.


Uit de profeet Jesaja 7, 10-14

De geboorte van een zoon moet voor koning Achaz een steun zijn voor de toekomst. In dit teken heeft de Joodse traditie een voorspelling gezien van de Messias, de Immanuël, dit wil zeggen ‘God-met-ons’.

De Heer liet tegen Achaz zeggen: ‘Vraag om een teken van de Heer, uw God, hetzij uit de diepte van het dodenrijk hetzij uit de hoge hemel.’
Maar Achaz antwoordde: ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal de Heer niet op de proef stellen.’
Toen antwoordde Jesaja: ‘Luister, huis van David. Is het niet genoeg de mensen te tergen? Moet u nu ook mijn God tergen? Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen.’

 

Psalm 40, 7-11

Refr.: Ik kom, Heer, om uw wil te doen.

Offers en gaven verlangt U niet,
brand– en reinigingsoffers vraagt U niet.

Nee, U hebt mijn oren voor U geopend,
en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik,
over mij is in de boekrol geschreven.’

Uw wil te doen, mijn God, verlang ik,
diep in mij koester ik uw wet.

Wanneer het volk bijeen is,
spreek ik over uw rechtvaardigheid.

Ik houd mijn lippen niet gesloten,
U weet het, Heer.

Ik zwijg niet over uw goedheid,
maar getuig van uw trouw en uw hulp.

In de kring van het volk verheel ik niet
hoe liefdevol, hoe trouw U bent.

 

Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 10, 4-10

In de boekrol staat er over mij geschreven: ik ben gekomen, God, om uw wil te doen.

Broeders en zusters,
bloed van stieren en bokken kan mensen onmogelijk van hun zonden bevrijden. Daarom zegt Christus bij zijn komst in de wereld: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, maar U hebt mij een lichaam gegeven; brand– en reinigingsoffers behaagden U niet. Toen heb ik gezegd: “Hier ben ik”, want dit staat in de boekrol over mij geschreven: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen.”’
Eerst zegt hij: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, brand– en reinigingsoffers behaagden U niet’ –daarmee bedoelt Hij de offers die volgens de wet worden gebracht. Dan zegt Hij: ‘Hier ben ik, ik ben gekomen om uw wil te doen’, waarmee hij het eerste opheft om het tweede van kracht te doen zijn.
Op grond van die wil zijn wij voor eens en altijd geheiligd, door het offer van het lichaam van Jezus Christus.

 

Maria zei:
‘De Heer wil ik dienen;
laat er met mij gebeuren wat U hebt gezegd.’

 

Uit het evangelie volgens Lucas 1, 26-38

Maria, een eenvoudig meisje uit Nazaret, is verloofd met Jozef, uit het huis van David. Zij heeft zich voorgenomen geheel en al voor de Heer te leven. In haar bereikt de hoop en de verwachting van Israël het hoogtepunt. Haar instemming maakt de vervulling van de oude voorspellingen mogelijk.

In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria.
Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’
Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had.
Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet Hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’
De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, want voor God is niets onmogelijk.’
Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat U hebt gezegd.’
Daarna liet de engel haar weer alleen.

Lezingen van de dag – zondag 24 maart 2019


 

3e zondag in de vastentijd – C


Uit het boek Exodus 3, 1-8a + 13-15

Vandaag volgt een derde belangrijke periode in de heilsgeschiedenis. Mozes had weer een tijd lang het kalme nomadenleven aangenomen. Maar God grijpt hem opnieuw als een verslindend vuur dat een mens omringt en stuurt hem weer naar zijn broeders, door de farao tot slaven gemaakt. De Heer, die hem zendt, is inderdaad een handelende God. Hij zal zijn volk bevrijden en het leiden naar het Beloofde Land.

Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God.
Daar verscheen de engel van de Heer aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd.
Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken.
Maar toen de Heer zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’
‘Ik luister’ , antwoordde Mozes.
‘Kom niet dichterbij’ , waarschuwde de Heer, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’
Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.
De Heer zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, Ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, Ik weet hoe ze lijden. Daarom ben Ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden.’
Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’
Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “Ik zal er zijn heeft mij naar u toe gestuurd.”’
Ook zei Hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: “De Heer heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En Hij heeft gezegd: ‘Zo wil Ik voor altijd heten, met die naam wil Ik worden aangeroepen door alle komende generaties.’”

