Lezingen van de dag – dinsdag 22 jan 2019


Heilige (of feest) van de dag

Vincentius van Valencia (+ 304)

Vincentius van Valencia (ook Diaken, Levita of van Huesca), Zaragoza, Spanje; diaken & martelaar

Volgens de legende is Vincentius samen met zijn bisschop Valerius van Valencia gevangen genomen tijdens de christenvervolgingen aan het begin van de 4e eeuw onder keizer Diocletianus (284-305). Ze werden in de kerker geworpen met de bedoeling dat ze daar de hongerdood zouden sterven. Na geruime tijd nam de stadhouder aan dat ze lichamelijk behoorlijk verzwakt en uitgeput waren en de dood al in de ogen zagen. Toen liet hij ze voor zich verschijnen om ze over te halen hun God af te zweren. Maar beiden bleken nog kerngezond en in blakende conditie. De oude Valerius getuigde met zijn zachte stem van Christus. Maar de jonge Vincentius sprak luid en duidelijk en vol overtuiging: “Jullie aanbidden goden van steen. Wij daarentegen de levende God en zijn zoon Jezus Christus.”
Woedend veroordeelde de stadhouder de oude bisschop tot verbanning en Vincentius tot de marteldood. Hij liet hem bijna vierendelen, gedeeltelijk villen en roosteren. Maar Vincentius stierf niet. Nu werd hij in een vochtige en donkere kerker geworpen, waarvan de bodem bezaaid lag met glasscherven en scherpe steentjes. Hier mocht hij met zijn gewonde lichaam de dood afwachten. Maar er kwamen engelen om hem te troosten en de pijn weg te nemen. Ze verdreven de duisternis en veranderden de scherven en steentjes in bloemen. Zoals Vincentius’ luide lofzang voor God door heel de gevangenis weerklonk, zo verspreidde zich ook de geur van de bloemen. Toen de stadhouder ervan hoorde, was hij ontzet. Hij beval dat de martelaar verzorgd en verpleegd moest worden. Hij moest genezen, want de machthebber was bang voor de reactie van het volk, als het zou horen dat Vincentius in de gevangenis zou zijn omgekomen.
Maar nauwelijks lag Vincentius in een zacht, schoon bed, of hij gaf de geest. De stadhouder voelde zich bedrogen. Woedend beval hij het lijk buiten de stad op het open veld te dumpen ten prooi aan roofvogels en wilde dieren. Maar een raaf vatte post naast het lichaam en verjoeg alle bloeddorstige dieren. Zo konden de christenen het lichaam bergen en eerbiedig begraven.

Bron: Heiligen.net

 

dinsdag in week 2 door het jaar


Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 6, 10-20

Voor mensen zonder hoop heeft het leven elke zin verloren. Voor christenen is God het anker van hun hoop. Zij kunnen er vast op vertrouwen, want God doet zijn geloften gestand. Met deze zekerheid blijft het voor christenen altijd mogelijk zin te geven aan hun leven in dienst van God en de mensen.

Broeders en zusters,
God is niet zo onrechtvaardig dat Hij vergeet wat u hebt gedaan, hoeveel liefde u aan zijn Naam hebt betoond door sinds jaar en dag steun te verlenen aan de gelovigen. Het is onze vurige wens dat ieder van u tot het einde toe dezelfde ijver aan de dag blijft leggen, totdat alles waarop wij hopen verwezenlijkt zal zijn, en dat u niet achterblijft, maar in het spoor treedt van hen die dankzij hun standvastig geloof ontvangen hebben wat hun beloofd was.
Toen God aan Abraham zijn belofte deed, kon Hij bij niemand zweren die hoger was dan Hijzelf, en dus zwoer Hij bij zichzelf: ‘Ik zal je rijkelijk zegenen en je talloze nakomelingen geven.’ En zo heeft Abraham, dankzij zijn standvastig vertrouwen, gekregen wat hem beloofd was.
Mensen zweren altijd bij iemand die hoger is dan zijzelf, en met hun eed bekrachtigen ze de waarheid en beëindigen ze elke twist. Toen God de erfgenamen van de belofte ervan wilde doordringen hoe vast zijn voornemen was, stelde Hij zich op dezelfde manier met een eed garant. Met deze twee onomkeerbare daden–die uitsluiten dat God liegt–heeft Hij ons krachtig moed in willen spreken.
Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel, en gaat ons voor tot voorbij het voorhangsel, waar Jezus als voorloper al is binnengegaan, ten behoeve van ons: Hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was.

