Lezingen van de dag – dinsdag 12 febr 2019


Heilige (of feest) van de dag

Alexis van Kiev († 1378)

Alexis (ook Aleksej, Aleksij, Alexios) van Kiev (ook van Moskou of de Wonderdoener), Rusland; monnik, bisschop & wonderdoener

Aleksej was een Russisch edelman, afkomstig uit de Oekraïne, die in zijn jeugd belust was op de vogeljacht. Hij droomde er zelfs over. In één van zijn dromen hoorde hij hoe een stem hem zei: “Aleksej, hoe lang denk je nog door te gaan met zo doelloos en dom heen en weer te rennen? Als ik je nu eens leerde hoe je niet vogels, maar mensen moet vangen…?” Zo begaf hij zich in de eenzaamheid om als monnik te leren leven. Daar trof hij gelijkgezinde jongemannen aan. Uit hun kring zouden grote Russische heiligen groeien zoals Sergius van Radonej († 1392; feest 25 september) en diens broer Stefanus. In 1354 werd Aleksej benoemd tot metropoliet van Moskou.

Hij deed veel voor de verbreiding van het christendom en vooral voor het kloosterleven. Zijn levensbeschrijver weet op te merken, dat hij de laatste was van de Moskovitische traditie die de Griekse taal nog machtig was. Hij was betrokken bij de stichting van talrijke kloosters, dichtbij en ver weg. Zijn vrienden van weleer vertrouwde hij de leiding ervan toe.

In de politiek steunde hij het streven naar de vereniging van het rijk der Moskovische vorsten. Zo wist hij zelfs de tartarenvorst Verdevir Khan te verzoenen, toen deze al tegen het Russische volk uitgetrokken was. Een andere keer werd hij bij de tartarenvorst Amurat Khan geroepen om diens vrouw van een reeds drie jaar durende blindheid te genezen. Hij deed dat met behulp van gebed en wijwater.
Aleksej stierf op hoge leeftijd. Zijn leven werd al snel na zijn dood te boek gesteld door ene Pachomius.

Tezamen met metropoliet Petrus († 1326; feest 21 december) wordt hij beschouwd als de patroon van de Russische kerk.

Hij wordt vaak afgebeeld als oude man met halflange, enigszins gespleten puntbaard. Gekleed in oosterse liturgische kleding en op het hoofd een witte muts (‘klobuk’) die zijn waardigheid van metropoliet aanduidt. Vaak met uitgestrekte armen, waarbij hij in de linkerhand een gesloten evangelieboek houdt en met de rechter een zegenend gebaar maakt.

Bron: Heiligen.net

 

dinsdag in week 5 door het jaar


Uit het boek Genesis 1, 20 – 2, 4a

De bekroning van de schepping is de mens. Hij wordt aangesteld als koning ervan. Al het aardse wordt hem als gave in handen gegeven opdat hij daarmee de anderen gelukkig en de wereld steeds meer bewoonbaar zou maken. Dit betekent dat God de mens maakte naar zijn beeld. De mens is voortaan Gods getuige op aarde.

God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ En Hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.
God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.
God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen. Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ Ook zei God: ‘Hierbij geef Ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef Ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het.
God keek naar alles wat Hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.
Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had. God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk.
Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.

 

Psalm 8, 4-9

Refr.: Heer, hoe ontzagwekkend is uw Naam op aarde.

Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren door U daar bevestigd,
wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt,
het mensenkind dat U naar hem omziet ?

U hebt hem bijna een god gemaakt,
hem gekroond met glans en glorie,
hem toevertrouwd het werk van uw handen
en alles aan zijn voeten gelegd.

Schapen, geiten, al het vee,
en ook de dieren van het veld,
de vogels aan de hemel, de vissen in de zee
en alles wat trekt over de wegen der zeeën.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 7, 1-13

Jezus’ houding tegenover wetten, voorschriften, gezag en vrijheid, werd sterk gekenmerkt door de nadruk die Hij legde op de waarde van de innerlijkheid, de overtuiging. Jezus waarschuwt de Farizeeën van alle tijden tegen schijnheiligheid en tegenover een overdreven wettelijkheid.

Ook de Farizeeën en enkele van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in Jezus’ nabijheid op. En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen (de Farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden, en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonspoelen van bekers en kruiken en ketels), toen vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’
Maar Hij antwoordde: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen.” De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’
En Hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities overeind te houden! Heeft Mozes niet gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder”, en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”?
Maar u leert dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen: “Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn is korban”’(wat ‘offergave’ betekent), ‘waarmee u hem niet toestaat nog iets voor zijn vader of moeder te doen, en zo ontkracht u het woord van God door de tradities die u doorgeeft; en u doet nog veel meer van dit soort dingen.’

Van Woord naar leven

Jezus sprak tot de schriftgeleerden en Farizeeën: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij.’

Bidden is buiten- én binnenkant. De binnenkant doet ons God ontmoeten. De buitenkant geeft vanuit de binnenkant leven aan de wereld. Maar wie enkel de buitenkant dient, zal zijn ontmoeting met God ontlopen. Hij zal zichzelf ontmoeten als inpakpapier zonder geschenk voor de Ander.

Laat ons God ontmoeten met het hart, gemeend en zuiver, vanuit zijn inwoning in ons, vanuit de warmte van zijn Geest. En laten we zo de deuren van ons hart open zetten voor de wereld, haar welkom hetend alsof God zelf door al die mensen en dingen naar ons toekomt. Laat ons op deze wijze broederschap vormen met alles en allen; van binnen naar buiten.

Moge onze basishouding altijd zijn: elke mens (gelovig, anders gelovig, of ongelovig) is een kind van God en vraagt uit zichzelf bemind te worden. Als christen zijn we geroepen ieder te beminnen, zonder onderscheid, vanuit God. Net zoals Hij vanuit Zichzelf, in Christus, ieder mensenkind bemint.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Vader,
schenk ons de gave
van het innerlijk gebed,
waarin wij in de liefde van uw Geest
U ten diepste mogen ontmoeten.
Trek ons doorheen Christus
in de brand van uw liefde
en doe ons tafelen aan uw Drie-ene Liefde,
als een gebed van lof zonder ophouden.
In Christus, onze Broeder en Heer.
Amen.