 

Psalm 103, 1 + 2 + 3 + 4 + 6 + 7 + 8 + 11

Refr.: De Heer doet wat rechtvaardig is.

Prijs de Heer, mijn ziel,
prijs, mijn hart, zijn heilige Naam.
Prijs de Heer, mijn ziel,
vergeet niet één van zijn weldaden.

Hij vergeeft u alle schuld,
Hij geneest al uw kwalen,
Hij redt uw leven van het graf,
Hij kroont u met trouw en liefde.

De Heer doet wat rechtvaardig is,
Hij verschaft recht aan de verdrukten.
Hij maakte aan Mozes zijn wegen bekend,
aan het volk van Israël zijn grootse daden.

Liefdevol en genadig is de Heer,
Hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.
Zoals de hoge hemel de aarde overspant,
zo welft zich zijn trouw over wie Hem vrezen.

 

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 10, 1-8 + 10-12

Iedere zondag van de vastentijd keert het thema van de Uittocht weer, een symbool van elke weg die voert van slavernij naar bevrijding. Op deze reisroute ontbreken de bekoringen niet. Ondanks Gods voortdurende zorg bezwijken de Joden eraan en sterven in de woestijn. Ook christenen, hoewel ze gedoopt zijn, zijn niet immuum voor de gevaren van het kwaad. Laten zijn er op toezien dat zij niet vallen.

Broeders en zusters,
ik wil graag dat u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk werden beschermd en allemaal door de zee trokken, dat ze zich allemaal in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee. En ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde; en die rots was Christus. Toch wees God de meesten van hen af, want Hij liet hen bezwijken in de woestijn.
Dit alles strekt ons tot voorbeeld: wij moeten niet uit zijn op het kwade, zoals zij. Dien geen afgoden, zoals een deel van hen, over wie geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken en het stond op om te dansen.’ Laten we geen ontucht plegen, zoals een aantal van hen, want daardoor stierven er op één dag drieëntwintigduizend. En kom niet in opstand, zoals weer anderen deden, want daardoor werden ze door de doodsengel vernietigd.
Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen. Laat daarom iedereen die denkt dat hij stevig overeind staat oppassen dat hij niet valt.

 

Kyrie eleison

Bekeer u, zegt de Heer,
want het Rijk der hemelen is nabij.

Kyrie eleison

 

Uit het evangelie volgens Lucas 13, 1-9

‘Hij is door God gestraft…’ Tegenover deze gangbare mening stelt Jezus een vurige oproep tot bekering. Maar hoewel de tijd dringt, verkrijgt Hij van de Vader toch nieuw uitstel voor de onvruchtbare vijgeboom. Het goddelijk wekt bij ons het ongeduld om vrucht voort te brengen.

Er waren enkele mensen aanwezig die Jezus vertelden over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met hun offers.
Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat ze dat ondergaan hebben? Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde wijze omkomen. Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel; denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’
Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. Hij zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij dient tot niets en put alleen de grond uit.” Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven, misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken.”’

Lezingen van de dag – zaterdag 23 maart 2019


 

zaterdag in de 2e week van de vasten


Uit het boek Micha 7, 14-15 + 18-20

De zekerheid dat God altijd opnieuw onze misstappen en tekorten wil vergeten is een bron van geluk voor ons. Zijn grote goedheid openbaart zich telkens opnieuw in de trouw aanzijn Verbond.

Weid uw volk met uw staf, uw geliefde kudde die eenzaam leeft in het woud, omringd door vruchtbaar land. Mogen ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van weleer.
Als in de dagen van zijn bevrijding uit Egypte laat ik dit volk wonderbaarlijke daden zien.
Wie is een God als U, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat? U blijft niet woedend op wie er van uw volk nog over zijn; liever toont U hun uw trouw.
Opnieuw zult U zich over ons ontfermen en al onze zonden tenietdoen. Onze zonden werpt u in de diepten van de zee.
U bewijst Jakob uw trouw en Abraham uw goedheid, zoals U gezworen hebt aan onze voorouders, in de dagen van weleer.

 

Psalm 103, 1 + 2 + 3 + 4 + 9 + 10 + 11 + 12

Refr.: De Heer is barmhartig en welgezind.

Prijs de Heer, mijn ziel,
prijs, mijn hart, zijn heilige Naam.
Prijs de Heer, mijn ziel,
vergeet niet één van zijn weldaden.

Hij vergeeft u alle schuld,
Hij geneest al uw kwalen,
Hij redt uw leven van het graf,
Hij kroont u met trouw en liefde.

