Lezingen van de dag – zondag 12 mei 2019


Heilige (of feest) van de dag

Pancratius van Rome († ca 303)

Pancratius (ook Pancras) van Rome, Italië; martelaar

Hij onderging de marteldood tijdens de vervolgingen onder keizer Diocletianus. Hij zou op dat moment pas veertien jaar geweest zijn. De plaats van zijn terechtstelling lag in het oude Rome aan de Via Aurelia.

Zijn ouders waren volgens zeggen welgestelde Romeinse burgers; ze woonden in de provincie Frygië, in Klein-Azië (het noorden van het huidige Turkije). Zij stierven, toen Pancratius nog maar een kind was. Zoals gebruikelijk was in dergelijke situaties nam nu een broer van zijn vader, Dionysius, de zorg voor de jongen op zich. Oom Dionysius reisde met Pancratius naar Rome om voor hem een goede baan in het leger te organiseren. Zijn familie stond immers bij de Romeinse autoriteiten in hoog aanzien.

Een eind verderop in de straat waar Pancratius onderdak had gevonden, woonde de bisschop van de christenen, paus Caius († 296; feest 22 april). Zo kwam hij in contact met de christenen. Vol afgrijzen zag hij hoe keizer Diocletianus (286-305) hen liet vervolgen, arresteren en op de meest gruwelijke wijzen om het leven brengen. Tegelijk bemerkte hij hoe deze gelovigen niet bitter werden of haatdragend. Integendeel, ze bleven bidden voor het welzijn van de keizer en van al degenen die hen vervolgden. Dat vond Pancratius zo fascinerend dat hij zich aanmeldde als geloofsleerling. Het was paus Caius zelf die hem onderricht gaf en uiteindelijk het doopsel toediende. Pancratius stelde heel zijn niet geringe vermogen ter beschikking van de gelovigen, die over het algemeen tot de armere klasse behoorden.

Nu liep Pancratius hetzelfde gevaar als alle christengelovigen in die dagen. Inderdaad werd hij verraden door iemand uit de straat en aangebracht bij de keizer. Deze probeerde hem tot andere gedachten te brengen door hem mooie beloften in het vooruitzicht te stellen: een glanzende carrière in het Romeinse Rijk en een vorstelijk salaris. Maar dat maakte niet zoveel indruk op iemand die net zijn hele kapitaal had weggegeven. Zo jong Pancratius ook was – volgens zeggen was hij pas veertien – hij bleef standvastig, ook toen men hem dreigde met de meest afschuwelijke folteringen. Uiteindelijk werd hij met een zwaardslag gedood.

Vanaf de vijfde eeuw is de heilige Pancratius reeds terug te vinden op de romeinse heiligenkalender. Op de plek van zijn terechtstelling, de Gianicolo in Rome, liet paus Symmachus († 514; feest 19 juli) later een kerk bouwen die aan hem was toegewijd: de San Pancrazio.

Sindsdien had in die kerk op de zondag na Pasen een aparte plechtigheid plaats. Met Pasen waren de nieuwe dopelingen gehuld in een wit gewaad. Dit droegen ze in de kerk de hele week na Pasen. Zondag na Pasen was de laatste keer dat die witte groep zo duidelijk vooraan in de kerk zat. Vandaar dat die zondag van oudsher ‘Beloken Pasen’ (= ‘blanke of witte Pasen’) wordt genoemd. De plechtigheid dat de pasgedoopten hun witte gewaden voor het laatst droegen en daarna aflegden, werd gehouden in de kerk van San Pancrazio. Waarschijnlijk was dat, omdat wit wordt beschouwd als de kleur van de onschuld, en Sint Pancratius met zijn veertien jaar als toonbeeld van moedige onschuld werd vereerd.

De schedel van Pancratius wordt als een kostbaar reliek bewaard in de St.-Jan van Lateranen.

In de zevende eeuw stuurde paus Vitalianus († 672; feest 27 januari) een gedeelte van Pancratius’ gebeente naar het Angels-Saksische vorstenhuis. Dat bracht in Engeland een grote devotie teweeg voor Pancratius. Mede daardoor werd Pancratius in de volgende achtste eeuw officieel door alle christenen over de wereld gevierd.

