Lezingen van de dag – donderdag 4 april 2019


Heilige (of feest) van de dag

Benedictus de Moor († 1589)

Benedictus de Moor (ook van Palermo, van San-Filadelfo of de Zwarte) ofm.obs., Palermo, Sicilië, Italië; kluizenaar

Benedictus werd rond het jaar 1526 geboren in het dorpje San-Filadelfo (= tegenwoordig het waarschijnlijk naar hem genoemde plaatsje San-Fratello) op het Italiaanse eiland Sicilië. Zijn ouders waren christen: zijn vader heette Christoforus Manassère en zijn moeder Diane Lercan; ze waren slaven, afkomstig uit Ethiopië. Vandaar de bijnaam van Benedictus: ‘de Moor’ of ‘de Zwarte’. Om te vermijden dat hun kinderen in slavernij geboren zouden worden, leefden zij samen als broer en zus. Maar toen hun meester beloofde, dat hij hun eerste kind de vrijheid zou geven, werd Benedictus geboren. Zij gaven hem een diep christelijke opvoeding mee.

Van enige scholing was geen sprake, want al vroeg moest hij de schapen hoeden, die aan de zorgen van zijn vader waren toevertrouwd. Op het veld bracht hij vele uren in gebed door. Juist omdat hij geen enekele menselijke kennis bezat, ging hij in de grootste eenvoud om met God. Voldoende reden voor zijn leeftijdgenootjes om hem vreemd te vinden en dat door allerlei pesterijtjes flink te laten merken. Op zulke momenten trok hij zich nog meer terug in de eenzaamheid, want die was hem het liefste.

Toen hij voldoende verdiensten bij elkaar had gespaard, wilde hij een eigen bestaan opbouwen. Hij kost een span ossen en was gelukkig met zijn dagelijks werk. Zo was hij intussen eenentwintig geworden.

In de omgeving van San-Filadelfo woonde een eenzame kluizenaar, Gerolamo Lanza. Aanvankelijk was hij getrouwd geweest. Maar met toestemming van zijn vrouw had hij alle overbodige goederen verkocht en was in de eenzaamheid gaan wonen om het leven van de woestijnvaders na te volgen. Op een dag had hij gezien hoe de zwarte Benedictus werd getreiterd door zijn dorpsgenoten. Hij was hem gaan opzoeken in zijn hutje en had eenvoudig gevraagd:
“Wat doe jij hier nog, Benedictus? Verkoop je ossen en kom bij mij in de eenzaamheid wonen.”
Het was voor Benedictus alsof deze uitnodiging van God zelf kwam. Hij verkocht zijn beesten met pijn in het hart, want hij had er zo zuinig voor gespaard en zij waren een stuk van zijn leven geworden. De opbrengst ervan gaf hij weg aan de armen. Vanaf dat moment wijdde hij zich vol overgave toe aan Christus. Getweeën leidden de heilige mannen hun leven van boete, versterving en gebed. Zij kleedden zich in lompen; ze aten één keer per dag wat kruiden en dronken niets anders dan water. De plek waar zij woonden stond bekend als Santa-Dominga. Spoedig kwamen er andere jongemannen uit de omgeving die zich bij Benedictus aansloten. Ze leefden als kluizenaar en observanten volgens de regel van Sint Franciscus. De mensen stroomden toe om raad en troost. Dat werd tenslotte zo erg, dat ze zich genoodzaakt zagen zich nog verder in de eenzaamheid terug te trekken. Eerst vestigden zij zich bij het dorpje Nazzara en acht jaar later in het ijzig koude Mancusa, hoog op de berg. Zij deelden daar de grotten met de wolven. Maar toen Benedictus eens een wonder had verricht, werd de toeloop van troost- en sensatiezoekers zo groot, dat ze nogmaals verder moesten trekken.

Vanaf dat moment woonden ze op de Monte Pellegrino nog geen mijl verwijderd van de stad Palermo. Van rotsblokken bouwden ze er armzalige hutten als woninkjes. Maar voor een kapel hadden ze de middelen niet. De onderkoning van Sicilië kwam hun te hulp. Hij bouwde niet alleen een kapel, maar liet ook een waterreservoir aanleggen.