Niet eindeloos blijft Hij twisten,
niet eeuwig duurt zijn toorn.
Hij straft ons niet naar onze zonden,
Hij vergeldt ons niet naar onze schuld.

Zoals de hoge hemel de aarde overspant,
zo welft zich zijn trouw over wie hem vrezen.
Zo ver als het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze zonden van ons verwijderd.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 15, 1-3 + 11-32

Het 15e hoofdstuk van Lucas is een vreugdelied op Gods geluk wanneer Hij een zondaar terugvindt. De parabel wijst de weg van de bekering: de terugkeer naar de Vader. De weg van de jongste zoon is ook de onze. De oudste zoon, voorbeeld van degelijkheid en fatsoen, schiet te kort. Hij kan het geluk van zijn vader niet begrijpen. Deze parabel leert ons dat God altijd barmhartig is.

Alle tollenaars en zondaars kwamen Jezus opzoeken om naar Hem te luisteren. Maar zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’
Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis:
‘Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen.
Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte.
Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.”
Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem.
“Vader”, zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.”
Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.
De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.”
Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.”
Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.’

Lezingen van de dag – vrijdag 22 maart 2019


 

vrijdag in de 2e week van de vasten


Uit het boek Genesis 37, 3-28

De geschiedenis van Jozef, het lievelingskind van Jakob, illustreert hoe moeilijk het leven kan zijn. Achter de woorden van dit verhaal ontdekken wij het geloof van de schrijver in de kracht van Gods voorzienigheid. Jozef is ook de voorafbeelding geworden van Jezus. Zoals Jozef, zal ook Jezus de dood doorstaan, tot redding van zijn medemensen.

Omdat Israël al oud was toen Jozef werd geboren, hield hij meer van Jozef dan van zijn andere zonen, en hij had een prachtig bovenkleed voor hem laten maken in allerlei kleuren.
De broers zagen wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom konden ze Jozef niet uitstaan en kon er geen vriendelijk woord voor hem af.
Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. ‘Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd’, zei hij. ‘We waren op het land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor.’
Zijn broers zeiden: ‘Dacht je soms koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?’
Vanwege dat gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten.
Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. ‘Ik heb alweer een droom gehad’, zei hij. ‘Nu bogen de zon, de maan en elf sterren zich voor mij neer.’
Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: ‘Zeg, wat is dat voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms voor jou komen neerbuigen?’
De broers konden Jozef wel vermoorden, maar zijn vader bleef nadenken over wat er gebeurd was.
Toen Jozefs broers er eens op uitgetrokken waren om de kudden van hun vader bij Sichem te laten grazen, zei Israël tegen Jozef: ‘Zoals je weet zijn je broers het vee aan het weiden bij Sichem. Ga jij eens naar hen toe.’
‘Goed’, zei Jozef, en Jakob vervolgde: ‘Ga kijken hoe je broers het maken en hoe het met het vee staat, en breng mij dan verslag uit.’
Zo stuurde Jakob hem vanuit de Hebronvallei naar Sichem.
Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht.
‘Ik ben op zoek naar mijn broers’, antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?’
‘Ze zijn hier niet meer’, zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan wilden.’
Jozef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan.
Zijn broers zagen hem al van ver, en nog voordat hij hen had bereikt, hadden ze een plan beraamd om hem te doden.
‘Kijk daar eens’, zeiden ze tegen elkaar, ‘daar komt die meesterdromer aan. Dit is onze kans! Laten we hem vermoorden en hem ergens in een put gooien. We zeggen gewoon dat hij door een roofdier is verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen uitkomt.’
Toen Ruben dat hoorde, wilde hij proberen Jozef te redden.
‘Nee, laten we hem niet om het leven brengen’, zei hij. ‘Er mag geen bloed vloeien! Gooi hem in die put hier, in deze verlaten streek, maar breng hem niet om.’
Zo wilde hij Jozef uit hun handen redden en hem ongedeerd naar zijn vader terug laten gaan.
Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn bovenkleed uit, dat mooie veelkleurige gewaad, en gooiden hem in de put; de put was leeg, er stond geen water in. Daarna gingen ze zitten eten.
Opeens zagen ze een karavaan naderen. Het waren Ismaëlieten die uit de richting van Gilead kwamen en op weg waren naar Egypte. De kamelen waren beladen met gom, balsem en cistushars.
Toen zei Juda tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan om onze broer te vermoorden? Dan moeten we ook de sporen weer zien uit te wissen. Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’
De anderen stemden hiermee in.
Toen er Midjanitische kooplieden uit de karavaan voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sjekel, en die Ismaëlieten namen Jozef mee naar Egypte.

