Lezingen van de dag – zaterdag 9 febr 2019


Heilige (of feest) van de dag

Marianus Scotus († 1088)

Marianus (ook Muiredach) Scotus; Regensburg, Duitsland; kluizenaar

Van huis uit heette hij Muiredach MacRobartaigh (ook gespeld als MacGroarty). Hij stamde af van een aanzienlijke Oud-Ierse familie. Zo rond het jaar 1067 trok hij er met een aantal gezellen op uit met als eindbestemming de heilige plaatsen van Petrus en Paulus te Rome, geheel volgens spiritualiteit van het vreemdelingenschap die onder Ierse monniken toentertijd gewoonte was. Zijn medepelgrims heetten: Johannes en Candidus; daarnaast had je nog Clemens, Donatus, Magnoaldus, Ishac, en Mauris.

Onderweg vestigde Marianus zich met Johannes en Candidus voor enige tijd te Bamberg, in een kloostertje – d.w.z. een drietal hutjes – aan de voet van de berg. Daar leefden ze volgens de strenge regel van de “Ierse pelgrims naar het hemels koninkrijk”: ze hadden alleen maar een pelgrimsstaf bij zich, een leren waterzak en een reliekkistje. Bisschop Otto van Bamberg († 1139; feest 30 juni) wist hen te bewegen om hun intrek te nemen in het benedictijner klooster op de Michaëlsberg, zodat ze door hun goede voorbeeld de daar aanwezige monniken zouden kunnen inspireren.

Na de dood van Otto trokken ze verder en werden in Regensburg hartelijk onthaald door abdis Emma, die er aan het hoofd stond van het pelgrimsgasthuis. Muiredach betaalde haar dat terug door boeken af te schrijven, waar hij heel bedreven in scheen te zijn. Emma liet voor de monniken drie hutjes bouwen, zodat zij zich geheel konden wijden aan hun monnikenarbeid: Johannes en Candidus fabriceerden perkament uit dierenhuid en Muiredach schreef kopieën af van het Oude en Nieuwe Testament, voegde er zelf commentaren aan toe en schreef daarnaast een aantal kleinere werkjes. Zo verwierf de kloostergemeenschap rond Emma een schat aan boeken.

In haar tijd stond Marianus’ commentaar op de psalmen al in hoog aanzien. Nog fameuzer was zijn werk over de brieven van Paulus. Dat was zo kostbaar dat het nooit werd uitgeleend zonder een waterdichte garantie dat het weer veilig en wel in het klooster zou terugkeren. Tot op de dag van vandaag is het te bewonderen in de Keizerlijke Bibliotheek van Wenen onder ‘Codex 1247’. Het bevat kostbare gegevens over de persoon van de schrijver: zijn naam staat erin ‘Muiredach MacRobartaigh’, evenals de datum van voltooiing: 1078, alsmede de data van de Ierse heiligen die werden gevierd toen hij aan het schrijven was.

In de loop van de tijd had Muiredach zich gevestigd bij zijn landgenoot Muircetach, die in een kluisje woonde bij de kerk Weih-St-Peter, even buiten Regensburg. Met goedvinden van keizer Heinrich IV († 1106) schonk Emma aan Muirdeach de Petruskerk. Een burger uit de stad, Bezelin, bood aan om er ter ere Gods een klooster bij te bouwen. Het Petrusklooster kwam tot grote bloei, omdat vanuit Ulster, Muiredachs geboorteland, talrijke monniken zich in zijn klooster kwamen vestigen.

Hij werd begraven in zijn Petruskerk. Thans zijn alle herinneringen aan hem volkomen verdwenen, sinds ze in de perikelen van de Reformatie ten onder zijn gegaan.

Marianus’ opvolger Dionysius zou in Regensburg de St-Jakobus ‘Schottenkirche’ stichten. Een latere versie van deze kerk is tot op de dag van vandaag in Regensburg te bezoeken en bezichtigen.

Bron: Heiligen.net

 

zaterdag in week 4 door het jaar


Uit de brief aan de Hebreeën 13, 15-17 + 20-21

In het slot aan de brief aan de Hebreeën herinnert de schrijver nog eens aan de nauwe banden die er bestaan tussen echte eredienst en echte naastenliefde. Het ene zonder het andere wordt huichelarij en lippendienst. Dit is het wat God doorheen heel de geschiedenis van het oude Verbond geleidelijk heeft willen duidelijk maken.

Broeders en zusters,
laten we met Jezus’ tussenkomst een dankoffer brengen aan God: het huldebetoon van lippen die zijn naam prijzen, ononderbroken.
En houd de liefdadigheid en de onderlinge solidariteit in ere, want dat zijn offers waarin God behagen schept.
Gehoorzaam uw leiders en schik u naar hen, want zij waken over uw leven en zullen daarvan ook rekenschap moeten afleggen. Zorg ervoor dat zij hun taak met vreugde kunnen vervullen, zodat ze geen reden tot klagen hebben: dat zou u zeker niet ten goede komen.
Moge de God van de vrede, die onze Heer Jezus, de machtige herder van de schapen, door het bloed van het eeuwig verbond uit de wereld van de doden heeft weggeleid, u toerusten met al het goede, zodat u zijn wil kunt doen. Moge Hij in ons datgene tot stand brengen wat Hem welgevallig is, door Jezus Christus, aan wie de eer toekomt, tot in alle eeuwigheid. Amen.

