Lezingen van de dag – zaterdag 23 maart 2019


Heilige (of feest) van de dag

Rebekka Al Rayès († 1914)

Rebekka (ook Rafqa; geboren Boutrossieh = Pierrette Anissa?) Al Rayès van Himalag (of Himlaya), Al Dahr, Libanon; kloosterzuster

Zij werd in 1832 geboren. Toen ze zeven jaar was stierf haar moeder: een groot verlies, dat niet goed gemaakt werd door de tweede vrouw waarmee haar vader trouwde. Heel wat vrouen in de familie om haar heen hadden voor haar goede huwelijkskandidaten op het oog. Zij voelde zich echter aangetrokken tot het religieuze leven. Op haar 21e werd ze kokkin in het maronietenklooster van Bikfaya. Van 1856 tot 1871 werkte ze als onderwijzeres. In 1860 werd het klooster uitgemoord door de Drusen, maar Rebekka ontkwam. Na zich enige tijd verborgen te hebben gehouden trad ze toe tot het Maronitische Sint-Antoniusklooster Al Qaran en nam daar de naam Rebekka aan. Maar de ontberingen van de tijd die hieraan voorafgegaan was, hadden hun tol geëist. De ascetische levenswijze van haar medezusters kon zij niet aan; tegen het einde van haar leven werd ze zelfs lam en blind. Nog eenmaal verhuisde ze naar weer een ander klooster: Al Dahr. Waarom? Nogmaals op de vlucht? Daardoor lijkt haar leven getekend te zijn.

Haar graf is een druk bezochte pelrgimsplaats geworden.

Zaligverklaring op 17 november 1985.

Bron: Heiligen.net

 

zaterdag in de 2e week van de vasten


Uit het boek Micha 7, 14-15 + 18-20

De zekerheid dat God altijd opnieuw onze misstappen en tekorten wil vergeten is een bron van geluk voor ons. Zijn grote goedheid openbaart zich telkens opnieuw in de trouw aanzijn Verbond.

Weid uw volk met uw staf, uw geliefde kudde die eenzaam leeft in het woud, omringd door vruchtbaar land. Mogen ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van weleer.
Als in de dagen van zijn bevrijding uit Egypte laat ik dit volk wonderbaarlijke daden zien.
Wie is een God als U, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat? U blijft niet woedend op wie er van uw volk nog over zijn; liever toont U hun uw trouw.
Opnieuw zult U zich over ons ontfermen en al onze zonden tenietdoen. Onze zonden werpt u in de diepten van de zee.
U bewijst Jakob uw trouw en Abraham uw goedheid, zoals U gezworen hebt aan onze voorouders, in de dagen van weleer.

 

Psalm 103, 1 + 2 + 3 + 4 + 9 + 10 + 11 + 12

Refr.: De Heer is barmhartig en welgezind.

Prijs de Heer, mijn ziel,
prijs, mijn hart, zijn heilige Naam.
Prijs de Heer, mijn ziel,
vergeet niet één van zijn weldaden.

Hij vergeeft u alle schuld,
Hij geneest al uw kwalen,
Hij redt uw leven van het graf,
Hij kroont u met trouw en liefde.

Niet eindeloos blijft Hij twisten,
niet eeuwig duurt zijn toorn.
Hij straft ons niet naar onze zonden,
Hij vergeldt ons niet naar onze schuld.

Zoals de hoge hemel de aarde overspant,
zo welft zich zijn trouw over wie hem vrezen.
Zo ver als het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze zonden van ons verwijderd.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 15, 1-3 + 11-32

Het 15e hoofdstuk van Lucas is een vreugdelied op Gods geluk wanneer Hij een zondaar terugvindt. De parabel wijst de weg van de bekering: de terugkeer naar de Vader. De weg van de jongste zoon is ook de onze. De oudste zoon, voorbeeld van degelijkheid en fatsoen, schiet te kort. Hij kan het geluk van zijn vader niet begrijpen. Deze parabel leert ons dat God altijd barmhartig is.

Alle tollenaars en zondaars kwamen Jezus opzoeken om naar Hem te luisteren. Maar zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’
Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis:
‘Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen.
Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte.
Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.”
Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem.
“Vader”, zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.”
Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.
De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.”
Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.”
Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.’

Van Woord naar leven

Centraal in de parabel van de verloren zoon staan volgende woorden: ‘Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem.’

Deze woorden zeggen hoe God is, hoe Hij omgaat met mensen die zich van Hem verwijderd hebben. Hij kijkt naar hen uit, Hij ziet ze wanneer ze aankomen, Hij voelt hun diep leed mee, Hij rent op hen af, valt hen om de hals en kust hen. Ja, zo is God. Prachtig !
Wat een geluk voor ons.

Echter één voorwaarde: wij moeten bereid zijn terug te keren …

Maar dat ‘terug keren’, dat moeten we goed verstaan. Het is niet zomaar in onze gedachten, of zelfs in innig gebed, je in de armen gooien van God. Dat is het ook, heel zeker. Maar het mag niet enkel dat zijn, het mag niet enkel daarbij blijven. Het mag niet enkel een onder-onsje zijn tussen God en wij.
We moeten tegelijk liefde worden. Liefde naar onze medezuster of -broeder, onze huisgenoten, partner, kinderen, onze werknemers indien je een leidende functie hebt, onze collega’s, naar hen die geen eten hebben, zij die hier arriveren, … Heel concreet.

Je in de armen gooien van de Heer, en vanuit dit gebeuren groeien in zijn liefde voor de mensheid (doorheen zeer concrete daden, en/of gebed voor Kerk en wereld), dat is de 40-dagentijd zinvol doorgaan.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede Vader,
groot zijt Gij in uw barmhartigheid. Altijd opnieuw zijn wij bij U welkom. Schenk ons de genade uw omhelzing toe te laten, opdat uw aanraking doorheen uw Zoon ons meer en meer, en steeds dieper, in uw liefde mag brengen.
In zijn naam. Amen.