 

Psalm 105, 16-21

Refr.: Vergeet nooit de wonderen die de Heer deed.

De Heer riep een hongersnood over het land af,
en vernietigde elke voorraad brood.
Hij stuurde een van hen vooruit:
Jozef die als slaaf werd verkocht.

Ze klonken zijn voeten in ketenen,
sloten zijn hals in ringen van ijzer.
Totdat zijn voorspelling uitkwam
en het woord van de Heer hem vrijsprak.

De koning beval hem los te laten,
de heerser der volken liet hem vrij.
Hij stelde hem aan als heer van zijn huis,
als beheerder van heel zijn bezit.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 21, 33-43 + 45-46

Het Rijk Gods wordt vaak vergeleken met een wijngaard. In de parabel van de misdadige wijnbouwers is Jezus de erfgenaam. Ook Hij wordt gedood, zoals te lezen is in de Schrift: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden”. In dit verhaal daagt Jezus zijn tijdgenoten uit. Tevens is het een krachtige oproep tot bekering.

Jezus sprak tot de hogepriesters en de oudsten van het volk:
‘Luister naar deze gelijkenis. Er was eens een landheer die een wijngaard aanlegde en hem omheinde. Hij groef er een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Toen verpachtte hij hem aan wijnbouwers en ging op reis.
Tegen de tijd van de druivenoogst stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers grepen de knechten, ze mishandelden er een, doodden een ander en stenigden een derde.
Daarna stuurde de landheer andere knechten, een grotere groep dan eerst, maar met hen deden ze hetzelfde.
Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. Toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: “Dat is de erfgenaam! Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken”, en ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem.
Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat moet hij dan met die wijnbouwers doen?’
Ze antwoordden: ‘De onmensen! Laat hij ze op een mensonwaardige manier ombrengen en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel aan hem afdragen wanneer het daar de tijd voor is.’
Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.” Daarom zeg Ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen.’
Toen de hogepriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. Ze wilden Hem graag gevangennemen, maar ze waren bang voor de reactie van de volksmassa, daar men Hem voor een profeet hield.

Lezingen van de dag – donderdag 21 maart 2019


 

donderdag in de 2e week van de vasten


Uit de profeet Jeremia 17, 5-10

Niets is zo onbetrouwbaar als het hart. Daarom wordt hij, die uitsluitend op mensen vertrouwt, onvruchtbaar als een struik in dorre vlakte. Hij die op de Heer vertrouwt is als een boom geplant aan water, vol leven en vruchtbaarheid. Met deze vergelijking verplicht Jeremia zijn toehoorders een keuze te doen.

Dit zegt de Heer:
‘Vervloekt wie op een mens vertrouwt, wie zijn kracht ontleent aan stervelingen, wie zich afkeert van de Heer. Hij is als een struik in een dorre vlakte, hij merkt de komst van de regen niet op. Hij staat in een steenwoestijn, in een verzilt en verlaten land.
Gezegend wie op de Heer vertrouwt, wiens toeverlaat de Heer is. Hij is als een boom geplant aan water, zijn wortels reiken tot in de rivier. Hij merkt de komst van de hitte niet op, zijn bladeren blijven altijd groen. Tijden van droogte deren hem niet, steeds weer draagt hij vrucht.
Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie zal het kennen? Ik, de Heer, ben het die het hart doorgrondt, die nieren toetst, die ieder naar zijn levenswandel beloont, aan ieder geeft wat hij verdient.’

 

Psalm 1

Refr.: Red mij, Heer, door uw genade.

Gelukkig de mens
die niet meegaat met wie kwaad doen,
die de weg van zondaars niet betreedt,
bij spotters niet aan tafel zit,
maar vreugde vindt in de wet van de Heer
en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.

Hij zal zijn als een boom,
geplant aan stromend water.
Op tijd draagt hij vrucht,
zijn bladeren verdorren niet.
Alles wat hij doet komt tot bloei.

Zo niet de wettelozen!
Zij zijn als kaf dat verwaait in de wind.
Wettelozen houden niet stand waar recht heerst,
zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen.

