Lezingen van de dag – dinsdag 2 april 2019


Heilige (of feest) van de dag

Franciscus a Paola († 1508)

Franciscus a Paola, Plessis, Frankrijk; ordestichter

Franciscus is genoemd naar Franciscus van Assisi. Zijn ouders waren zeer arme mensen. Ze woonden in Paola, een klein plaatsje aan de Calabrische kust ten zuiden van Napels. Geruime tijd bleef hun huwelijk kinderloos. Vandaar, dat ze de inspraak van Franciscus van Assisi inriepen en God om een kind vroegen. Toen dan ook enige tijd daarna een kind geboren werd, beschouwden ze dat als een regelrechte gebedsverhoring, en noemden het naar Franciscus van Assisi.

Van jongs af aan bleek het kind gevoelig voor de dingen van God. Het vastte veel en leidde een zeer sober leven. Het werd voor een religieuze opvoeding toevertrouwd aan de franciscaner monniken van een klooster uit de buurt. Op 15-jarige leeftijd trok hij zich in de eenzaamheid terug in een grot om het leven van een kluizenaar te leiden. Hij sliep op de rotsgrond, at de planten en kruiden die hij in het naburig bos vond, of soms van wat zijn vrienden hem brachten. Veel was het in ieder geval niet. Nog voor zijn 20e sloten zich twee andere jongemannen bij hem aan. Deze harde leefgemeenschap groeide uit tot een heuse religieuze orde, welke in 1436 werd gesticht en in 1474 officieel goedgekeurd: de Minimi of Miniemen; zo genoemd, omdat zij werkelijk de minsten wilden zijn naar het voorbeeld van Jezus.

Er werd een huis gebouwd, en een grote kerk; en er ontstond steeds meer toeloop. Maar de levenswijze bleef streng: men sliep op een matje op de rotsgrond; een blok hout of grote steen diende als hoofdkussen; men sliep niet meer dan strikt noodzakelijk was; men gebruikte één maaltijd per dag, en deze bestond meestal alleen uit water en brood. Bereidde men zich voor op een feestdag, dan at men de twee dagen tevoren meestal helemaal niets. Franciscus betreurde het, dat de regels voor de vasten in de Kerk telkens weer verslapten; hij was ervan overtuigd, dat de gelovigen de weldaad van consequent vasten en het zich ontzeggen van allerlei levensbehoeften niet beseften.

Over Franciscus worden wonderlijke verhalen verteld. In de jaren 1447, 1448 en 1449 zou hij bij herhaling de verovering van Constantinopel door de Turken hebben voorspeld: deze vond inderdaad plaats in 1453. Er zijn zelfs heel wat officiële documenten bewaard gebleven, waarin met bijna wetenschappelijke bewijzen wordt gestaafd hoe vaak hij allerlei kerkelijke en maatschappelijke gebeurtenissen had voorspeld. Daarnaast zijn er ook genezingen en andere wonderen bekend.

Eens kwam een hoge ambtenaar naar hem toe om hem duidelijk te maken, dat al te grote gestrengheid in het geestelijk leven tot misgroei en zelfs hoogmoed kon leiden. Franciscus hoorde hem geduldig en vriendelijk aan, en ging zeer liefdevol in op de opmerkingen van de man. Maar deze was zichtbaar niet overtuigd. Daarop nam Franciscus een vurige kool uit het brandende vuur en hield deze geruime tijd in zijn hand voor de ogen van de ambtenaar, en hij zei: “Alle schepselen gehoorzamen aan mensen die God met een zuiver hart dienen.”

Koning Lodewijk XI van Frankrijk († 1483) lag doodziek in zijn verblijf te Plessis. Maar de zucht naar het leven was zo sterk, dat hij niet alleen koning Ferdinand van Napels, maar ook de Paus de opdracht gaf de beroemde Franciscus naar hem toe te sturen; met de bedoeling dat deze hem zou genezen, en hem zou redden van een vroegtijdige dood. Hij loofde een hoge beloning uit voor de eerste die hem zou komen berichten, dat Franciscus voet op Franse bodem had gezet, en stuurde vervolgens de kroonprins op hem af bij wijze van geleide. Op 24 april 1482 kwam de man Gods in Plessis aan. De koning kwam zelf naar buiten om hem te begroeten. Hij viel hem te voet en smeekte, dat hij God zou vragen om een langer leven voor hem, de koning van Frankrijk. Maar Franciscus antwoordde ter plekke, dat hij zoiets nooit zou beloven; en bracht hem vervolgens onder ogen, dat het leven van een koning evenzeer aan een bepaalde grens gebonden was als dat van de allerlaagst geplaatste mens. Het zag er naar uit, dat Gods besluit met hem, Lodewijk, vaststond. De koning deed er beter aan zich bij de feiten neer te leggen en de resterende tijd te gebruiken om zich op gepaste wijze voor te bereiden op zijn dood. Dat deed de koning, zodat deze in vrede afscheid kon nemen van zijn vrouw en kinderen: hij stierf in de armen van Franciscus op 30 augustus van hetzelfde jaar.