 

Psalm 23, 1-6

Refr.: De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.

De Heer is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,
Hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.

Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want U bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.

U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.

Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de Heer
tot in lengte van dagen.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 6, 30-34

Marcus beschrijft hoe Jezus de menigte aantrok en met hen meeleefde. Deze zorg, Gods zorg voor de mensen, ligt aan de basis van Jezus’ onvermoeibare prediking. Ook de apostelen, die zo nauw met Christus’ missionaire zending verbonden zijn, moeten helemaal opgaan in het werk van de verkondiging, zelfs op ogenblikken dat zij beschouwend bij Hem willen blijven. De eisen van de verkondiging slorpen hen als mens helemaal op.

De apostelen kwamen weer terug bij Jezus en vertelden Hem over alles wat ze gedaan hadden en wat ze de mensen onderwezen hadden.
Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’ Want het was een voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te eten.
Ze voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn.
Maar hun vertrek werd opgemerkt en velen hoorden ervan, en uit alle steden haastten de mensen zich over land naar die plaats en kwamen er nog eerder aan dan Jezus en de apostelen. Toen Hij uit de boot stapte, zag Hij een grote menigte en voelde medelijden met hen, omdat ze leken op schapen zonder herder, en Hij onderwees hen langdurig.

Van Woord naar leven

Vandaag horen we Jezus zeggen tot de leerlingen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’

Wanneer je een stilte-retraite gaat volgen in een of andere abdij, dan liggen – bij wijze van welkom – zeer dikwijls deze woorden op je te wachten op je kamer. Abdijen zijn dan ook plekken waar je zowel lichamelijk als geestelijk eens goed tot rust kan komen. En ook al ben je beslist niet de enige gast, en zijn er de monniken, in een abdij ga je de eenzaamheid en de stilte in. Dat is niet alleen zalig, maar – naar het woord van de Heer – ook af en toe nodig.

Eenzaamheid, stilte, rust… het heeft iets van een woestijn, een soort ‘niets’ waar enkel jij bent. En natuurlijk Jezus. Jij en Hem. Verder geen verstrooiingen; geen lawaai, gezellig geklets, tv, pc, smartphone,… enkel jij en Jezus. Voor wie innerlijk die eenzaamheid echt ingaat is dat best confronterend. Je kunt namelijk niet buiten Hem. Je zit als het ware op elkaars schoot en er is niemand anders om naar te kijken of om mee te praten. Enkel Jezus en jezelf.

Wat jezelf betreft: de eenzaamheid verplicht je naar jezelf te kijken, je binnenkant, je zonnige maar ook je duistere kantjes: je verslavingen, je zonden of je neigingen daartoe, enz…

Wat Jezus betreft: die kijkt met je mee. Meer: Hij doet je kijken. Hij leert je in confrontatie te gaan met je binnenkant. Hij laat je daarbij niet alleen, maar Hij doet dat samen met jou. En de mogelijke pijn die je daarbij voelt vervult Hij met zijn barmhartigheid, wachtend tot jij je hart geeft aan Hem opdat Hij je duistere kantjes kan ombuigen naar zijn Gods licht.

Je kan zeggen: moet ik daarvoor nu naar een abdij… Deze stilte en eenzaamheid ingaan kan ik toch ook thuis… Ja tuurlijk, dat kan je zeker thuis. Zalig zij, zou ik zeggen, die daarvoor met regelmaat de tijd kunnen maken en de discipline kunnen opbrengen om niet weg te lopen van een welbepaalde stilte-tijd. Toch hoor je van vele mensen dat ze verlangen naar een dergelijke tijd, maar de agenda of de drukte van het leven laten dat niet toe. Daarom denk ik dat het goed is om af en toe echt enkele dagen jezelf de tijd te gunnen om naar een plaats te gaan waar je werkelijk de stilte en de eenzaamheid kan ingaan. En doorgaans zijn abdijen of kloosters daarvoor zeer gezegende plaatsen. Ze zijn als religieuze haarden in onze samenleving waar we onze ziel aan mogen komen warmen.

Alé, neem je agenda, bespreek het met je partner, je kinderen, je medebroeder- of zuster, regel het op je werk, plan je bezigheden ernaar, en gewoon doen zou ik zeggen.
Het zal je ‘deugd’ doen, echt waar.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,
trek ons met regelmaat naar een eenzame plaats waar wij met U alleen kunnen zijn, om van U te ontvangen, naar U te luisteren, van U te drinken. Moge wij zo groeien in ons mens-zijn, in onze overgave aan U, in onze roeping Gods liefde te worden.
Amen.