De Heer beschermt de weg
van de rechtvaardigen,
de weg van de wettelozen loopt dood.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 16, 19-31

In deze parabel plaatst Jezus een anonieme rijke tegenover de arme Lazarus, die op God blijft vertrouwen. Tussen beiden ligt een afgrond van onbegrip. Niemand kan een rijke helpen ontsnappen uit de egoïstische kring die hem omsloten houdt. De enige uitweg die God hem biedt is zijn bekering tot de ware liefde voor de armen.

Jezus sprak tot de Farizeeën:
‘Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten.
Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten.
Ook de rijke stierf en werd begraven. Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.”
Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.”
Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.”
Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!”
De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.”
Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’

Lezingen van de dag – woensdag 20 maart 2019


 

woensdag in de 2e week van de vasten


Uit de profeet Jeremia 18, 18-20

De profeet Jeremia voelt zich bedreigd door zijn eigen volksgenoten. De gelovige Israëlieten erkennen in hem de toekomstige Messias, die ook zal te lijden hebben van mensen uit eigen omgeving. De klacht die hij uitspreekt is een gelovig gebed vol vertrouwen op een betere toekomst.

Die het gemunt hadden op het leven van de profeet zeiden: “Laten we iets tegen Jeremia ondernemen. Want het onderricht van onze priesters, de raad van onze wijzen, de verkondiging van onze profeten zullen allerminst verdwijnen. Kom, we brengen hem in opspraak, we schenken aan zijn woorden niet langer gehoor.”
Heer, luister naar mij, hoor de plannen van mijn tegenstanders. Mag goed met kwaad worden vergolden? Een kuil hebben ze voor mij gegraven – en dat terwijl ik voor U stond om voor hen te pleiten, om uw toorn van hen af te wenden.

 

Psalm 31, 5 + 6 + 14 + 15 + 16

Refr.: Red mij, Heer, door uw genade.

Het net dat de mensen mij heimelijk spannen
ontkom ik door U die mij altijd beschermt.
In uw hand leg ik mijn leven,
Heer, trouwe God, U verlost mij.

Ik hoor de mensen over mij fluisteren,
van alle kanten dreigt gevaar.
Ze steken de hoofden bijeen
en smeden plannen om mij te doden.

Maar ik vertrouw op U, Heer,
ik zeg: U bent mijn God,
in uw hand liggen mijn lot en mijn leven,
bevrijd mij uit de greep
van mijn vijanden en vervolgers.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 20, 17-28

Jezus spreekt klare taal tot zijn apostelen als Hij het over zijn eigen toekomst heeft. Hij zal de beker drinken, Hij zal gekruisigd worden. Maar de derde dag zal Hij verrijzen. Dat is ook de weg van zijn volgelingen. Wie onder hen groot wil zijn zal de minste moeten zijn, zoals de Mensenzoon.

Onderweg naar Jeruzalem nam Jezus de twaalf leerlingen apart. Hij zei tegen hen:
‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, die Hem ter dood zullen veroordelen. Ze zullen Hem uitleveren aan de heidenen, die de spot met Hem zullen drijven en Hem zullen geselen en kruisigen. Maar op de derde dag zal Hij worden opgewekt uit de dood.’
Daarop kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Hem toe. Ze viel voor Hem neer om Hem een gunst te vragen.
Hij vroeg haar: ‘Wat wilt u?’
Ze antwoordde: ‘Beloof me dat deze twee zonen van mij in uw koninkrijk naast U mogen zitten, de een rechts van U en de ander links.’
Maar Jezus zei hun: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die Ik zal moeten drinken?’
‘Ja, dat kunnen wij’ , antwoordden ze.
Toen zei Hij: ‘Uit mijn beker zullen jullie inderdaad drinken, maar wie er rechts en links van mij zullen zitten kan Ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie mijn Vader ze heeft bestemd.’
Toen de andere leerlingen hiervan hoorden, werden ze woedend op de twee broers.
Jezus riep hen bij zich en zei: ‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. Zo zal het bij jullie niet mogen gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn, zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

Lezingen van de dag – dinsdag 19 maart 2019


 

Heilige Jozef, bruidegom van Maria

hoogfeest   –   eigen lezingen


Veel dieper en inniger dan door welke eredienst ook wordt Jozef getekend door zijn fijngevoelige houding tegenover Maria. Wanneer bleek dat zijn verloofde zwanger was, kon Jozef niets anders aannemen dan dat Maria hem ontrouw was geweest. Hij wilde haar echter niet in opspraak brengen en besloot in stilte van haar te scheiden. Wanneer iemand een mens zo grootmoedig benadert, dan is hij voor God rijp om een rol te spelen in zijn heilsplan. Jozef kreeg de zekerheid dat God de hand op Maria had gelegd, en in geloof stelde hij zijn verder leven in dienst van wat God wilde.