 

Psalm 111, 1 + 2 + 4 + 5 + 9 + 10c

Refr.: Eeuwig gedenkt de Heer zich zijn verbond.

Ik wil de Heer loven met heel mijn hart,
in de grote kring van oprechten.

Machtig zijn de werken van de Heer,
wie ze liefheeft, onderzoekt ze.

Hij stelde een gedenkdag in voor zijn wonderen,
genadig en liefdevol is de Heer.

Hij gaf voedsel aan wie Hem vrezen,
eeuwig gedenkt Hij zijn verbond.

Hij heeft zijn volk verlossing gebracht,
voor eeuwig zijn verbond ingesteld.

Heilig en ontzagwekkend is zijn Naam,
zijn roem houdt stand, voor altijd.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 2, 23-28

De sabbat is gemaakt om de mens en niet de mens om de sabbat. Dat is één van Jezus’ grondhoudingen tegenover voorschriften, wetten, vrijheid en gezag. Hem was het te doen om de mens. Jezus koos partij voor barmhartigheid. Hij geneest de zieken die men Hem brengt. Hij verontschuldigt zijn leerlingen als zij honger hebben. Want de wet is er voor de mens, en niet de mens voor de wet.

Eens liep Jezus op een sabbat tussen de korenvelden door. Zijn leerlingen gingen de velden in en begonnen aren te plukken.
‘Kijk eens!’ zeiden de Farizeeën tegen Hem. ‘Waarom doen ze iets dat op sabbat niet mag?’
Maar Hij antwoordde: ‘Hebt u dan nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen gebrek leden en honger hadden? Hij ging het huis van God binnen – Abjatar was toen hogepriester – en at van de toonbroden, waarvan alleen de priesters mogen eten. En hij gaf ze ook aan zijn mannen te eten.’
En Hij voegde eraan toe: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat; en dus is de Mensenzoon ook Heer en meester over de sabbat.’

Van Woord naar leven

In de eerste lezing van vandaag uit de brief van Paulus aan de Hebreeën lezen we: “Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel, en gaat ons voor tot voorbij het voorhangsel, waar Jezus als voorloper al is binnengegaan, ten behoeve van ons: Hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was.”

Wanneer iemand leeft in het licht van de eeuwigheid leeft hij wezenlijk anders dan wanneer iemand leeft zonder het besef dat er een eeuwigheid bestaat. En daarmee heb ik het niet over de intensiteit van liefhebben. Een nietgelovige kan heel zeker even intens of zelfs meer intens liefhebben dan een gelovige.

Maar als je gelovig weet dat er een hemel bestaat leef je anders. Je draagt een levende hoop in je, je hebt iets om naar uit te kijken, je weet je verbonden met heiligen en overledenen, je wereld is zoveel ruimer dan het loutere aardse of biologische. Je weet dat er ‘daarboven’ Iemand is die je nu reeds bewoont, die je stuwt en de genade verleent lief te hebben vanuit iets groters dan het eigen vermogen om te beminnen. Je ervaart dat dit natuurlijke vermogen altijd en opnieuw bevrucht wordt door Jezus zelf, dat je liefhebben daardoor de kracht in zich draagt dat anderen door Hem geraakt en genezen worden.

Leven in het licht van de eeuwigheid is de hemel in je hart dragen. Het is je nu reeds thuis voelen bij God; Hij die je ooit ten volle in zich zal trekken wanneer het aardse licht voor je gedoofd zal zijn.

Laat ons dankbaar en blij zijn om het bestaan van het hemels leven. Dat de realiteit van ons eeuwig bestaan onze levenswandel diep mag beïnvloeden.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer Jezus, m’n Heer en Broer,
je bent welkom in mijn hart, méér dan welkom. Neem me op in U; mijn hele zijn, mijn geloof, m’n ongeloof. Trek me in het vuur van uw vrede, in de brand van uw liefde, in de vreugde van de eeuwigheid.
Kom Jezus kom, ik ben van U. Amen.