Zijn zoon en opvolger, Karel VIII, vatte een grote bewondering voor hem op, en overlaadde hem met gunsten. Hij bouwde overal kloosters voor hem, en zorgde aldus voor een geweldige verbreiding van zijn orde. Franciscus bleef in Plessis. In die tijd was hij onder meer geestelijk leidsman van de zalige Margaretha van Lotharingen († 1521; feest 2 november). Tenslotte stierf hij te Plessis op 2 april 1508, ruim 91 jaar oud.

Reeds in 1519 werd hij officieel heilig verklaard.
Zijn relieken werden tijdens de woelingen van de Reformatie op een 13e april door ketters verbrand.

Hij is patroon van de kluizenaars en sinds 1943 van de Italiaanse zeelieden (ooit zou hij bij gebrek aan een boot op zijn mantel de zee naar Sicilië zijn overgestoken); hij wordt met name aangeroepen door onvruchtbare echtparen om kinderen te krijgen, in tijden van lijden, en tegen de pest.

Hij wordt afgebeeld in een zwart religieus habijt, waarvan de kraag tot over de gordel omlaag valt. Vaak met het woord ‘glorie’ ergens op de afbeelding, meestal boven hem; of als asceet met gesel, boek en doodskop.

Bron: Heiligen.net

 

dinsdag in de 4e week van de vasten


Uit de profeet Ezechiël 47, 1-9 + 12

De profeet Ezechiël spreekt over de aanwezigheid van God midden onder zijn volk. De tempel is de plaats waar God verblijft. Daaruit stroomt water dat de wereld vruchtbaarheid schenkt. Overal waar deze rivier komt, zal alles in leven blijven. Zo is God aanwezig onder zijn volk en schenkt Hij leven in overvloed.

Toen bracht de man mij terug naar de ingang van de tempel. Daar zag ik water onder de drempel van de tempel vandaan komen. Het stroomde naar het oosten, want de voorkant van de tempel lag op het oosten. Het water liep van onder de rechter buitenmuur van de tempel, ten zuiden van het altaar, naar beneden.
Hij nam mij door de noordpoort mee naar buiten en we liepen buitenom naar de oostelijke buitenpoort. Daar zag ik het water aan de rechterkant eruit sijpelen.
Met een meetlint in zijn hand ging de man naar het oosten, en hij mat 1000 el. Daar liet hij mij door het water waden: het water kwam tot mijn enkels.
Hij mat nog eens 1000 el en liet me weer door het water waden: het water kwam tot mijn knieën. Hij mat nog eens 1000 el en liet me er weer door waden: het water kwam tot mijn heupen.
Hij mat nog eens 1000 el en toen was het water een rivier waar ik niet doorheen kon waden. Het water was zo hoog dat je er alleen in zwemmen kon, het was een ondoorwaadbare rivier.
De man zei tegen mij: ‘Zie je dat, mensenkind?’ en hij liet mij terugkomen op de oever van de rivier.
Toen ik weer terug was, zag ik op de oevers van de rivier aan weerskanten heel veel bomen.
Hij zei tegen mij: ‘Dit water stroomt door de oostelijke landstreek, dan naar beneden de Jordaanvallei in, en mondt uit in de Dode Zee. Wanneer het de zee in stroomt wordt het water daar zoet. Het zal er wemelen van levende wezens, overal waar de rivier stroomt komt leven, er zal vis zijn in overvloed. Als dit water in de Dode Zee aankomt wordt het water daar zoet; overal waar de rivier stroomt komt leven. Aan de oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan de bladeren niet zullen verwelken en de vruchten niet zullen opraken; elke maand zullen ze vrucht dragen. Het water stroomt immers uit het heiligdom. De vruchten zullen eetbaar zijn en de bladeren geneeskrachtig.’