Benedictus is ook nog enige tijd gardiaan geweest. Dat duurde tot 1562. Toen gaf paus Pius IV het verlangen te kennen dat zij zich officieel zouden aansluiten bij de Orde van de Franciscanen. Zo kwam Benedictus achtereenvolgens in verschillende kloosters terecht. Tenslotte bleef hij wonen in het Mariaklooster vlakbij Palermo. Daar maakte men hem keukenbroeder. Hij vervulde die functie in de grootste eenvoud. Er doen over hem verschillende verhalen de ronde.

Eens was al het eten op in het klooster. Omdat het buiten flink sneeuwde, was het onmogelijk om uit bedelen te gaan. Benedictus zei tot de broeder die hem hielp in de keuken, dat ze alle voorraadkruiken vol sneeuwwater moesten doen. Vervolgens keerden zij zich in tot gebed. De hele nacht. Bij het krieken van de dag bleek, dat de kruiken vol zaten met levende vissen. Genoeg voor de hele gemeenschap om een aantal dagen van te leven.

Een ander verhaal vertelt, dat hij op een kerstfeest zo in zijn gebed verzonken was geraakt, dat het eten koken er helemaal bij was ingeschoten. En dat terwijl de aartsbisschop van Palermo op het kerstdiner was uitgenodigd. Toen iedereen aan tafel ging, bleek er een overvloed aan spijzen te zijn. Niemand heeft er iets van gemerkt…

Tot zijn grote verdriet werd hij in 1578 tot gardiaan benoemd. Dat was des te pijnlijker, omdat hij altijd een eenvoudige leek was geweest. En in zijn nieuwe functie zou hij gehoorzaamheid moeten vragen van priesters. Dat ging zijn bevattingsvermogen te boven. Vandaar dat hij op uiterst delicate en bescheiden wijze leiding gaf. Bij alles wat hij van anderen vroeg, zette hij zichzelf op de laatste plaats. Geen wonder, dat zijn huisgenoten hem op handen droegen. Maar doordat hij ieder die aanbelde bij het klooster met liefde en vriendelijkheid te woord stond, was hij ook bij de bevolking in de buurt razend populair. Dat bleek, toen hij eens deel moest nemen aan een overstenvergadering in Girgenti. Met moeite wist hij door het gedrang heen te komen: ieder wilde hem aanraken; ieder wilde zijn persoonlijke zegen. Tenslotte besloot hij alleen nog ’s nachts te reizen.

Nadat zijn termijn verlopen was, maakte men hem tot plaatsvervangend overste en vervolgens novicemeester. Zijn wijsheid en kennis oogstten de grootste bewondering, en dat terwijl hijzelf niet eens lezen en schrijven kon! Uiteindelijk mocht hij terugkeren naar zijn geliefde plekje in de keuken.

In de loop van februari van het jaar 1589 werd hij ziek. Op zijn ziekbed zou hij zijn bezocht door Sint Ursula, want voor haar had hij zijn hele leven een grote devotie gehad. Hij stierf op 4 april 1589.

Na zijn dood stroomden de pelgrims naar zijn graf om – net als tijdens zijn leven – zijn voorspraak te vragen bij God in al hun noden.

Sinds 1652 is hij medepatroon van de stad Palermo.

Hij werd in 1807 heilig verklaard.

Bron: Heiligen.net

 

donderdag in de 4e week van de vasten


Uit het boek Exodus 32, 7-14

Terwijl Mozes langer dan verwacht op de Sinaï bleef, had het volk zich een afgod gemaakt. De Heer wil hen straffen voor hun ongeloof. Met Mozes zelf is Hij bereid opnieuw te beginnen. Mozes treedt op als bemiddelaar en verzoener. In een vurig gebed herinnert hij aan de vroegere weldaden en trouw van God aan zijn beloften.

