Lezingen van de dag – donderdag 17 jan 2019


Heilige (of feest) van de dag

Antonius Abt (+ ca 356)

Antonius Abt (ook van Egypte, de Grote, de Kluizenaar, van Schotland, van de Thebaïs of met het Varken), Thebaïs, Egypte; woestijnvader & abt

Antonius werd rond 251 geboren in de Egyptische plaats Koma (nu: Qiman el-Ar, Midden-Egypte). Zijn levensverhaal is opgetekend door zijn leerling Sint Athanasius de Grote († 373; feest 2 mei). Deze vertelt dat Antonius zich rond 310 naar Alexandrië begaf om zich als christen bekend te maken, met de bedoeling de marteldood te ondergaan. Het was immers de tijd van de christenvervolgingen onder keizer Maximinus Daia (305-313). Maar deze liet hem ongemoeid.
Teruggekeerd “beoefende hij een nog strengere ascese en onderging hij het martelaarschap naar de geest”. Immers vanaf zijn 20e jaar leefde hij als kluizenaar. Dat kwam omdat hij als welgestelde jongeman eens in de kerk de evangelietekst hoorde voorlezen: “Als je volmaakt wilt zijn, verkoop dan alles wat je bezit en volg mij” (Matteus 19,21). Antonius was zo gegrepen door die tekst, dat hij hem letterlijk in praktijk bracht en op zijn eentje de woestijn in trok.
In de afzondering nam hij slechts het allernoodzakelijkste eten tot zich; hij heeft er vreselijk te strijden gehad tegen bekoringen: duivels in de gedaante van allerlei fantastische dieren gingen hem te lijf met knuppels en roeden en soms lieten ze hem half dood liggen.
Eerst woonde hij 35 jaar lang in een rotsspelonk in de buurt van de plaats waar hij geboren was. Daarna trok hij dieper de eenzaamheid in en vestigde zich op een berg aan de overkant van de Nijl in de buurt van het huidige El-Maimum.
Daar ontdekte hij, dat er al iemand vóór hem de woestijn was ongetrokken, om God in de eenzaamheid te dienen en te zoeken: Sint Paulus van Thebe († 342; feest 15 januari). Over die ontmoeting bestaat een mooie legende.

Negentig jaar lang had Sint Paulus de Woestijnvader in de eenzaamheid van de woestijn doorgebracht. Zijn enige bezigheid was bidden. Zijn enige gezelschap werd gevormd door zijn raaf die hem al zestig jaar lang elke dag een halfje brood bracht, en door de wilde dieren die hun schuilplaats met hem deelden. Toen hoorde hij opeens iemand van buiten zijn grot vragen om binnen te mogen komen voor een gesprek. Dat was Antonius. Hij was erachter gekomen dat er nog een ander in de woestijn leefde, die daar zelfs al eerder mee begonnen was dan hij. Sint Paulus was een nederig man. Hij maakte allerlei bezwaren, omdat hij zich niet waardig achtte om met zo’n groot man als Antonius om te gaan. Na een langdurige omhelzing, zetten zij zich toch neer om over God te praten en om samen zijn lof te zingen.
Op het uur van de maaltijd zagen de twee Paulus’ trouwe raaf aan komen vliegen. Maar deze keer had hij bij wijze van uitzondering een heel brood in de bek. “Moet je kijken, broeder, riep Paulus uit, wat worden we toch goed door God verzorgd, want Hij is het natuurlijk die ons deze maaltijd toestuurt. Al zestig jaar lang brengt deze raaf mij een half brood, en dat was meer dan genoeg voor mij. Maar nu de Heer u naar mij toe heeft gezonden, heeft Hij ter ere van u meteen het rantsoen verdubbeld!”
Na God gedankt te hebben gingen de beide heilige mannen bij de bron zitten voor hun eenvoudige maaltijd. Elk van beiden stond erop dat de ander de eer toekwam het brood te breken. Toen ze zo niet verder kwamen, besloten ze dat elk voorzichtig aan een kant van het brood zou trekken…

Hier worden in de vorm van een legende mooie dingen gezegd over gebed en een leven met God. Het maakt je respectvol jegens anderen! Zelfs als je je terugtrekt uit het gewone mensengedoe. Als je leeft met God – zo schijnt dit verhaal te suggereren – heb je aan weinig meer dan genoeg. Dat weten we ook uit het evangelie, waar Jezus met weinig broden een menigte van 5000 man wist te voeden (bv. Markus 06,30-44). Op een ander moment zei Jezus: “Zit niet in over de vraag wat je zult eten of waarmee je je zult kleden. De Vader weet wel dat je dat nodig hebt. Maar zoek eerst het Rijk van God, al het andere zal je erbij gegeven worden” (Matteus 06,25-34). Bovenstaand verhaal uit het leven van Antonius en Paulus zou je een illustratie kunnen noemen van die uitspraak van Jezus.