Uit het tweede boek Samuël 7, 4-5a + 12-14a + 16

God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken. (Lc.1,32)

In die dagen werd het woord van de Heer gericht tot Natan:
‘Zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de Heer: Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal Ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken. Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en Ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor Mij een zoon.
Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen.”’

 

Psalm 89, 2 + 3 + 4 + 5 + 27 + 29

Refr.: Zijn nageslacht zal blijven voor altijd.

Van uw liefde, Heer, wil ik eeuwig zingen,
van uw trouw getuigen, geslacht na geslacht.
Ik belijd: uw liefde houdt eeuwig stand,
uw trouw hebt U in de hemel gevestigd.

Ik heb met mijn uitverkorene een verbond gesloten,
aan mijn dienaar David gezworen:
Uw dynastie zal Ik voor eeuwig vestigen,
uw troon in stand houden, geslacht na geslacht.

Hij zal tot mij roepen: “U bent mijn vader,
mijn God, de rots die mij redt!”
Mijn liefde zal hem altijd beschermen,
hecht is mijn verbond met hem.

 

Uit de brief van Paulus aan de Romeinen 4, 13 + 16-18 + 22

Tegen alle hoop in heeft Abraham geloofd.

Niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen, maar door de gerechtigheid die het geloof schenkt.
Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van vele volken gemaakt.’
En hij is dit ten overstaan van God, op wie hij vertrouwde, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. Hoewel het eigenlijk niet kon, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’
En dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 1, 16 + 18-21 + 24a

Jozef deed zoals de engel van de Heer hem had opgedragen.

Jakob verwekte Jozef, de man van Maria. Bij haar werd Jezus verwekt, die Christus genoemd wordt.
De afkomst van Jezus Christus was als volgt.
Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten. Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want Hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.’
Jozef werd wakker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen.

Lezingen van de dag – maandag 18 maart 2019


 

maandag in de 2e week van de vasten


Uit de profeet Daniël 9, 4b-10

De profeet Daniël vertolkt het berouw van zijn volk. Zij bekennen hun fouten. Zij hebben goddeloos gehandeld en zijn weerspannig geweest. Zij weten dat God in zijn recht staat. Toch is er hoop ! ‘De heer, onze God, is vol erbarmen en vergeving’.

Heer, grote en geduchte God, die zijn beloften nakomt en trouw is aan wie Hem liefhebben en doen wat Hij gebiedt; wij hebben gezondigd en ons misdragen. Wij zijn slecht en opstandig geweest, wij zijn van uw geboden en regels afgeweken en wij hebben niet geluisterd naar uw dienaren, de profeten, die in uw naam tot onze koningen, onze vorsten, onze oudsten en tot het hele volk gesproken hebben.
U, Heer, staat in uw recht, maar tot op deze dag staat de schaamte ons op het gezicht, ons, de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem, alle Israëlieten, of ze nu dichtbij zijn of ver weg, in alle landen waarheen U hen hebt verdreven vanwege hun ontrouw jegens U. Heer, ons en onze koningen, onze vorsten en onze oudsten staat de schaamte op het gezicht, omdat wij tegen U gezondigd hebben.
De Heer, onze God, is vol erbarmen en vergeving, hoewel wij tegen Hem in opstand zijn gekomen en niet hebben geluisterd naar de Heer, onze God. We hebben de lessen die Hij ons door zijn dienaren, de profeten, heeft laten leren in de wind geslagen.

 

Psalm 79, 8 + 9 + 11 + 13

Refr.: Heer, wij zijn uw volk, de kudde die U hoedt.

Heer, reken ons de zonden van vroeger niet aan,
toon erbarmen en haast U, want onze ellende is groot.

Help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke Naam,
red ons en bedek onze zonden, omwille van uw Naam.

Laat het zuchten van uw geknechte volk U bereiken,
machtig is uw arm: houd in leven wie ten dode zijn gedoemd.