De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga terug naar beneden, want jouw volk, dat je uit Egypte hebt geleid, misdraagt zich. Nu al zijn ze afgeweken van de weg die Ik hun gewezen heb. Ze hebben een stierenbeeld gemaakt, hebben daarvoor neergeknield, er offers aan gebracht en gezegd: “Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!”’
De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Ik weet hoe onhandelbaar dit volk is. Houd mij niet tegen: mijn brandende toorn zal hen verteren. Maar uit jou zal Ik een groot volk laten voortkomen.’
Mozes probeerde de Heer, zijn God, milder te stemmen: ‘Wilt U dan uw toorn laten woeden tegen uw eigen volk, Heer, dat U met sterke hand en grote macht uit Egypte hebt bevrijd? Wilt U dat de Egyptenaren zeggen: “Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen”? Wees niet langer toornig en zie ervan af onheil over uw volk te brengen! Denk toch aan uw dienaren Abraham, Isaak en Israël, aan wie U onder ede deze belofte hebt gedaan: “Ik zal jullie zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn, en het hele gebied waarvan Ik gesproken heb zal Ik hun voor altijd in bezit geven.”’
Toen zag de Heer ervan af zijn volk te treffen met het onheil waarmee Hij gedreigd had.

 

Psalm 106, 19-23

Refr.: Heer, ontferm U over ons.

Zij maakten een stierkalf bij de Horeb
en bogen zich voor een stuk metaal.
God, hun eer, ruilden zij in voor een beeld
van een dier dat gras eet.

Vergeten waren zij God, hun redder,
die iets groots had verricht in Egypte,
wonderen in het land van Cham,
geduchte daden bij de Rietzee.

Hij besloot hen uit te roeien,
maar Mozes, de man die hij had gekozen,
verdedigde hen, ging voor Hem staan
en wendde zijn dodelijke woede af.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 5, 31-47

Jezus verdedigt zijn zending tegenover sommige Joden die niet in Hem geloven. Vermits het getuigenis over zichzelf niet aanslaat, beroept Jezus zich op andere getuigen: op Mozes, die over Hem geschreven heeft, op de teksten van de Schriften die over Hem getuigen, op Johannes de Doper, op de Vader zelf die Hem gezonden heeft.

Jezus zei:
‘Als Ik nu over mezelf zou getuigen, dan was mijn verklaring niet betrouwbaar, maar iemand anders getuigt over Mij, en Ik weet dat zijn verklaring over Mij betrouwbaar is. U hebt boden naar Johannes gestuurd en hij heeft een betrouwbaar getuigenis afgelegd. Niet dat ik het getuigenis van een mens nodig heb, maar Ik zeg dit om u te redden. Johannes was een lamp die helder brandde, en u hebt zich een tijd in zijn licht verheugd.
Maar ik heb een belangrijker getuigenis dan Johannes: het werk dat de Vader mij gegeven heeft om te volbrengen. Wat Ik doe getuigt ervan dat de Vader Mij heeft gezonden. De Vader die Mij gezonden heeft, heeft dus zelf een getuigenis over Mij afgelegd. Maar u hebt zijn stem nooit gehoord en zijn gestalte nooit gezien, en u hebt zijn woord niet blijvend in u opgenomen, want aan degene die Hij gezonden heeft, schenkt u geen geloof.
U bestudeert de Schriften en u denkt daardoor eeuwig leven te hebben. Welnu, de Schriften getuigen over Mij, maar bij Mij wilt u niet komen om leven te ontvangen.
Niet dat de mensen Mij moeten eren, maar Ik ken u: u hebt geen liefde voor God in u.
Ik ben gekomen namens mijn Vader, maar u accepteert Mij niet, terwijl u iemand die namens zichzelf komt, wel zou accepteren.
Hoe zou u ooit tot geloof kunnen komen? Van elkaar wilt u wel eer ontvangen, maar u zoekt niet de eer die de enige God u kan geven.
U moet niet denken dat Ik u bij de Vader zal aanklagen; Mozes, op wie u uw hoop hebt gevestigd, klaagt u aan. Als u Mozes zou geloven, zou u ook mij geloven, hij heeft immers over mij geschreven. Maar als u niet gelooft wat hij geschreven heeft, hoe zou u dan geloven wat Ik zeg?’