Hij is patroon van de eerste-communicanten en – in Frankrijk – van kinderen; van jonge aanplant en bloesem: pas geplante bloemen en planten; daarnaast wordt zijn voorspraak ingeroepen tegen valse getuigenissen en meineed, tegen hoofdpijn en kramp (vanwege de verbastering van zijn naam: Camprace).

Omdat hij wordt vereerd als patroon van de zuivere eed, zijn er ook daarover verhalen ontstaan. Gregorius van Tours († 594; feest 17 november) vertelt ons dan ook het volgende verhaal:

Eens ontstond er tussen twee inwoners van de stad Rome een heftige ruzie. Ze riepen de rechter erbij en voor hem was het al gauw duidelijk wie de ware schuldige was, maar hij kon het niet bewijzen. Daarom besloot hij het te laten aankomen op een zogeheten godsoordeel. God zelf zou door een bijzonder teken de schuldige aanwijzen. Die gang van zaken was in de vroege middeleeuwen niet ongebruikelijk. Hij nam daarom de beide kemphanen mee naar de Sint-Pieter, liet hen allebei hun hand op het altaar leggen en vroeg hen vervolgens te zweren dat ze onschuldig waren. Wie een valse eed zwoer pleegde op die manier tegelijk heiligschennis. Dat zou God of in ieder geval Sint Petrus nooit goed vinden en dat zou dan weer blijken door een bijzonder teken dat zou plaatsvinden. Beide mannen legden met een stalen gezicht hun eed af, en er gebeurde niets. Reeds meende de ware schuldige dat hij aan zijn gerechte straf zou ontkomen. Maar de rechter zei: “Er zijn twee mogelijkheden, waarom er niets gebeurt. Het kan zijn dat de oude Sint Petrus gewoon te vergevingsgezind is; maar het kan ook zijn dat hij nu de kans wil geven aan een jongere heilige om zijn wondermacht te tonen. Laten we daarom ook nog gaan naar de kerk van Sint Pancratius en daar de eed herhalen. Dat deden ze. Vooral de ware schuldige toonde zich overmoedig en stemde van harte in met dit plan. De rechter vroeg de beide mannen het ritueel van daarnet nog eens over te doen hier op het altaar van Pancratius: “Leg daarom uw handen op het altaar en zweer nogmaals dat u onschuldig bent.” Dat deden ze. Maar nu bleek dat een van de twee zijn hand niet meer los kon krijgen van het altaar. Wat men ook probeerde, de hand kwam niet vrij. In die situatie is de ongelukkige bedrieger aan zijn eind gekomen. Vandaar – aldus Gregorius van Tours – dat onder de mensen van tegenwoordig nog altijd de gewoonte bestaat een eed te zweren op het gebeente van Sint-Pancratius.

Hij behoort tot de zogeheten ijsheiligen; ook tot de veertien Noodhelpers.

Bron: Heiligen.net

 

4e zondag in de paastijd – C


Uit de Handelingen van de Apostelen 13, 14 + 43-52

Het Goede Nieuws van de gestorven en verrezen Christus (3e zondag na Pasen) wordt door de Kerk verkondigd aan alle volkeren. Paulus en Barnabas begonnen hun prediking in de synagoge, want zij dachten dat daar het Evangelie het eerst moest gemeld worden. Wanneer zij stoten op weigering en zelfs belediging, besluiten zij om zich resoluut tot de heidenen te wenden.

