Lezingen van de dag – maandag 4 maart 2019


Heilige (of feest) van de dag

Anna van Jezus ( 1621)

Anna van Jesus (familienaam de Lobera) ocd, Brussel, België; kloosterlinge

Zij werd op 25 november 1545 in de Spaanse plaats Medina del Campo uit adellijke ouders geboren. Tot haar zevende jaar was zij doofstom. Uit dankbaarheid voor haar genezing legde zij op tienjarige leeftijd een gelofte van devotie af, dat zij zich haar hele leven als maagd aan de Heer zou toewijden. Op 24-jarige leeftijd begaf zij zich naar Avila om zich aan te sluiten bij de grote Teresa († 1582; feest 15 oktober), die op dat moment de Carmelkloosters van Spanje aan het hervormen was: daaruit zou groeien de orde van de ongeschoeide karmelieten. In 1571 legde zij haar eeuwige professie af. Teresa zei van haar, dat zij de capaciteiten had om een heel keizerrijk te besturen. Zo kreeg Zuster Anna van Jesus de opdracht overal waar het maar mogelijk was nieuwe Carmelkloosters te stichten. Na een aantal nieuwe vestigingen in Spanje tot stand gebracht te hebben, werd zij met hetzelfde doel uitgezonden naar Frankrijk en de Nederlanden. In Frankrijk stichtte zij achtereenvolgens de Carmels van Parijs, Pontoise en Dijon. Vanuit die vestigingen kwam het ene na het andere Carmelklooster van de grond: tegen het eind van de 17e eeuw waren er al twee-en-zestig.

In de Nederlanden stond zij aan de basis van de Carmelkloosters in Brussel (25 januari 1607), Leuven (4 november 1607) en Bergen (Mons: 7 februari 1608). Uit de snelle opeenvolgingen van deze nieuwe vestigingen kunnen we proeven van welk een kaliber deze vrouw moet zijn geweest. Zij was bezield met het heilige vuur van de Contra-Reformatie en wist katholieken te vervullen van trots en geestdrift om zich met hart en ziel aan hun geloof te wijden.

In Brussel kregen de zusters een stuk grond toegewezen door de aartshertogin; daaruit groeide de zogeheten ‘koninklijke’ Carmel van Parc vlakbij de Naamse Poort. De kapel werd voltooid in 1614 en geldt nog steeds als een van de mooiste kerken van de stad. Intussen stroomden de kandidates toe. Vanuit Brussel werden niet alleen Leuven en Bergen gesticht, maar vervolgens ook Antwerpen (6 november 1612), Doornik (26 oktober 1614) en Mechelen (30 oktober 1616).

Deze vestigingen heeft Zuster Anna van Jesus nog tijdens haar leven zien ontstaan. Zij stierf in het door haar gestichte moederklooster te Brussel op 4 maart 1621.

Na haar dood zette de vernieuwingsbeweging van de Carmel in België zich krachtig voort. Er verrezen nog Carmelkloosters in Gent (22 september 1622), Ieper (12 oktober 1623), Brugge (7 maart 1626), Luik (29 juli 1627), Aalst (1632), Lier en Vilvoorde (beide in 1648), Kortrijk (27 maart 1649), Dendermonde (1 januari 1652), Namen (23 januari 1673) en Hoogstraten (1678).

Bron: Heiligen.net

 

maandag in week 8 door het jaar


Uit het boek Wijsheid van Jezus Sirach 17, 24-29

De schrijver van dit boek doet een dringende oproep tot bekering, door de zonden na te laten en minder aanstoot te geven. Onze situatie is nooit zo slecht dat God ons niet meer zou opnemen. Hij blijft telkens nieuwe kansen geven aan iedereen die ervoor open staat.

Wie berouw heeft geeft de Heer een nieuwe kans, wie de hoop verliest moedigt Hij aan. Wend je tot de Heer, zondig niet langer, bid tot Hem, geef Hem zo weinig mogelijk aanstoot. Keer terug tot de Allerhoogste, keer je af van onrecht, want Hijzelf leidt je uit de duisternis naar het genezende licht. Haat alles wat gruwelijk is ten diepste. Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven, zoals de levenden, die voor Hem een danklied zingen? Een dode vergaat, zijn dankzegging sterft, wie leeft en gezond is prijst de Heer.
Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer, hoe genadig is Hij voor wie zich tot Hem keert.

 

Psalm 32, 1 + 2 + 5 + 6 + 7

Refr.: Heer, U omringt mij met gejuich van bevrijding.

Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven,
van wie de zonden worden bedekt.
Gelukkig als de Heer zijn schuld niet telt,
als in zijn geest geen spoor van bedrog is.

Toen beleed ik U mijn zonde,
ik dekte mijn schuld niet toe,
ik zei: ‘Ik beken de Heer mijn ontrouw’,
en U vergaf mij mijn zonde, mijn schuld.

Laten uw getrouwen dus tot U bidden
als zij in zichzelf een zonde vinden.
Stormt dan een vloed van water aan,
die zal hen niet bereiken.

