Lezingen van de dag – maandag 14 jan 2019


Heilige (of feest) van de dag

Peerke Donders († 1887)

Peerke (ook Petrus) Donders CssR, ‘Batavia’ Paramaribo, Suriname; missionaris

Peerke Donders werd te Heikant, een buurtschap nabij Tilburg, geboren op 27 oktober 1809 uit zo’n gezin waar ze de ene klap na de andere te verduren krijgen: ze waren straatarm, vader verloor in korte tijd drie keer zijn vrouw, onder wie de moeder van Peerke, en bovendien stierven een paar kinderen een vroegtijdige dood. Voor Peerke leek de toekomst duidelijk: meehelpen om aan de kost te komen. Hij werd thuiswever. Maar hij wilde graag priester worden. Het schijnt, dat zijn biechtvader hem heeft gezegd: ‘Jij moet je vader helpen: dat is jóúw priesterschap.’ Toch bleef het priesterschap hem trekken. In een brief aan zijn pastoor zette hij nog eens uiteen waarom hij zo graag wilde; hij was eerlijk genoeg ook de bezwaren ertegen te vermelden. De pastoor oordeelde positief. Peerke mocht het proberen. Hij was toen 22 jaar.

Hij ging naar het seminarie van Sint-Michielsgestel, waar hij huisknecht-student werd. Een licht was hij niet. Dat gemis maakte hij goed door zijn gaven van hart. Later verhuisde hij naar Haaren. Op 5 juni 1841 werd hij te Oegstgeest priester gewijd. Kort daarna kwam de noodkreet van de bisschop van Suriname hem ter ore: of er edelmoedige priesters waren die hun pastorale zorg wilden wijden aan de Hollandse koloniën die zo geteisterd werden door tropische ziekten. Peerke was de enige die zich aanmeldde.
Op 16 september 1842 arriveerde hij in Paramaribo. Zijn werkterrein werd al gauw het oerwoud: hij werd rivierenpater. Omgeven door muskieten en allerhande ongedierte trok hij naar de nederzettingen van de bosnegers, naar de dorpjes van de negerslaven die door de Hollanders uit Afrika naar Suriname waren gesleept en nu van de plantages waren gevlucht tot diep in de oerwouden; hij besteedde zijn zorgen aan de Indianen, van wie vooral de Arrovacchi toegankelijk waren voor het evangelie. Op zijn oude dag zou hij zichzelf nog leren harmonium spelen om des te gemakkelijker toenadering tot stand te brengen.
Toch is Peerke Donders het beroemdst geworden om zijn werk in de melaatsenkolonie ‘Batavia’ een eind buiten Paramaribo. Aan deze eenzame, verstoten en vergeten mensen heeft hij de meeste toewijding besteed. Hij verzorgde de walgelijkste ziektegevallen, aanhoorde hun klachten en verhalen, probeerde ze op te beuren, en legde hun uit dat de zonde veel en veel erger is dan de melaatsheid. Het schijnt dat ze hem desondanks een keer verdreven hebben. Maar met gejuich werd hij later weer ingehaald.
In 1865 werd de Surinaamse missie toevertrouwd aan de paters Redemtoristen. Op zijn oude dag trad Peerke dus toe tot deze Congregatie, en legde van harte de drie religieuze geloften af van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. In wezen betekende dit voor hem geen enkele verandering. In feite was hij zijn hele leven al bezig in de geest van die geloften.
Op 14 januari 1887 kwam er een eind aan dit heilige leven. Hem schijnt ooit gevraagd te zijn of hij nu meer van God hield of van de mensen. Zijn antwoord herinnerde aan het beroep dat hij ooit geleerd had: ‘Je vraagt toch ook niet aan een wever of de schering belangrijker is dan de inslag?’

Van hem zijn authentieke portretten bewaard: een magere man, aan wie de eenvoud en hartelijkheid van zijn gezicht zijn af te lezen. In de kathedrale Sint-Bavokerk te Haarlem wordt hij afgebeeld met een melaatse: terwijl de rechterhand beschermend rust op de schouder van de zieke, beurt hij hem met de linker op.

