Lezingen van de dag – zaterdag 2 mrt 2019


Heilige (of feest) van de dag

Jaoua van Bretagne († 554)

Jaoua van Bretagne, Frankrijk; stichter, abt & bisschop

Hij was afkomstig uit Ierland, en vergezelde Sint Pol Aurélien de Léon († 570; feest 12 maart) op zijn tocht naar Bretagne aan de overkant van de zee. Volgens sommigen was hij van moeders kant zelfs zijn neef. Zij gingen aan land in Villa Petri (Petrushoeve). Deze Petrus staat ook te boek als een neef van Sint Pol.

Jaoua trok zich als kluizenaar terug in de eenzaamheid; er is sprake van dat hij zijn opleiding kreeg in de zojuist gestichte abdij van Landevennec. Abt Judulus zou hem de opdracht gegeven om het evangelie te gaan verkondigen in de buurt van Brasparts en vervolgens in de streek van Lampaul-Ploudalmézeau.

Een plaatselijk hoofd was het er helemaal niet mee eens. Hij bracht Judulus en nog een monnik die was komen helpen, om het leven. God strafte onmiddellijk. Een ondier kwam dat gebied terroriseren. In sommige legendes is er sprake van van een wilde os, die geregeld kwam drinken uit de bron bij Jaoua’s hut. Het beest ging daarbij zo te keer dat het herhaaldelijk de hut van de heilige volkomen vernielde. Uiteindelijk moest oom Pol er aan te pas komen om het dier voorgoed te verjagen. Daarop bekeerde zich dat stamhoofd met de hele bevolking en maakte het mogelijk dat er een kloostervestigingkje werd gesticht. Vandaar de naam ‘Daoulaz’ (= ‘Dubbele moord’).

Sommige bronnen menen te weten dat hij later Sint Pol opvolgde als bisschop van Léon. Volgens zijn eigen wens werd zijn lijk op een ossenkar geplaatst. Zij mochten bepalen waar hij zijn laatste rustplaats zou vinden. Het werd Plouvien. Daar bevindt zich zijn sarcofaag met de inscriptie ‘Saint Joevin’.

Hij is patroon van Plouvien.
Zijn voorspraak wordt ingeroepen om van kanker genezen te worden.
In Plouvien vindt op de eerste zondag van mei ter ere van hem een boetprocessie (pardon) plaats.

Bron: Heiligen.net

 

zaterdag in week 7 door het jaar


Uit het boek Wijsheid van Jezus Sirach 17, 1-15

De eerste lezing schetst ons de plaats en de taak van de mens in de wereld zoals God die bedoelde. God gaf hem werkelijk alles in handen en maakte hem tot kroonstuk van de schepping. Wij zijn geschapen naar het beeld van God.

De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen en doet hem naar haar terugkeren. Hij schonk de mensen een afgemeten aantal dagen, maar ook macht over alles wat er op de aarde is. Hij heeft hen toegerust met zijn eigen kracht en hen naar zijn eigen beeld gemaakt. Alles wat leeft heeft Hij ontzag voor de mens gegeven, opdat deze zou heersen over dieren en vogels.
Hij kreeg van de Heer vijf zintuigen, als zesde ontving hij van hem het verstand, als zevende het woord, waarmee de daden van de Heer worden bekendgemaakt. Denkvermogen, een tong, ogen, oren en een hart gaf Hij hem om begrip te verwerven.
Hij deelde hem rijkelijk kennis en inzicht toe en toonde hem het goede en het kwade.
In zijn hart heeft Hij ontzag voor Hem gelegd, opdat de mens zijn grote daden kon zien en zich door de eeuwen heen op zijn wonderdaden kon beroemen, opdat hij zijn grote daden zou verkondigen en zijn heilige Naam zou prijzen.
Hij schonk hun kennis en de wet die leven geeft, opdat ze zouden beseffen dat zij, die leven, sterfelijk zijn.
Hij heeft met hen een eeuwig verbond gesloten en hun zijn voorschriften gegeven.
Zij zagen zijn grote macht en hoorden zijn krachtige stem. Hij zei tegen hen: ‘Hoed je voor alle onrecht,’ en gaf hun regels voor de omgang met andere mensen.
Hun daden zijn Hem volledig bekend, ze blijven niet voor zijn ogen verborgen.

 

Psalm 103, 13-18a

Refr.: De Heer is trouw aan wie Hem vrezen.

Zo liefdevol als een vader is voor zijn kinderen,
zo liefdevol is de Heer voor wie Hem vrezen.
Want Hij weet waarvan wij gemaakt zijn,
Hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd.

De mens – zijn dagen zijn als het gras,
hij is als een bloem die bloeit op het veld
en verdwijnt zodra de wind hem verzengt;
de plek waar hij stond, kent hem niet meer.

Maar de Heer is trouw aan wie Hem vrezen,
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Hij doet recht aan de kinderen en kleinkinderen
van wie zich houdt aan zijn verbond en naar zijn geboden leeft.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 10, 13-16

In het Rijk der hemelen is er plaats voor al wie er open voor staat. Kinderen zijn er spontaan voor ontvankelijk. Ook volwassenen, die menen alles zelf eerst te moeten verwerken en in volle bewustheid te moeten beslissen, moeten als kinderen open staan.

De mensen probeerden kinderen bij Jezus te brengen om ze door Hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen.
Toen Jezus dat zag, wond Hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het Koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’
Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen.

Van Woord naar leven

Vandaag zegt Jezus: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het Koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’

Ik denk dat veel mensen, die zelf kinderen hebben, hun ogen fronsen wanneer ze dit horen. ‘Het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals kinderen’. Kleine kinderen kunnen soms heel egoïstisch doen, op zichzelf gericht, opeisend, soms agressief ook. En het zal in de tijd van Jezus wel niet anders geweest zijn…

Wat zou Jezus dan bedoelen ?
Een kind staat van nature open, zoals Jezus zelf aanhaalt in het tweede deel van het citaat hierboven. Het is nieuwsgierig, het wil alles zien en weten. Zijn hart staat open om te leren. Een kind is al snel verwonderd om de dingen rondom hem. Dit openstaan trekt het kind als het ware uit z’n eigen wereldje. Zo neemt het waar, zo neemt het op, zo groeit het.

Wij, volwassenen, hebben het daar dikwijls moeilijk mee. We zijn soms vastgeankerd aan ons eigen denken dat we voor onszelf zo graag tot ‘waarheid’ gemaakt hebben. Als vastgeketenden maken we het onszelf onmogelijk om nog verwonderd te zijn over het Grotere in ons leven. We sluiten ons op in een soort duisternis waar het licht amper kans krijgt om nog in door te dringen. Plato heeft dit – in zekere zin – prachtig neergeschreven in zijn grotallegorie.

Voor ons, gelovigen, komt het erop neer innerlijk arm te zijn, leeg van onszelf, onze ziel gericht op Degene die onze ware vervulling is, ons leven, onze zin, ons doel. Het komt erop neer verwonderd te kunnen zijn over het wonder van Gods bestaan.
We mogen Hem niet vastketenen in ons eigen denken. Hij is de Altijd Grotere, en wij zouden bereid moeten zijn onze innerlijke groei in Hem neer te leggen.

Zalig de armen van geest…

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer Jezus,
maak ons innerlijk arm, leeg van onszelf. Vervul ons met de liefde van uw Geest die ons naar U doet verlangen, naar U doet hunkeren. Geef ons het hart van een kind dat openstaat voor de dingen rondom ons, verwonderd en blij om wat gegeven wordt.
Jezus, moge wij groeien in U. Amen.