 

Psalm 46, 2 + 3 + 5 + 6 + 8 + 9

Refr.: De Heer van de hemelse machten is met ons.

God is voor ons een veilige schuilplaats,
een betrouwbare hulp in de nood.

Daarom vrezen wij niet, al wankelt de aarde
en storten de bergen in het diepst van de zee.

Een rivier, wijd vertakt, verblijdt de stad van God,
de heilige woning van de Allerhoogste.

Met God in haar midden stort zij niet in,
vroeg in de morgen komt God haar te hulp.

De Heer van de hemelse machten is met ons,
onze burcht is de God van Jakob.

Kom en zie wat de Heer heeft gedaan,
verbijsterend is wat Hij op aarde verricht.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 5, 1-16

Volgens menselijke berekeningen is er geen genezing mogelijk voor de man die al achtendertig jaar lang gebrekkig is. Iemand helpen op sabbat is inbreuk tegen de Joodse wet. Toch wordt de zieke genezen, niet enkel lichamelijk, maar ook moreel. Jezus brengt overal het heil.

Omdat er een Joods feest was ging Jezus naar Jeruzalem.
In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een bad met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Betzata heet. Daar lag een groot aantal zieken, blinden, kreupelen en misvormden.
Er was ook iemand bij die al achtendertig jaar ziek was.
Jezus zag hem liggen; Hij wist hoe lang hij al ziek was en zei tegen hem: ‘Wilt u gezond worden?’
De zieke antwoordde: ‘Heer, als het water gaat bewegen is er niemand om mij erin te helpen; ik probeer het wel, maar altijd is een ander al vóór mij in het water.’
Jezus zei: ‘Sta op, pak uw mat op en loop.’
En meteen werd de man gezond: hij pakte zijn slaapmat op en liep.
Nu was het die dag sabbat.
De Joden zeiden dan ook tegen de man die genezen was: ‘Het is sabbat, het is niet toegestaan een slaapmat te dragen!’
Maar hij zei tegen hen: ‘Degene die mij genezen heeft, zei tegen mij: “Pak uw mat op en loop.”’
‘Wie zei dat tegen u?’ vroegen ze.
Maar de man die genezen was kon niet zeggen wie het was, want Jezus was al verdwenen omdat daar zoveel mensen waren.
Later kwam Jezus hem tegen in de tempel en toen zei hij tegen hem: ‘U bent nu gezond; zondig daarom niet meer, anders zal u iets ergers overkomen.’
De man ging aan de Joden vertellen dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had.
Het was omdat Jezus zulke dingen deed op sabbat, dat de Joden tegen Hem optraden.

Van Woord naar leven

Vandaag spreekt de Heer doorheen de profeet Ezechiël:
Dit water stroomt door de oostelijke landstreek, dan naar beneden de Jordaanvallei in, en mondt uit in de Dode Zee. Wanneer het de zee in stroomt wordt het water daar zoet. Het zal er wemelen van levende wezens, overal waar de rivier stroomt komt leven, er zal vis zijn in overvloed. Als dit water in de Dode Zee aankomt wordt het water daar zoet; overal waar de rivier stroomt komt leven. Aan de oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan de bladeren niet zullen verwelken en de vruchten niet zullen opraken; elke maand zullen ze vrucht dragen. Het water stroomt immers uit het heiligdom. De vruchten zullen eetbaar zijn en de bladeren geneeskrachtig.

Wat we hier horen zijn de vruchten van de Kerk, van hen die leven in het hart van de Kerk. Daar woont Christus die zich verenigt met ieder die zijn dorst komt lessen aan Hem. Hen neemt Hij in zich op om van de diepe vreugde te proeven van zijn liefde in de Geest met de Vader.
Vanuit deze vreugde, die zijn Vrede is, zendt Hij ons, zoals Hijzelf gezonden was, om Gods goedheid uit te dragen naar allen zonder onderscheid.

Kom, laat ons instrumenten zijn van Gods goedheid; in alles wat we doen, naar ieder die we ontmoeten, voor ieder die we in gebed bij ons Heer brengen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer, levend hart van de Kerk,
laat ons uw bedding zijn, stromen van levend water. Moge wij alzo uw liefde bezingen naar allen en alles, opdat Gods goedheid door ons heen mag vloeien, en ieder mag bevruchten die wij ontmoeten.
Kom heilige Geest. Amen.