Bron: Heiligen.net

 

maandag in week 1 door het jaar


Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 1, 1-6

Het begin van de brief aan de Hebreeën doet denken aan de proloog van het Johannesevangelie. Jezus’ plaats in de heilsgeschiedenis wordt er beschreven. Jezus was reeds langs aangekondigd. Hij was de bekroning van een lange reeks tussenkomsten van God voor de mensen. Maar Hij was ook betrokken bij het begin van de schepping, want Hij is Gods eigen Zoon en als zodanig werd Hij mens.

Broeders en zusters,
op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft Hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die Hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie Hij de wereld heeft geschapen. In Hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld, Hij schraagt de schepping met zijn machtig woord; Hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit, ver verheven boven de engelen omdat Hij een eerbiedwaardiger naam heeft ontvangen dan zij. Tegen wie van de engelen heeft God immers ooit gezegd: ‘Jij bent mijn Zoon, Ik heb je vandaag verwekt’? Of: ‘Ik zal een vader voor hem zijn, en hij voor mij een zoon’? Maar wanneer Hij de eerstgeborene de wereld weer binnenleidt, zegt Hij: ‘Laten al Gods engelen Hem eer bewijzen.’

 

Psalm 97, 1 + 2 + 6 + 7 + 9

Refr.: Voor de Heer werpen alle goden zich neer.

De Heer is koning – laat de aarde juichen,
laat vreugde heersen van kust tot kust.

In wolk en duisternis is Hij gehuld,
zijn troon stoelt op recht en gerechtigheid.

De hemel vertelt van zijn gerechtigheid,
alle volken aanschouwen zijn majesteit.

Beschaamd staan zij die beelden aanbidden
en zich beroemen op goden van niets.
Voor hem moeten alle goden zich buigen.

U, Heer, bent de hoogste op heel de aarde,
boven alle goden hoog verheven.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 1, 14-20

Vandaag beginnen wij de doorlopende lezing van het evangelie volgens Marcus. Deze wordt voortgezet tot aan de vastentijd. Jezus begint zijn openbaar optreden met de verkondiging van de Blijde Boodschap. Hij doet een beroep op gewone mensen om met Hem mee te gaan en later deze taak verder uit te bouwen.

Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar Hij Gods goede nieuws verkondigde.
Dit was wat Hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het Koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’
Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers.
Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’
Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.
Iets verderop zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, en direct riep Hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden Hem.

Van Woord naar leven

De leerlingen laten alles achter wat hen door de natuur gegeven is. Met de bedoeling Jezus te volgen. Hiermee treden ze binnen in een nieuwe soort familie, gestuwd door de Geest, de gemeenschap rond Jezus.
Wij zijn geroepen deel uit te maken van die familie, door net zoals de leerlingen, alles achter te laten om Jezus te kunnen volgen.

Moeten wij dan werkelijk alles achter laten om Hem te volgen? Alles?
Misschien. Voor sommige mensen zal de roep dat van hen vragen.
Voor anderen zal de roep betekenen verder doen met wat ze bezig zijn maar vanbinnen afstand nemend van al die dingen die een belemmering vormen de Heer te volgen.

Waartoe de Heer ons ook roept, vraag is en blijft: zijn we bereid?
Zijn we bereid Hem te volgen, zowel in de tientallen dagelijkse keuzes, alsook in de grote levenskeuzes.
Zijn we bereid ons zo toe te vertrouwen aan Hem zodat zijn genade dagelijks vruchtbaar mag zijn in ons leven…
Zijn we bereid ons valse ik op te geven om in Hem ons ware ik te vinden…

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Vader,
in Jezus roept Gij ieder van ons. Help ons als vrije mensen, en met alle liefde die we in ons dragen, ‘ja’ te zeggen op uw roep. Ja, goede God, vorm ons om naar uw Liefde.
Om deze genade bidden wij U, in Christus, onze Broeder en Heer.
Amen.