Wij zijn uw volk, de kudde die U hoedt,
wij zullen U prijzen tot in eeuwigheid,
van geslacht op geslacht verhalen van uw roem.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 6, 36-38

Jezus roept op tot vergevingsgezindheid tegenover elkaar. God zal onze goedheid altijd overtreffen. Zijn barmhartigheid navolgen is onze roeping. Daarom mogen wij elkaar niet oordelen en zeker niet veroordelen, maar wij moeten elkaar vrijspreken en vergeving schenken.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden.
Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’

Lezingen van de dag – zondag 17 maart 2019


 

2e zondag in de vastentijd – C


Uit het boek Genesis 15, 5-12 + 17-18

De heilsgeschiedenis kent een aantal zinvolle gebeurtenissen, waaronder het Verbond dat God sloot met Abraham. Onder de vorm van een vuur gaat de Heer tussen de in stukken gesneden dieren door. Zo wordt Hij voorgesteld als de enige bewerker van dit Verbond. Abraham daarentegen antwoordt met zijn geloof op dit goddelijke initiatief. Daarom wordt hem een afstamming beloofd. Uit dit nageslacht van gelovigen zal een zoon opstaan, de Zoon van God, bewerker van het nieuw en enig Verbond.

In die dagen leidde God Abram naar buiten. ‘Kijk eens naar de hemel’, zei Hij, ‘en tel de sterren, als je dat kunt.’ En Hij verzekerde hem: ‘Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen.
Abram vertrouwde op de Heer en deze rekende hem dit toe als een rechtvaardige daad.
Ook zei de Heer tegen hem: ‘Ik ben de Heer, die jou heeft weggeleid uit Ur, uit het land van de Chaldeeën, om je dit land in bezit te geven.’
‘Heer, mijn God’, antwoordde Abram, ‘hoe kan ik er zeker van zijn dat ik het in bezit zal krijgen?’
‘Haal een driejarige koe’, zei de Heer, ‘een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge gewone duif.’
Abram haalde al deze dieren, sneed ze middendoor en legde de twee helften van elk dier tegenover elkaar. Alleen de vogels sneed hij niet door. Er kwamen gieren op de kadavers af, maar Abram joeg ze weg. Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel Abram in een diepe slaap.
Opeens werd hij overweldigd door angst en diepe duisternis. Toen de zon ondergegaan was en het helemaal donker was geworden, was daar plotseling een oven waar rook uit kwam, en een brandende fakkel die tussen de dierhelften door ging.
Die dag sloot de Heer een verbond met Abram. ‘Dit land’, zei Hij, ‘geef Ik aan jouw nakomelingen, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat.’

 

Psalm 27, 1 + 7 + 9 + 13 + 14

Refr.: Hoor mij, Heer, als ik tot U roep.

De Heer is mijn licht,
mijn behoud, wie zou ik vrezen ?
Bij de Heer is mijn leven veilig,
voor wie zou ik bang zijn ?

Hoor mij, Heer, als ik tot U roep,
wees genadig en antwoord mij.
Verberg uw gelaat niet voor mij,
wijs uw dienaar niet af in uw toorn.

U bent mij altijd tot hulp geweest,
verstoot mij niet,
verlaat mij niet,
God, mijn behoud.

Mag ik niet verwachten
de goedheid van de Heer te zien
in het land van de levenden ?

Wacht op de Heer,
wees dapper en vastberaden,
ja, wacht op de Heer.

 

Uit de brief van Paulus aan de Filippenzen 3, 17 – 4,1

Jezus veranderde van gedaante op de berg. Nu zit Hij aan de rechterhand van de Vader. Maar Hij is niet de enige die met heerlijkheid bekleed wordt. Zij die naar de hemelse werkelijkheden streven en leven als leerlingen van het kruis, hebben nu reeds hun vaderland in de hemel. Zij zullen hun leven van gedaante zien veranderen naar het beeld van de Verrezene.

Broeders en zusters,
volg mij na, en kijk naar hen die leven volgens het voorbeeld dat wij u gegeven hebben. Ik heb u al vaak gezegd, en zeg nu zelfs met tranen in mijn ogen: velen leven als vijand van het kruis van Christus en gaan hun ondergang tegemoet. Hun god is hun buik, hun eer is schaamteloosheid en hun aandacht is alleen gericht op aardse zaken.
Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. Met de kracht waarmee Hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal Hij ons armzalig lichaam gelijk maken aan zijn verheerlijkt lichaam.
Daarom, broeders en zusters, die ik liefheb en naar wie ik verlang, die mijn vreugde en erekrans zijn, blijf standvastig in de Heer.

