Lezingen van de dag – zaterdag 24 nov 2018


Heilige (of feest) van de dag

Albertus van Leuven († 1192)

Albertus (ook Albrecht) van Leuven (ook van Brabant of van Luik),België, bisschop & martelaar

Albert werd rond 1166 geboren als zoon van hertog Godfried III van Lotharingen Margaretha van Limburg. Zijn ouders hadden hem voorbestemd voor een geestelijke carrière en zo werd hij op amper 12-jarige leeftijd in 1178 als kanunnik verbonden aan de St-Lambertuskerk te Luik. Maar Albertus was een eigenzinnig kereltje. Hij werd liever ridder. In 1187 ontving hij te Valenciennes de ridderslag van graaf Boudewijn V van Henegouwen. Maar toen een jaar later zijn bisschop besloot op kruistocht te gaan naar het Heilige Land, verzaakte hij aan zijn ridderplicht en weigerde mee te gaan. Hij keerde terug naar zijn baan van kanunnik en werd bovendien aartsdiaken van Brabant. Nog altijd even onbesuisd en eigenwijs koos hij in een conflict tussen Arnold van Diest en de abdij van Tomgeren de zijde van Arnold. Maar de kerkelijke rechtbank van Keulen stelde hem in het ongelijk.

Op 5 augustus 1191 stierf de prins-bisschop van Luik, Radolf van Zeringen. Dit bisdom werd al sinds geruime tijd betwist door Brabant en Henegouwen. Er waren dan ook twee kandidaten voor de opvolging: aartsdiaken Albert van Leuven, die door Barbant naar voren werd geschoven, en Albert van Rethel, aartsdiaken van Henegouwen: hij werd gesteund door Boudewijn V. De Brabantse Albert werd met bijna algemene stemmen gekozen: 8 september 1191. Dat was tegen de zin van keizer Hendrik VI († 1197); deze was beducht voor de invloed van Brabant. Hij zag liever iemand op die zetel die onder zijn invloed stond; op de Rijksdag van Worms benoemde hij dan ook zonder pardon zijn eigen kandidaat Lotharius van Hofstade, eveneens kanunnik aan de St-Lambertus en proost van Bonn.

Dat nam de pas gekozen Albertus niet. Hij toog naar Rome om bij de paus Coelestinus III († 1198) zijn gelijk te halen. Omdat hij een aanslag vreesde, vermomde hij zich als stalknecht en wapendrager. De paus bevestigde de geldigheid van zijn keuze en maakte hem bij die gelegenheid meteen tot kardinaal. Maar bij zijn terugkeer weigerde de keizer alle medewerking, zodat Albert voor zijn bisschopswijding moest uitwijken naar Reims. Op 19 en 20 september 1192 werd hij daar door aartsbisschop Guillaume de Champagne achtereenvolgens tot priester en bisschop gewijd. Toch kon hij niet terug naar zijn bisschopsstad. Vanuit Reims bestuurde hij zo goed mogelijk zijn bisdom, terwijl intussen op last van keizer Hendrik de huizen van Albertus’ aanhangers systematisch werden verwoest. Van zijn broer ontving hij geen enkele steun.

Door dit alles werd hij een eenzaam man, die een teruggetrokken leven leidde. Mensen die in zijn omgeving kwaad spraken van de zetbaas Lotharius op zijn zetel te Luik, legde hij het zwijgen op. Men zegt zelfs dat hij mild, beminnelijk en wijs was geworden. Zo is het mogelijk dat hij ondanks waarschuwingen uit zijn omgeving zo’n twee maanden later in Reims drie Duitse ridders ontving die vertelden dat zij verbannen waren. Hij nam ze bij zich op. Zij maakten van een wandeling gebruik om Albert de schedel in te slaan en gruwelijk te verminken: 24 september 1192. Later bleek dat keizer Hendrik VI de moordenaars met grote hartelijkheid op zijn paleis ontving en ruimschoots beloonde.