Van Woord naar leven

Het evangelie van vandaag roept op tot geloof; geloof in Christus, gezonden door de Vader.
Vandaag wil ik met u nadenken over ‘geloof’, zonder de pretentie te willen hebben dat wat je hieronder gaat lezen het enige en juiste antwoord is. En moest er al iets van waar zijn, is het zeker niet volledig. Ik ben zelf een grote knoeier inzake geloof, laat staan dat ik er over kan spreken. Toch een poging. En als je er niets mee kunt… prullenbak in.

Hier gaan we.

In het evangelie zegt Jezus nergens: ‘uw gevoel heeft u gered’, of ‘uw inzicht heeft u gered’. Steeds zegt Hij: ‘uw geloof heeft u gered’.
Daar gaat het dus om: geloven in Hem die de Vader gezonden heeft.

Wat we soms durven vergeten is dat geloven in wezen gave is. Het is niet iets dat we zelf kunnen maken, we kunnen het enkel ontvangen. Het is de Geest die het ons schenkt.

Dat neemt niet weg dat geloven ook wel degelijk een act vraagt van de mens. Het vraagt innerlijke armoede, bereidheid, beschikbaarheid. Het vraagt openheid om het vuur van de Geest te kunnen ontvangen.
Dus de act van de mens bestaat erin je handen, je hart, je hele zijn in stilte en met veel geduld te openen voor de gave van het geloof, en je er aan toevertrouwen.

Het zou een vergissing zijn te denken dat we geloven wanneer we met onze lippen belijden dat we geloven. Dit kan zo zijn maar het is niet per definitie zo. Geloof is veel meer dan belijdenis met de lippen.
Zoals het ook niet per definitie is dat we in geloof leven wanneer we onze gebeden plichtsmatig vervuld hebben. Het is niet omdat je zoveel keer per dag bidt dat je leeft in geloof, lees: in overgave aan de Heer. Wat niet wil zeggen dat dit gebed zinloos zou zijn. Ook het bidden zonder geloof, of met een vechtend geloof, heeft zin. Maar het zou ons te ver leiden daar nu verder op in te gaan.

Geloof is stille overgave aan Gods aanwezigheid, het is je toevertrouwen aan zijn genade die je geschonken wordt wanneer je je hele zijn laat bevruchten door zijn tegenwoordigheid.

Het gebed van het hart is de sleutel tot deze overgave. Niet dat soort gebed dat ons in een soort stemming brengt van zoete gevoelens alsof dat het wezen zou zijn van ons geloofsleven. Als je deze gevoelens moest hebben moet je daar uiterst voorzichtig mee omgaan. Het is zelfs aan te raden er een zeker wantrouwen tegenover te hebben. Zoete gevoelens zijn dikwijls een product van ons eigen ikje.

Het gebed van overgave gebeurt doorgaans in een volgehouden discipline, dag na dag, de woestijn van je hart beminnend, los van oppervlakkige gevoelens. Het is gelovig weten dat Hij er is, dat Hij naar je kijkt met een blik die vervuld is van diepe liefde en genegenheid. Het is jezelf met je hele lichaam, je ziel en je verstand aan Hem geven; Hem beminnend vanuit de liefde die Hij in je legt.

Beleef je dit in duisternis of dorheid? Niet altijd zo fijn, maar in wezen (in wezen!) is het diepe genade. De woestijn is de meest vruchtbare plaats om tot waar innerlijk gebed te komen. Want daar staat enkel jij en de Heer. Het is soms diep confronterend, erg lastig ook, maar nogmaals: in wezen is het diepe genade.

In de woestijn word je puur. In de dorst zuivert God je uit.

Bemin de stilte, bemin je dorst, en geef je. Geef je aan Hem die zich aan u geeft. En laat God God zijn. Dan wordt je mooi, zuiver en puur. Je zal een afstraling worden van wat er diep in je ziel gebeurt.

Ja, je zal liefde worden. Omdat je God God laat zijn, en toelaat dat jij in Hem smelt.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer Jezus,
moge uw Geest ons hart doen neigen naar U. Moge het geheel in U opgenomen worden, en wel door Gods genade die zich ten volle manifesteert in U. Mogen wij vlam worden van jullieVlam; één vuur, één liefde.
Oh mijn Liefste. Amen.