 

Kyrie eleison

Vanuit een schitterende wolk
werd de stem van de Vader gehoord:
Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene,
luister naar Hem.

Kyrie eleison

 

Uit het evangelie volgens Lucas 9, 28b-36

Twee lijdensvoorspellingen omkaderen een mysterieus tafereel, een mystiek gebeuren. Vanuit het gebed wordt Jezus geopenbaard als verheven boven alle profeten die Hem voorafgingen, zelfs boven Mozes en Elia, wiens voorspellingen en daden Hij in vervulling doet gaan. De leerlingen zijn geneigd zich in deze zaligheid te nestelen. Maar zij moeten opnieuw op weg en de Messias volgen tot het einde. De Uitverkorenen van de Vader moet opgaan naar Jeruzalem om er gekruisigd te worden, vooraleer zijn heerlijkheid binnen te gaan.

In die tijd ging Jezus met Petrus, Johannes en Jakobus de berg op om te bidden.
Terwijl Hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit.
Opeens stonden er twee mannen met Hem te praten: het waren Mozes en Elia, die in hemelse luister verschenen waren. Ze spraken over het levenseinde dat Hij in Jeruzalem zou moeten volbrengen.
Petrus en de beide anderen waren in een diepe slaap gevallen; toen ze wakker schoten, zagen ze de luister die Jezus omgaf en de twee mannen die bij Hem stonden.
Toen de mannen zich van Hem wilden verwijderen, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn, laten we drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia’, maar hij wist niet wat hij zei.
Terwijl hij nog aan het spreken was, kwam er een wolk aandrijven, die een schaduw over hen wierp; ze werden bang toen de wolk hen omhulde.
Er klonk een stem uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar Hem!’
Toen de stem verstomd was, was Jezus weer alleen. Ze zwegen over het voorval en vertelden in die tijd aan niemand wat ze hadden gezien.

Lezingen van de dag – zaterdag 16 maart 2019


 

zaterdag in de 1e week van de vasten


Uit het boek Deuteronomium 26, 16-19

Mozes herinnert aan het Verbond. Het Volk Gods zal gelukkig zijn, zal eer en aanzien genieten, indien het trouw is aan de voorschriften en bepalingen van de Wet. Dan geeft de Heer de verzekering dat Hij hun God zal zijn. Van zijn kant is de trouw verzekerd. Het beloofde geluk blijft bestaan en zal nog groeien, als het volk trouw wil zijn.

Mozes sprak tot het volk:
‘Vandaag draagt de Heer, uw God, u op om u aan deze wetten en regels te houden. Neem ze zorgvuldig in acht en leef ze met hart en ziel na.
Vandaag hebt u de Heer verzekerd dat Hij uw God zal zijn, dat u de weg zult volgen die Hij u wijst, en dat u zijn wetten, geboden en regels zult naleven en Hem gehoorzaam zult zijn.
Vandaag heeft de Heer u verzekerd dat u, zoals Hij u heeft beloofd, zijn volk zult zijn, zijn kostbaar bezit. U moet al zijn geboden naleven.
Hij zal u hoog verheffen boven alle volken die Hij geschapen heeft. U zult lof oogsten en met roem overladen worden. U zult het volk zijn dat aan de Heer, uw God, is gewijd, zoals Hij heeft beloofd.

 

Psalm 119, 1 + 2 + 4 + 5 + 7 + 8

Refr.: Gelukkig wie de weg van de Heer gaan.

Gelukkig wie de volmaakte weg gaan
en leven naar de wet van de Heer.

Gelukkig wie zijn richtlijnen volgen,
Hem zoeken met heel hun hart.

Uw regels hebt U gegeven
opdat wij ons eraan houden.

Laat toch mijn wegen recht zijn,
ik wil mij houden aan uw wetten.

Ik zal U loven met een oprecht hart
als ik uw rechtvaardige voorschriften leer.

Ik zal mij houden aan uw wetten,
verlaat mij dan niet voorgoed.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 5, 43-48

Jezus vervolmaakt de wet van eht Oude Verbond. Echte liefde is meer dan normale genegenheid tussen vrienden. ‘Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen’. Eerst dan beantwoorden wij aan de wil van de Vader en worden wij volmaakt zoals Hij.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.”
En Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo?
Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.’