Onmiddellijk na zijn dood werd Albert beschouwd als martelaar van de vrijheid van de kerk tegenover de staat. Tot 1612 rustte zijn stoffelijk overschot in Reims. Toen werd het overgebracht naar de karmelieten te Brussel. Vandaar gingen er relieken naar kerken in Leuven, Mechelen en Luik.
Een jaar later gaf paus Paulus V († 1621) zijn goedkeuring aan Alberts verering.

Bij opgravingswerkzaamheden onder de kathedraal van Reims dacht men op 26 september 1919 het graf van aartsbisschop Odalrik, bijgenaamd ‘de Eerbiedwaardige’, te hebben aangetroffen, maar bij onderzoek bleek het de resten te bevatten van Albertus van Leuven! Daaruit trok men de conclusie dat de relieken van 1612 aan Odalrik hadden toebehoord.

Albertus wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, mijter, staf); met drie zwaarden, zijn moordwapens; met mes, degen of zwaard in de hand of in zijn lichaam gestoken; met het wapen van Brabant.

Bron: Heiligen.net

zaterdag in week 33 door het jaar


Uit het boek Apocalyps 11, 4-12

De vraag naar het hiernamaals heeft de mensen altijd bezig gehouden. Velen kunnen niet aannemen dat er een ander leven te verwachten is. De profeten, die trouw waren aan hun zending, werden gedood, maar Johannes ziet in hun verrijzenis een hoopvol teken voor nieuw leven.

Tot mij, Johannes, werd het volgende gezegd:
Dit zijn de twee olijfbomen en de twee lampenstandaards die voor de Heer van de wereld staan. Als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond, dat hun vijanden verteert; op die manier zal iedereen die hun kwaad wil doen moeten sterven. Zij hebben de macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt zolang zij profeteren. Ook hebben ze de macht om water in bloed te veranderen. Verder kunnen ze de aarde treffen met alle mogelijke plagen, zo vaak ze maar willen. Wanneer zij hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest dat uit de onderaardse diepte opstijgt de strijd met hen aanbinden, hen overwinnen en hen doden. Dan liggen hun lijken op het plein van de grote stad die in figuurlijke zin Sodom of Egypte heet, de stad waar ook hun Heer gekruisigd is.
Gedurende drieëneenhalve dag komen er mensen uit alle landen en volken, van elke stam en taal, om hun lijken te zien, en zij dulden niet dat ze begraven worden.
De mensen die op aarde leven juichen om de dood van de twee profeten, en opgetogen sturen ze elkaar geschenken, want die profeten waren een grote kwelling voor hen geweest.’
Maar toen de drieëneenhalve dag voorbij waren, voer er een levensgeest uit God in hen en kwamen ze weer overeind. Iedereen die hen zag werd doodsbang. Er klonk een luide stem uit de hemel, die tegen hen zei: ‘Kom hierboven.’ Toen stegen ze in de wolk op naar de hemel, voor het oog van hun vijanden.

 

Psalm 144, 1-2 + 9-10

Refr.: Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots.

Geprezen zij de Heer, mijn rots,
die mijn handen oefent voor de strijd,
die mijn vingers schoolt voor het gevecht,
mijn beschermer, mijn vesting.

Geprezen zij de Heer,
de burcht die mij veiligheid biedt,
het schild waarachter ik schuil,
Hij die volken aan mij onderwerpt.

Ik wil een nieuw lied voor U zingen, God,
voor U spelen op de tiensnarige harp,
want U brengt koningen redding,
U hebt David, uw dienaar, bevrijd.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 20, 27-40

De Sadduceeën trachten Jezus’ opvattingen over de verrijzenis belachelijk te maken door een onwaarschijnlijk voorstel. Jezus antwoordt dat zij het probleem al te menselijk en verkeerd stellen. De wereld van de verrijzenis is een gans andere. Als zij Mozes goed begrijpen zullen zij verstaan dat God zijn verbond doortrekt over de dood heen.

