Lezingen van de dag – vrijdag 10 mei 2019


Heilige (of feest) van de dag

Damiaan de Veuster († 1889)

Damiaan de Veuster (geboren Jozef de Veuster) ss.cc., Molokai; missionaris

Jozef de Veuster werd op 3 januari 1840 geboren in het Belgische plaatsje Tremelo. Op dat moment heerste er hongersnood in Vlaanderen, omdat de oogsten mislukt waren. In het gezin was hij de zevende van acht kinderen. Vanaf zijn dertiende werkte hij mee op de boerderij. In die tijd trad zijn broer August in bij de Paters van de Heilige Harten (ook wel Picpus genoemd, naar de straat in Parijs waar het moederhuis staat); hij kreeg als kloosternaam Pamfilus, meestal vertrouwelijk Pamfiel genoemd. Vijf jaar later volgde Jozef zijn voorbeeld en kreeg de kloosternaam Damianus, kortweg Damiaan. Omdat hij geen Latijn en Grieks kende diende hij als werkbroeder in Leuven. Maar in de vrije uurtjes gaf Pamfiel hem bijles zodat hij na enige tijd toch toegelaten kon worden tot de priesteropleiding. Op 7 oktober 1860 legde hij in Parijs zijn kloostergeloften af.

In 1863 besloot de Congregatie de Hawaï-eilanden als missiegebied aan te nemen. Een van de zes paters die met een aantal zusters zouden worden uitgezonden, was Pamfiel. Op het beslissende moment werd hij ernstig ziek. Onmiddellijk bood Damiaan zich aan om zijn plaats in te nemen. Zo vertrok hij vanuit Bremerhaven voor een boottocht van 148 dagen naar Honolulu. Op 21 mei 1864 ontving hij de priesterwijding op één van de Hawaï-Eilanden, Kohala.

Nu werkte hij als missionaris op het platteland van Hawaï tussen arme boeren. Dat kende hij nog van thuis. Hoewel hij moeite had met de taal, aardde hij goed bij zijn mensen met zijn vierkante, stugge boerenkarakter. Hier kwam hij voor het eerst in aanraking met de verwoestende ziekte melaatsheid, waarvoor geen geneesmiddel bestond en die op Hawaï snel om zich heen greep. De regering besloot dan ook al die mensen bijeen te brengen en in quarantaine te plaatsen op het afgelegen eiland Molokaï. Toen de bisschop vroeg of er paters waren die daar voor enige tijd wilden werken, boden zich er vier aan. Damiaan werd aangewezen om er als eerste heen te gaan. Alwat hij meenam was zijn brevier.

Vanaf 10 mei 1873 deelde hij het leven van de melaatsen. Onder uiterst moeilijke omstandigheden probeerde hij aan deze vergeten groep mensen de troost en hoop van het evangelie te brengen. Intussen had hij de aandacht van de wereldpers op zich gevestigd. Van overal stroomden giften toe. Na enige tijd liet hij de bisschop weten dat hij wilde blijven: zijn plaats was onder de melaatsen. Daar wilde God hem hebben.

Met zijn mensen, die door de buitenwereld waren afgeschreven, probeerde hij een menswaardig bestaan op te bouwen. Naast het geestelijk dienstwerk van het toedienen van de sacramenten, godsdienstles geven, zieken bezoeken enzovoort, zorgde hij ook voor de organisatie van materiële en maatschappelijke voorzieningen. Zo legde hij een eerbiedig kerkhof aan, richtte een schamel ziekenhuisje in, droeg zorg voor scholing en onderwijs, en stelde zelfs een heuse fanfare samen. Soms kwamen er medebroeders of zusters om hem te helpen. Daar was hij met zijn rechtlijnig karakter bepaald niet goed in. Ook met zijn kloosteroversten lag hij herhaaldelijk overhoop. Drie jaar voor zijn dood gaf hij aan waar hij zijn kracht vandaan haalde; hij schreef: “Zonder de aanwezigheid van onze goddelijke Meester in mijn kleine kapel zou ik nooit mijn lot aan dat van de melaatsen van Molokaï voor altijd kunnen verbinden.”

In 1876 groeide bij hem het vermoeden dat hijzelf was aangetast door de melaatsheid. Gaandeweg openbaarde zich inderdaad de ziekte ook bij hem en deed zijn verwoestende werk. Na een verblijf van bijna zestien jaar stierf hij temidden van zijn mensen op 15 april 1889, nog geen vijftig jaar oud. De dag daarop werd hij begraven op het door hem zelf aangelegde kerkhof.

Hij wordt vereerd als ‘De apostel van de melaatsen’.

In 1936 werden zijn relieken naar de Picpuskerk in Leuven overgebracht. In die stad staat er zelfs een standbeeld van hem. In april 1969 kreeg hij zelfs een standbeeld in het Kapitool te Washington, USA: De vijftigste Amerikaanse staat, Hawaï, had hem uitgekozen om de eilanden in de congreszaal te vertegenwoordigen. Op 4 juni 1995 werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard en op 11 oktober 2009 heilig verklaard door paus Benedictus XVI.

Bron: Heiligen.net

 

vrijdag in de 3e paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 9, 1-22

Paulus’ bekering op de weg van Damascus is een van de hoogtepunten uit het jonge christendom. Wij lezen het verhaal van een mens als wij, die Jezus ervaart, die door God geslagen wordt. Van een niets ontziend kerkvervolger wordt hij de apostel die de grenzen van de Kerk wereldwijd zal doorbreken.

