Lezingen van de dag – woensdag 13 febr 2019


Heilige (of feest) van de dag

Kastor van Karden († ca 400)

Kastor van Karden aan de Moezel, Duitsland; priester

Hij was waarschijnlijk afkomstig uit de Franse landstreek Aquitanië net als zijn leermeester, bisschop Maximinus van Trier, bij wie hij zoch rond 345 als leerling aansloot. Hij leidde het teruggetrokken en godgewijde leven van een kluizenaar aan de Moezel met een aantal gezellen. Tot hen behoorden Potentinus († eind 4e eeuw; feest 18 juni) met zijn beide zoons Felicius en Simplicius. Zij waren pelgrims en kwamen eveneens uit Aquitanië. Ze hadden een bezoek gebracht aan hun landgenoot Maximinus en deze had hen doorverwezen naar Kastor.

Zo vormde zich daar een kleine christelijke gemeenschap.

Kastor moet rond 400 op hoge leeftijd gestorven zijn. In het jaar 791 horen we dat hij tevoren al tot de eer der altaren verheven was en in de Paulinuskerk van Karden was bijgezet.

In 836 werd door bisschop Hetti van Trier werd een gedeelte van zijn relieken later overgebracht naar Koblenz, waar ter ere van hem de St-Kastorkerk werd gebouwd.

Bron: Heiligen.net

 

woensdag in week 5 door het jaar


Uit het boek Genesis 2, 4b-9 + 15-17

Dit scheppingsverhaal is ouder dan het voorgaande (maandag). Het gaat uit van het ‘niet’ en concentreert alles op de mens. De mens wordt er in een tuin geplaatst en daar staat hem alles ter beschikking. Maar God laat de mens vrij. Hij nodigt hem uit dit alles te bewerken en te verwerken met het risico dat de mens het ook kan misbruiken in eigen voordeel, ten nadele van anderen.

In de tijd dat God, de Heer, aarde en hemel maakte, groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkele plant opgeschoten, want God, de Heer, had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide.
Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.
God, de Heer, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste Hij de mens die Hij had gemaakt. Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad.
God, de Heer, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’

 

Psalm 104, 5 + 6 + 10 + 12 + 24

Refr.: Alles hebt U met wijsheid gemaakt.

U hebt de aarde op pijlers vastgezet,
tot in eeuwigheid wankelt zij niet.

De oerzee bedekte haar als een kleed,
tot boven de bergen stonden de wateren.

U leidt het water van de bronnen door beken,
tussen de bergen beweegt het zich voort.

Daarboven wonen de vogels van de hemel,
uit het dichte groen klinkt hun gezang.

Hoe talrijk zijn uw werken, Heer.
Alles hebt U met wijsheid gemaakt,
vol van uw schepselen is de aarde.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 7, 14-23

Deze lezing is een pleidooi voor eerlijkheid en oprechtheid van hart. Het uiterlijke zou een eerlijke weergave moeten zijn van wat er leeft in de mens. Eerlijke en oprechte overtuiging is broodnodig in elke tijd. Naamchristenen zijn er genoeg. Daarom moeten wij regelmatig onze eerlijkheid toetsen. Het is het enige middel om onszelf en de anderen niets wijs te maken.

Nadat Jezus de menigte weer bij zich had geroepen, zei Hij: ‘Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht. Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’
Toen Hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen Hem om uitleg over deze uitspraak.
Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt?’ Zo verklaarde Hij alle spijzen rein.
Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’

Van Woord naar leven

Vandaag horen we Jezus zeggen: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’

Elders zegt Hij: ‘Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien’.

Om het wit-zwart te stellen: Ofwel ben je zuiver van hart en zie je God, ofwel is je hart helemaal niet zuiver met alle gevolgen van dien: een onrein leven.

Ik denk dat ieder van ons verlangt naar dat zuivere hart, naar dat hart dat inderdaad voor het aanschijn van God staat, Hem aanbiddend, van Hem ontvangend, Hem dienend in de liefde in het dagelijks leven. Wat een vreugde en vrede moet het geven voortdurend in deze zuiverheid te staan, als een gebed zonder ophouden.
Verlangt niet ieder van ons daarnaar ?

Maar we zijn meesters in het knoeien. Gewoonlijk maken we er een potje van, klein als we zijn in het liefhebben. We leven met grootse idealen, willen vredebrengers zijn, niemand een kwaad hart toebrengen toedragen, enz… Maar als we dan eens in de spiegel kijken, recht in onze eigen ogen, of achterom, naar onze eigen geschiedenis, dan is het al vlug: ‘Knoeier!’
Misschien herken je je helemaal hier niet in… wat ik echt hoop voor ieder van u… maar ik vermoed dat dit bij velen toch bekend in de oren klinkt. Bij mij toch alleszins.

En als ik dan nadenk, ook biddend bemediteer, wat de oorzaak van dat geknoei zou kunnen zijn, dan kom ik altijd bij hetzelfde terecht. Namelijk: een mens heeft een natuurlijke streving in zich het goed te doen, en – en nu komt het – hij denkt dat hij dat hij dat alléén voor elkaar kan krijgen. En daar loopt het fout…

Hoe autonoom een mens in wezen ook is, religieus gezien is hij geroepen zich zo aan z’n God te schenken dat God hem kan leiden, opvoeden in de liefde, aanzetten tot het uitdragen van vrede. God is de genade van ons liefhebben, de kracht van ons goed doen, de gever van raad. Hij geeft steun wanneer het zwaar valt. Hij vergeeft wanneer we nee zeggen.

Een christen (en in wezen geldt dat ook voor een moslim en een jood) is geroepen te leven vanuit Gods inwoning, zich aan Hem gevend, van Hem ontvangend. De mens is geroepen instrument te zijn van Gods liefde. God door ons heen, in ons, met ons.
Maar zo dikwijls eigenen we ons leven toe, nemen er bezit van, en denken alles alleen te kunnen. Een soort alleenheersers van ons eigen leven. En da’s natuurlijk naast de bedoeling…

Christus is de belichaming van het ‘ja’ tot de Vader. In zijn ja-woord wil Hij ons opnemen. Laten we ons schenken aan Hem. Opdat Gods wil hier op aarde moge geschieden, zoals in de hemel, zoals we dat bidden in het Onze Vader.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,
schenk ons een zuiver hart,
dat leeft vanuit onze ontmoeting met U.
Dat wij op deze wijze
beeld en gelijkenis mogen worden
van Uw Drie-ene Liefde.
Genees al wat duister is in ons leven
en vervul ons met uw licht
dat Gij schijnt doorheen Christus.
Om deze genade bidden wij U,
in zijn naam.
Amen.