Eens gaf Antonius les aan drie monniken over een zeer moeilijke kwestie uit het geloof, toen juist de bejaarde abt Paulus op bezoek kwam. Deze trok zich in een hoekje terug en wachtte stil tot vader Antonius klaar zou zijn.
Antonius vroeg aan de jongste van de drie monniken hoe hij over de kwestie dacht. De jongeman ging er onmiddellijk op in; wat aan zijn kennis ontbrak, vulde hij aan met zijn vuur en enthousiasme. Toen hij uitgesproken was, bleef vader Antonius enige tijd stil, en zei toen: “Het juiste antwoord heb je nog niet gevonden.”
Toen kreeg de tweede het woord. Hij was al wat ouder, had al wat boeken gelezen en ervaring opgedaan. Hij koos geleerde woorden en formuleerde voorzichtiger. Toen hij uitgesproken was, zei vader Antonius: “Ook jij hebt het juiste antwoord nog niet gevonden.”
Tenslotte mocht de oudste van de drie een antwoord geven. Hij liet lange stiltes vallen, sprak bedachtzaam en je kon merken dat hij al veel boeken had gelezen en een lange gebedservaring achter de rug had. Toen hij was uitgesproken, merkte vader Antonius op: “Toch heb je het juiste antwoord nog niet gevonden.”
Op het moment, dat hij zijn mond opendeed om zelf iets over de zeer moeilijke geloofskwestie te zeggen, bedacht hij dat vader Paulus nog altijd in zijn hoekje zat. Hij wendde zich tot de oude abt en vroeg: “Vader Paulus, zou u er misschien iets over kunnen zeggen?” Nu bleef het geruime tijd stil. Tenslotte zei vader Paulus: “Ik weet het niet…”
Vader Antonius wendde zich tot zijn drie leerlingen en met opgestoken vinger zei hij: “Vader Paulus heeft het juiste antwoord gevonden.”

Bij een van die ontmoetingen had Antonius beloofd, dat hij de oude Paulus na zijn dood zou begraven. Toen Paulus inderdaad overleden was, trof Antonius hem nog aan in een biddende houding. Het lijk werd bewaakt door twee leeuwen, die alle roofdieren van de heilige afhielden. Op Antonius’ aanwijzing groeven zij het graf en zagen toe, hoe Antonius de man begroef. Nadat ze van hem de zegen hadden ontvangen, verdwenen ze weer in de woestijn.

Hier wordt de vrome lezer herinnerd aan een tekst van de profeet Jesaja, waarin de Messiaanse tijd wordt aangekondigd: “De wolf en het lam wonen samen; de panter vlijt zich neer naast het bokje; het kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden. De koe en de berin sluiten vriendschap; hun jongen liggen bijeen. De leeuw eet haksel als het rund. De zuigeling speelt bij het hol van de adder; het kind strekt zijn hand uit naar het nest van de slang” (Jesaja 11,06-08). Het lijkt wel, of die tijd in het leven van de woestijnvaders werkelijkheid is geworden. Zij sloten vriendschap met wilde dieren. Zij maken van de woestijn een leefbare plek, een paradijs! Beroemd is de legende van Sint Hiëronymus († 420; feest 30 september), die in zijn bijbelstudie wordt gestoord door een leeuw met een doorn in zijn poot. Hiëronymus verzorgt de wond, en vanaf dat moment gedraagt het dier zich als een mak huisdier. Overigens heeft hij deze legende postuum overgenomen van Gerasimus van Palestina († ca 475; feest 5 maart).

Nadat hij twintig jaar op zijn berg had doorgebracht, trok hij naar een oase in de Egyptische woestijn, nu geheten Djzebel al-Galala el Qibliya. In deze oase werd hij bezocht door vele christenen. Van hen besloten er zo nu en dan om hun leven verder in zijn gezelschap door te brengen. Zo ontstond een dorp van kluizenaarswoningen. Hoewel hij geen gemeenschappelijke levenswijze organiseerde, gaf hij aan allen geestelijke leiding; dat is de reden waarom hij de eerste abt genoemd wordt.
Hij stierf toen hij 105 jaar oud was.

In 561 werd zijn graf ontdekt en vanaf 1491 worden zijn stoffelijke resten bewaard in de St-Julienkerk te Arles. Er bevinden zich ook relieken in de abdij St-Antoine ten westen van Grenoble.

Bron: Heiligen.net

 

donderdag in week 1 door het jaar


Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 3, 7-14

Een heel volk kan ontrouw worden. Maar meestal komt dit door de ontrouw van enkelen. Wederzijdse bemoediging en steun zijn daarom van groot belang. De waarde van een doorleefde, gezonde gezindheid van mensen naast ons is in het dagelijks leven van kapitaal belang. Zo kunnen wij onze gezindheid, in dienst van de Heer, levend en oprecht houden en ongeschokt bewaren tot het einde.