Bij U ben ik veilig,
U behoedt mij in de nood
en omringt mij met gejuich van bevrijding.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 10, 17-27

Rijkdom en aards bezit kunnen de mens volslagen in hun macht krijgen. De jonge idealist uit het evangelie weet dat de platgetreden weg van de wetsvervulling niet voldoende is voor hem. Als Jezus hem vraagt zich totaal te ontdoen van zijn bezittingen en Hem na te volgen, gaat hij ontdaan heen. De verbijstering over Jezus’ eis slaat ook over op de leerlingen. Alleen Gods kracht in de mens kan bewerken dat iemand dit offer brengen kan.

Toen Jezus zijn weg vervolgde, kwam er iemand naar Hem toe die voor Hem op zijn knieën viel en vroeg: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God. U kent de geboden: pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’
Toen zei de man: ‘Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden.’
Jezus keek hem liefdevol aan en zei tegen hem: ‘Eén ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom dan terug en volg mij.’
Maar de man werd somber toen hij dit hoorde en ging terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen.
Jezus keek de kring rond en zei tegen zijn leerlingen: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
De leerlingen schrokken van zijn woorden.
Maar Jezus zei nog eens uitdrukkelijk: ‘Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
Nu waren ze nog meer ontzet, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’
Jezus keek hen aan en zei: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk.’

Van Woord naar leven

Vandaag lezen we bij Jezus Sirach: Groot is de barmhartigheid van de Heer.

De eerste lezing van vandaag roept op tot bekering, tot het afstand nemen van al die dingen die een belemmering vormen te leven in de Heer. Tegelijk spreekt de lezing van Gods barmhartigheid, God die steeds weer opnieuw zijn hart opent voor hem die met een berouwvol hart terugkeert naar Hem.

Als God barmhartig is, en als wij geschapen zijn naar zijn beeld en gelijkenis, zijn wij dus geroepen om Gods barmhartigheid te belichamen in ons leven. Zoals God elke zondaar weer welkom wilt heten, hem zelfs gaat opzoeken, zo zijn ook wij geroepen vriendschap te sluiten met hen die gezondigd hebben, hen te vergeven, hen – indien mogelijk – tot God te brengen.

We leven in een tijd waar de middeleeuwse schandpaal dikwijls zeer actueel is. Wie gezondigd heeft zal het geweten hebben. Niet enkel het oordeel zal hij aan den lijve ondervinden, het zal publiekelijk zijn én als het kan met straf.
Grote woorden… denk je misschien. Nee, toch niet. Roddelen bijvoorbeeld is het mogelijk kwaad van een ander publiek maken (dikwijls spottend) met de kwalijke bedoeling die persoon in een slecht daglicht te stellen en mensen tegen hem op te zetten.
Roddel… iets waar we ons allemaal wel eens aan bezondigen.

Heel anders is, wanneer je iemand ziet zondigen of weet hebt van het feit dat hij gezondigd heeft, dat je die persoon laat aanvoelen dat je hem niet verfoeit. Dat je (letterlijk) naar hem toegaat en hem je vriendschap aanbiedt, en als het mogelijk is, en aangewezen, hem aanspreekt op de mogelijke misstap die hij heeft begaan. Niet door hem rond de oren te slaan, maar vanuit een warme handreiking die hem laat aanvoelen dat – ondanks wat hij gedaan heeft – je hem niet veroordeelt. In het ‘goede gesprek’ kan je de juiste snaren bespelen die de ander helpt zijn misstap in te zien. En samen met hem kan je dan ‘opstaan’ om… ja, om weer verder te leven, geleerd uit de voorgedane situatie.

Als christen kan je deze weg gaan mét Christus, vanuit Hem. Christus, die niet gekomen is om te oordelen, die gekomen is voor de zieken, voor de verdwaalde schapen,… wil niet liever dan ons gebruiken om de verloren gelopen mens op te zoeken om hem weer naar de kudde te brengen, naar de gemeenschap, naar God.

Als we deze weg gaan, laten we hem dan biddend gaan. Want verlorengelopen mensen opzoeken als een soort stunt is zelf zonde. Een christen is geroepen te leven vanuit Gods genade, ook wanneer we zondaars de hand reiken. Eigenlijk is het God die in Christus zijn hand reikt door ons heen naar de zondaar. Dat zou onze beleving moeten zijn: niets toeëigenend, alles aan God overlatend, wij instrument van Hem, mede scheppend, ‘ja’ zeggend, je engagerend, maar altijd in Christus.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,
leer ons barmhartig te zijn zoals Gij barmhartig zijt. Moge de inwoning van Jezus in ieder van ons daartoe de genade geven. Moge Hij de binnenkant zijn van onze buitenkant, het vuur van onze woorden, de warmte van onze handelingen. Kom met uw heilige Geest over ieder van ons opdat we ons ten diepste mogen geven aan Jezus in ons; Hij, het volle leven. Om deze genade bidden wij U, in Christus, onze broeder en Heer. Amen.