Lezingen van de dag – maandag 26 nov 2018


Heilige (of feest) van de dag

Jan Berchmans († 1621)

Jan Berchmans sj, Rome, Italië; religieus & student

Jan Berchmans werd op 12 maart 1599 te Diest geboren als oudste van vijf kinderen. Zijn vader, eveneens Jan geheten, was schoenmaker en één der schepenen van de stad. Zijn moeder heette Elisabeth van den Hove; zij was een vrome vrouw, die veel ziek was.

Jans ouders hadden gehoopt, dat hij zou meehelpen in de zaak. Maar Jan zelf vatte al zeer jong het ideaal op om priester te worden. Op zijn negende jaar kreeg hij de kans om naar de plaatselijke school te gaan, terwijl hij met een aantal jongetjes die hetzelfde ideaal hadden als hij, intern leefde in het rectorshuis van de Onze-Lieve-Vrouweparochie. De pastoor gaf hem les in alles wat met kerk en geloof te maken had. Jan was een uitnemende leerling. Maar na de beëindiging van zijn derde schooljaar in 1612, haalde zijn vader hem er af. Er was eenvoudig geen geld. Toen de pastoor van het begijnhof te Diest hiervan hoorde, bood hij vader aan, dat hij Jan in huis zou nemen als huisknecht; in ruil daarvoor zou hij zijn opleiding betalen.
Reeds een paar weken later verhuisde hij onder dezelfde condities naar kanunnik Jan Froymont in Mechelen. Opvallend was, dat hij alle klusjes die hij op te knappen kreeg (tafeldekken en afruimen, huis schoonhouden, boodschappen rondbrengen, tuin bijhouden, voor twee jongere mede-internen zorgen), met zo’n opgewekt gemoed deed.

In 1615 openden de jezuïeten een college in Mechelen. Jan ging daarheen om zijn studies af te maken, en wilde jezuïet worden. Het was vooral het levensverhaal van Aloysius van Gonzaga († 1591; feest 21 juni), dat hem daartoe inspireerde.

Intussen was dat de zoveelste tegenvaller voor zijn ouders, die hem graag in de buurt hadden gehouden als parochiepriester. Tenslotte gaf vader toe. Jan was op dat moment 17½ jaar oud. Hij trad in het noviciaat van de paters jezuïeten op 24 september 1616. Daar leerde hij van zijn geestelijk leidsman de eenvoudige doch glanzende levenswijsheid die je als program boven heel zijn leven zou kunnen schrijven: ‘Heiligheid bestaat niet in het verrichten van buitengewone dingen, maar in het buitengewoon verrichten van gewone dingen!’ Nog tijdens dat eerste jaar kreeg hij in de maand december bericht, dat zijn moeder was overleden. Vader zou kort daarna de schoenmakerswinkel sluiten, zelf de priesterstudies op het seminarie aanvatten en twee jaar later al, in april 1618, priester worden gewijd.

Zoals elke jezuïet legde Jan na zijn twee jaar noviciaat de religieuze geloften af van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. In september van datzelfde jaar 1618 begon hij in Antwerpen aan zijn filosofische studies. Daar gaven ze hem te verstaan dat hij was uitgekozen om zijn studies in Rome te voort te zetten. Hij had gehoopt op weg naar Rome zijn vader nog in Mechelen te kunnen treffen voor een afscheid, maar in plaats daarvan kreeg hij te horen, dat vader juist gestorven was, nog geen zes maanden na diens priesterwijding.

Jan arriveerde in Rome op de laatste dag van december 1618. Hij voltooide zijn drie jaar filosofie met glans, en werd gevraagd om het traditionele Openbaar Dispuut namens de jezuïetenopleiding aan te gaan. Niemand echter realiseerde zich, dat hij het gewone met buitengewone zorg verrichtte en hoeveel werk hij daarvoor verzette. Tot diep in de nacht. Het dispuut verliep prachtig, maar meer nog viel zijn ongezonde kleur op.

Hij bleek aan dysenterie te lijden, en zo verzwakt te zijn, dat er eigenlijk al niets meer aan te doen viel. Hijzelf sprak op zijn ziekbed met grote vanzelfsprekendheid over het paradijs… Huisgenoten, medestudenten, paters die in de stad waren, en zelfs Pater Generaal kwamen hem opzoeken om afscheid te nemen. In de kring van de communiteit ontving hij het sacrament der stervenden op 12 augustus 1621; een aanwezige noteerde later, dat Jan zelf de enige was die niet huilde en heel nuchter zijn kalmte bewaarde. De slapeloze nacht daarop bracht hij in gebed door. Toen de volgende morgen om even over acht de klok aanhoudend luidde van het huis, wist iedereen: onze broeder Jan is gestorven.

Zoals gebruikelijk in de jezuïetenorde schreef een huisgenoot – in dit geval zijn overste – een karakteristiek van de overledene, waaruit wij het volgende citeren: ‘Wat wij allemaal zo in hem bewonderden, was dat hij zo deugdzaam was, zo… vanzelfsprekend deugdzaam. Met Gods genade wist hij van alles wat hij aanpakte iets bijzonders te maken; iets wat precies was zoals het moest zijn.’

Bron: Heiligen.be

maandag in de laatste week
van het liturgisch jaar


Uit het boek Apocalyps 14, 1-3 + 4b-5

Op de berg Sion zullen allen worden verzameld rond het Lam, omdat zij Christus onvoorwaardelijk hebben gevolgd waarheen Hij ook gaat. Nu delen zij in de heerlijkheid van dat Lam omdat ze door lijden en dood heen zich samen met Hem hebben gegeven tot het uiterste.