Broeders en zusters,
de heilige Geest zegt: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet koppig, als tijdens de opstand, toen jullie mij beproefden in de woestijn, waar jullie voorouders mij op de proef stelden en tartten hoewel ze mijn daden hadden gezien, veertig jaar lang. Daarom werd die generatie door mijn woede getroffen, ik zei: “Altijd weer dwaalt hun hart, mijn wegen kennen ze niet.” En in mijn toorn heb ik gezworen: “Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust.”’
Zie er dus op toe, broeders en zusters, dat niemand van u door een kwaadwillig, ongelovig hart afvallig wordt van de levende God, maar wijs elkaar terecht, elke dag dat dit ‘vandaag’ nog geldt, opdat niemand van u halsstarrig wordt omdat hij door zonde verleid werd. Want alleen als we tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen, blijven we deelgenoten van Christus.

 

Psalm 95, 6-11

Refr.: Luister vandaag naar de stem van de Heer.

Ga binnen, laten wij buigen in aanbidding,
knielen voor de Heer, onze maker.
Ja, Hij is onze God.

Wij zijn het volk dat Hij hoedt.
Wij zijn de kudde door zijn hand geleid.
Luister vandaag naar zijn stem.

Wees niet koppig als bij Meriba,
als die dag bij Massa, in de woestijn,
toen jullie voorouders mij op de proef stelden,
mij tartten, al hadden ze mijn daden gezien.

Veertig jaar voelde Ik weerzin tegen hen.
Ik zei: “Het is een stuurloos volk
dat mijn wegen niet wil kennen.”
En ik zwoer in mijn woede:
“Nooit gaan zij mijn rustplaats binnen!”’

 

Uit het evangelie volgens Marcus 1, 40-45

Zowel door zijn prediking als door zijn wonderen wil Jezus de mensen tot geloof brengen. De wonderen tonen daarbij uitdrukkelijk aan dat Gods kracht in de wereld werkzaam is. De genezene mag echter niet spreken over het wonder dat aan hen werd voltrokken. Want daar was het bij Jezus helemaal niet om begonnen. Het ging veeleer om het aanvaarden van zijn persoon en zijn leven.

Er kwam iemand naar Jezus toe die aan huidvraat leed; hij smeekte Hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als U wilt, kunt U mij rein maken.’
Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein.
Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: ‘Denk erom dat u tegen niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’
Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar Hem toe komen.

Van Woord naar leven

Mede-lijden is eigenlijk een zeer diep menselijke eigenschap die enorm deugd kan doen wanneer je deze bij een ander mag ervaren wanneer je zelf – om welke reden ook – lijdt. Weinige mensen beheersen deze eigenschap, juist omdat ze zo diepgaand en zuiver is.
Het mag duidelijk zijn dat het hier niet gaat over een soort compassie van op afstand, een soort oppervlakkige welwillendheid naar de ander toe zonder veel inhoud.

Echt meelijden gaat over het vermogen van inleven in de ander, meegaan met de ander, en wel op zo’n wijze dat je de ander z’n leed als het ware zelf doorleeft, alsof het je eigen leed geworden is, ook al is het dat in wezen niet. Dat is meelijden; mee lijden met de ander. Het is de ander z’n leed mee dragen, en wel zéér ver.
Louter menselijk gezien is dit een zeer mooie, warme en diepe vorm van vriendschapsbeleving.

Jezus leefde zo. Hij wilde – in de diepste betekenis van het woord – ‘vriend’ zijn voor de mensen. Hij gaf een vriendschap die oprecht was, zuiver, recht uit het hart. Hij beleefde deze vriendschap omdat Hij leefde in het bewustzijn dat God Hem zond naar de mensen om hen Gods vriendschap aan te bieden. Want dat is het wat God de mensen toedraagt: Vriendschap; diepe en ware vriendschap.

God is God en we mogen God vergoddelijken. Maar we mogen God ook vermenselijken. In Jezus is God immers mens geworden. Hij was ten volle God en tevens ten volle mens. God komt in Jezus dan ook naar ons met de meest edele eigenschappen die een mens in zich kan dragen. Denken we aan die diepe vriendschap waar we het over hadden, denken we ook over het vermogen blij te kunnen zijn met hen die blij zijn en droevig met hen die droevig zijn. Denken we aan het vermogen om vergiffenis te kunnen schenken, de armen nabij te kunnen zijn, delen met hen die minder hebben, enz…

Wanneer we deze puur humane eigenschappen kunnen zien in het licht van God, zullen we niet enkel Jezus beter kunnen ervaren als een Vriend in ons leven, maar we zullen ook die eigenschappen weer naar hun werkelijke waarde leren schatten. Want dit laatste zijn we soms kwijt.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer Jezus,
als een vriend zijt Gij bij ons; uw liefde, Uzelf gevend. Geef dat wij innig verbonden mogen zijn met U, zodat wij beeld worden van Gods vriendschap met de mensheid; uw vrede dragend, uw liefde uitdragend. Heer, wees Gij daarin onze kracht.
Tot in lengte van dagen. Amen.