Saulus bedreigde de leerlingen van de Heer nog steeds met de dood.
Hij ging naar de hogepriester met het verzoek hem aanbevelingsbrieven mee te geven voor de synagogen in Damascus, opdat hij de aanhangers van de Weg die hij daar zou aantreffen, mannen zowel als vrouwen, gevangen kon nemen en kon meevoeren naar Jeruzalem.
Toen hij onderweg was en Damascus naderde, werd hij plotseling omstraald door een licht uit de hemel. Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je mij?’
Hij vroeg: ‘Wie bent U, Heer?’
Het antwoord was: ‘Ik ben Jezus, die jij vervolgt. Maar sta nu op en ga de stad in, daar zal je gezegd worden wat je moet doen.’
De mannen die met Saulus meereisden, stonden sprakeloos; ze hoorden de stem wel, maar zagen niemand.
Saulus kwam overeind, en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien. Zijn metgezellen pakten hem bij de hand en brachten hem naar Damascus.
Drie dagen lang bleef hij blind en at en dronk hij niet.
In Damascus woonde een leerling die Ananias heette. In een visioen zei de Heer tegen hem: ‘Ananias!’
Hij antwoordde: ‘Ik luister, Heer.’
Daarop zei de Heer: ‘Ga naar de Rechte Straat en vraag daar in het huis van Judas naar iemand uit Tarsus die Saulus heet. Hij is aan het bidden, en hij heeft in een visioen gezien hoe een man die Ananias heet, binnenkomt en hem de handen oplegt om hem weer te laten zien.’
Ananias antwoordde: ‘Heer, van veel kanten heb ik gehoord over deze man en over al het kwaad dat hij uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. Bovendien heeft hij toestemming van de hogepriesters om hier iedereen die uw naam aanroept in de boeien te slaan.’
Maar de Heer zei: ‘Ga, want hij is het instrument dat Ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten. Ik zal hem tonen hoezeer hij moet lijden omwille van mijn naam.’
Ananias vertrok en ging naar het huis, waar hij Saulus de handen oplegde, terwijl hij zei: ‘Saul, broeder, ik ben gezonden door de Heer, door Jezus, die aan u verschenen is op de weg hierheen, om ervoor te zorgen dat u weer kunt zien en vervuld wordt van de heilige Geest.’
Meteen was het alsof er schellen van Saulus’ ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen, en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op krachten.
Hij bleef enkele dagen bij de leerlingen in Damascus en ging onmiddellijk in de synagogen verkondigen dat Jezus de Zoon van God is.
Allen die hem hoorden waren stomverbaasd en vroegen: ‘Dat is toch de man die in Jeruzalem de volgelingen van die Jezus naar het leven stond, en hij is toch hierheen gekomen om hen gevangen te nemen en uit te leveren aan de hogepriesters?’
Saulus’ optreden werd echter steeds krachtiger, en hij bracht de in Damascus wonende Joden in verwarring door aan te tonen dat Jezus de messias is.

 

Psalm 117, 1-2

Refr.: Ga uit over de hele wereld en verkondig het evangelie.

Loof de Heer, alle volken,
prijs Hem, alle naties.

Zijn liefde voor ons is overstelpend,
eeuwig duurt de trouw van de Heer.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 6, 52-59

‘Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven’

Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’
Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal Ik op de laatste dag uit de dood opwekken.
Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank.
Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en Ik blijf in hem.
De levende Vader heeft mij gezonden, en Ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij.
Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven.’
Dit alles zei Hij in de synagoge van Kafarnaüm toen Hij daar onderricht gaf.

Van Woord naar leven

Vandaag lezen we in de eerste lezing over de bekering van Paulus.

Paulus, een echte christenvervolger tot in de ergste graad, krijgt van God een soort genadeslag, bekeert zich, en wordt een verkondiger om U tegen te zeggen.

Lieve mensen, laat dit een voorbeeld en troost zijn voor allen die leven met een gevoel van schuld voor misstappen die zij in hun leven begaan hebben. Velen van ons vechten daarmee, en denken dat God met hen nog weinig kan of zelfs wil.

Het is goed om je zonden in te zien, je op de borst te kloppen, te knielen voor God met je hoofd omlaag, thuis of ergens achteraan in een kerk. Maar dit mag geen blijvende houding zijn… God wil dit niet.
Tracht je berouw gezond te beleven, dat wil zeggen ‘in’ God. Hij zal van je berouw een springplank maken tot ware bekering. God zal tegen je zeggen: ‘Bekeer je, en kom in mijn dienst’.
En diep vanbinnen, groeiend doorheen gebed en gewaarwording, zal je ervaren dat God je inderdaad in zijn dienst brengt, dat Hij je vraagt en draagt, dat Hij je nodig heeft.

Je zult ervaren dat je – ondanks je verleden – genade krijgt Gods werk te doen. Je nee-woorden achterlatend zal je gewaar worden dat Christus je trekt in zijn eigen ja-woord tot de Vader. Van Hem zul je leren, van God zul je getuigen.

Daar God liefde is ben je nooit voor Hem verloren.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer God,
velen van ons dragen een diep gevoel van schuld, op zich niet erg, maar wel dodend op termijn wanneer men dit draagt los van U. Omhels ons met uw mantel van barmhartigheid, genees ons met de warmte van uw vrede, raak ons aan met de tederheid van uw liefde.
En roep ons dan, Heer, neem ons in uw dienst. Moge wij doorheen ons ja-woord getuigen worden van U, groeiend in uw liefde, van dag tot dag, in uw genade.
Om deze genade bidden wij U, in Christus, onze Broer en Heer. Amen.