Ik, Johannes, zag dit: het Lam stond op de Sion, en bij het Lam waren honderdvierenveertigduizend mensen die zijn naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd hadden. Ik hoorde uit de hemel een geluid komen dat klonk als het geluid van geweldige watermassa’s, van zware donderslagen; het klonk als het geluid dat muzikanten maken die op de lier spelen. Er werd voor de troon en voor de vier wezens en de oudsten iets gezongen dat leek op een nieuw lied. Niemand kon het lied begrijpen, behalve de honderdvierenveertigduizend mensen die van de aarde zijn vrijgekocht.
Zij volgen het Lam waarheen het maar gaat. Ze zijn uit de mensheid vrijgekocht om als de eerste opbrengst te worden aangeboden aan God en aan het Lam. Geen leugen komt over hun lippen, er valt niets op hen aan te merken.

 

Psalm 24, 1-6

Refr.: Dit is het geslacht dat zich richt tot de Heer.

Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft,
de wereld en wie haar bewonen.
Hij heeft haar op de zeeën gegrondvest,
op de stromen heeft Hij haar verankerd.

Wie mag de berg van de Heer bestijgen,
wie mag staan op zijn heilige plaats?
Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
zich niet inlaat met leugens en niet bedrieglijk zweert.

Zegen zal hij ontvangen van de Heer
en recht verkrijgen van God, zijn redder.
Dat valt hun ten deel die U zoeken,
die zich tot u wenden, het volk van Jakob.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 21, 1-4

Christenen mogen hun zekerheid niet zoeken in rijkdom, macht of prestige. De arme weduwe geeft hiervan een prachtig voorbeeld. Zij geeft ‘alles’, en daarmee zichzelf.

Toen Jezus opkeek, zag Hij hoe rijken hun giften in de offerkist kwamen werpen. Hij zag ook dat een arme weduwe er twee muntjes in gooide, en Hij zei: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer gegeven dan alle anderen. Want de anderen hebben iets van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze nodig had voor haar levensonderhoud.’

Van Woord naar leven

Jezus prijst de arme weduwe omdat ze alles gaf wat ze nodig had voor haar levensonderhoud, terwijl de rijken iets gaven van hun overvloed.
Het mag duidelijk zijn dat Jezus de weduwe prijst in haar persoon, maar zijn prijzen gaat veel verder.
Hij prijst namelijk een houding die Hem erg dierbaar is: àlles geven.

Vraag is wie hier de eigenlijke rijke is. In het licht van Christus is dat ongetwijfeld de weduwe.
Ze is rijk omdat ze geeft, veel geeft, alles geeft. Ze geeft zichzelf, en wel helemaal.
Christus zal zich enige tijd later ook totaal geven, en wel voor ieder van ons. Met Pasen tot gevolg.

En dàt is nu precies wat Hij ook van ons vraagt: dat we geven, veel geven, alles geven; dat we onszelf geven, ook met Pasen tot gevolg.

Wie het klaarspeelt zichzelf totaal aan Christus te schenken, zal een ongehoorde vrijheid ervaren diep in hemzelf. Hij zal niet enkel zijn ware identiteit ontdekken, maar hij zal zich opgenomen weten in Gods Drie-ene Liefde, om deze te schenken aan Kerk en wereld. Ja, hij zal leven in het Pasen van Christus, en hij zal deze vrede uitdragen.

Is dit een ver-van-ons-bed-gebeuren ?
Nee, dit hoeft het echt niet te zijn.
Allen, ieder van ons, is geroepen deze weg te gaan.
En heel dikwijls, bijna altijd, gaat dat over hele kleine dingen. Dikwijls ook in het verborgene.
Wanneer we opstaan, mogen we dat met Hem doen, en dus in zijn liefde.
Wanneer we bidden, zingen, stil zijn,… mogen we dat met Hem doen, en dus in zijn liefde.
Wanneer wij onze kinderen wekken, mogen we dat met Hem doen, en dus in zijn liefde.
Wanneer we ontbijten, mogen we dat met Hem doen, en dus in zijn liefde.
Wanneer we uit werken gaan, met tram of fiets, mogen we dat met Hem doen, en dus in zijn liefde.
Wanneer we ons laten verzorgen, mogen we dat doen met Hem, en dus in zijn liefde.
Alles, ja in alles kunnen we ons schenken aan Hem.

Het evangelie gaat over uw leven, over mijn leven. Het gaat over vandaag, over de mensen die we vandaag ontmoeten, over de dingen die we vandaag gaan doen, én laten. Ja, het evangelie gaat over ons leven; vandaag, morgen, overmorgen.

En als het gisteren weer eens arm was… Ach, loop niet onnodig gebukt, maar kijk vooruit, richting God. Open je hart voor Hem. Vraag vergeving indien nodig, en richt je naar Hem, laat je omhelzen door zijn barmhartigheid en omhels Hem op jouw beurt.

En leef. De dag (de Heer) wacht op je.

God is liefde. Richt je naar Hem, en moge ons hart en onze voeten in beweging komen, gedragen door de Liefde.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede Jezus,
kom met uw heilige Geest in ons. Schenk ons de liefde en de nederigheid ons aan U te schenken. Zo kunt Gij met ons al weldoende rondtrekken en genadevol werkzaam zijn deze wereld. Trek ons in de brand van uw liefde, en maak ons innig één met U.
Alle dagen van ons leven. Amen.