Enkele Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, kwamen naar Jezus toe en vroegen Hem: ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man sterft zonder dat zijn vrouw kinderen heeft gebaard, moet zijn broer met die vrouw trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer. Nu waren er zeven broers. De eerste was gehuwd, maar stierf kinderloos; daarna trouwde de tweede broer met de vrouw en vervolgens de derde, en toen de andere broers, maar alle zeven waren ze kinderloos toen ze stierven. Ten slotte stierf ook de vrouw. Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’
Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt, maar wie waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, huwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt. Zij kunnen ook niet meer sterven, want ze zijn als engelen en ze zijn kinderen van God omdat ze deel hebben aan de opstanding. Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in de tekst over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob. Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.’
Enkele schriftgeleerden zeiden: ‘Meester, wat U zegt is juist.’
En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

Van Woord naar leven

In het evangelie van vandaag horen we hoe men Jezus probeert te vangen wat zijn visie betreft over de eeuwigheid, wie met wie in de hemel zal verbonden zijn, enzomeer … In plaats van diep in henzelf plaats te maken voor het mysterie van eeuwig leven, tracht men dit gebeuren in te blikken in puur menselijke, zeer beperkte, overwegingen. Ergens begrijpelijk, maar zeker niet verstandig.

Het eeuwig leven kunnen we niet verwoorden, laat staan vatten. Het is iets wat ons mens-zijn ver overstijgt. Het gaat over een Al waar we best niet te veel woorden aan verspillen. Wat niet wilt zeggen dat we er niet over mogen nadenken, integendeel. Het is goed ermee bezig te zijn. In zekere zin kan en zal het ons leven nu voeding geven. Maar we moeten, naar mijn mening, afstand nemen, van het willen gieten in al te menselijke vormen. We mogen er geen voorstellingen van maken. God heeft gewild dat het voor het menselijk bevattingsvermogen voorlopig verborgen (moet) blijven. En ik zou zeggen: laat het zo zijn.

Dat het eeuwige leven er is … ja, dat mogen we geloven, we mogen leven in het bewust-zijn dat het er is, we mogen er in zekere zin zelfs naar uitkijken. Meer: we mogen er ons verbonden mee weten, heel reëel. Maar geen inblikking aub. Laat het zijn wat het is.

Er zal een samen-zijn zijn van een heel ander niveau dan dat wij het hier kennen. Of het menselijk huwelijk met de partner die we hier op aarde gekend hebben nog zal bestaan is nog maar de vraag … “Tot de dood ons scheidt…”, zo staat er in de huwelijksliturgie. Het zal er anders aan toegaan, alleszins.
Het enige dat we (gelovig) weten is dat we zullen opgenomen zijn in het Al, er zelfs deelgenoten van zullen zijn. Maar hoe dat er concreet zal uitzien … God weet het, en wij niet.

Maar da’s goed. Ja, ’t is heilzaam niet alles te ‘weten’. Het laat God zijn wie Hij is, en het laat ons mens zijn zoals dat nu voor ons bedoeld is. En wat er na de dood zal zijn … laat het maar gebeuren.

Zelf hoop ik lang te leven. Maar ik kijk uit naar mijn sterven, ook al weet ik niets concreet.
Dat we zullen ontvangen worden … dààr vertrouw ik op. Ja hoor, absoluut. Het geeft wat ik nu doe reeds een eeuwigheidswaarde. En dat geeft vreugde. Zonder te ‘weten’ leef je in het licht van de eeuwigheid, en dat stuwt je in het er-zijn voor de ander. Raar hoe dat werkt.
Maar ik ga zwijgen …

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer God,
moge de wolk van het niet-weten ons tot mensen maken die zich in alle graagte geven aan uw aanwezigheid in Christus, opdat ons doen en laten mag rusten in zijn ‘ja’ tot U, zodat we, geëngageerd in de Liefde, uw beeld mogen worden.
Groeiend in uw Hem, amen.