Paulus en Barnabas trokken van Perge verder naar Antiochië in Pisidië. Daar aangekomen gingen ze op sabbat naar de synagoge en namen er plaats. Na afloop van de samenkomst liep een groot deel van de Joden en de vrome proselieten met Paulus en Barnabas mee, die hen toespraken en hen aanspoorden zich over te geven aan de goedgunstigheid van God.
De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van de Heer te luisteren. Bij het zien van de mensenmenigte werden de Joodse leiders jaloers en begonnen ze de woorden van Paulus op godslasterlijke wijze verdacht te maken. Maar Paulus en Barnabas zeiden onomwonden: ‘De boodschap van God moest het eerst onder u worden bekendgemaakt, maar aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, zullen we ons tot de heidenen wenden. Want de Heer heeft ons het volgende opgedragen: “Ik heb je bestemd tot een licht voor alle volken om redding te brengen, tot aan de uiteinden van de aarde.”’
Toen de heidenen dit hoorden, verheugden ze zich en spraken ze vol lof over het woord van de Heer, en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren aanvaardden het geloof.
Het woord van de Heer verspreidde zich over de hele streek.
De Joden hitsten echter de vrome vrouwen uit de hogere kringen op, evenals de vooraanstaande burgers van de stad, en wisten hen zover te krijgen dat ze zich tegen Paulus en Barnabas keerden, zodat die uit het gebied werden verdreven.
Maar zij schudden het stof van hun voeten omdat ze niets meer met hen te maken wilden hebben en vertrokken naar Ikonium.
De achterblijvende leerlingen waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest.

 

Psalm 100, 1 + 2 + 3 + 5

Refr.: Gods volk zijn wij, de kudde die Hij weidt.

Juich de Heer toe, heel de aarde,
dien de Heer met vreugde,
kom tot Hem met jubelzang.

Erken het: de Heer is God,
Hij heeft ons gemaakt,
Hem behoren wij toe,
zijn volk zijn wij,
de kudde die Hij weidt.

De Heer is goed,
zijn liefde duurt eeuwig,
zijn trouw van geslacht op geslacht.

 

Uit het boek Apocalyps 7, 9 + 14b-17

Jezus beloofde het eeuwig leven, dat het boek van de Apocalyps oproept in twee beelden: staan voor de troon van God om Hem dag en nacht te dienen, en nooit meer honger kennen noch dorst, verslagenheid noch tranen. Jezus telt zich voor als de ware Herder. Omdat deze Herder het geslachte Lam werd, kan Hij de zijnen leiden naar de bron van levend water.

Ik, Johannes, zag dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het Lam.
Een van de oudsten sprak tot mij: ‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. Ze hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het Lam. Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om Hem te vereren. En Hij die op de troon zit zal bij hen wonen. Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. Want het Lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’

 

Alleluia.

Ik ben de goede Herder, zegt de Heer.
Ik ken de mijnen en de mijnen kennen mij.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 10, 27-30

Aan het einde van een lange rede, waarin Jezus zich voorstelt als de goede Herder, wijst Hij de zijnen op de drievoudige houding die ze behoren aan te nemen tegenover hun Herder: geloof hechten aan Hem die hun leven is, vertrouwen op Hem die hen behoedt, en, omdat de Vader en de Zoon één zijn, Christus volgen om binnengeleid te worden in de goddelijke eenheid.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Mijn schapen luisteren naar mijn stem, Ik ken ze en zij volgen mij. Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven, niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven, en de Vader en Ik zijn één.’

Van Woord naar leven

De overweging van vandaag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

Het boek der Openbaring stelt ons voor te kijken naar een visioen om ons duidelijk te maken wat het uiteindelijk doel is van alles wat wij doen en zijn: nl. eeuwig, goddelijk-gelukkig leven. En daarvoor wordt dan het beeld gebruikt van een hemelse gemeenschap rond een Lam op de troon, (denk aan het prachtig schilderij van Van Eyck te Gent). Maar onze tranen zijn nog niet allemaal van onze ogen gewist. Als wij in de wereld rondom ons of in ons eigen hart kijken, dan kunnen wij de indruk hebben dat wij nog te midden van de grote verdrukking zitten. En toch erkennen wij, gelovigen, reeds in onze wereld van vandaag, tekenen van een groeiende liefdekracht die aan het verrijzen is. Langzaam maar zeker, doorheen pijnlijke omwegen soms, is onze wereld en zijn wijzelf op weg naar meer menselijkheid, naar grotere vrijheid, naar echte gemeenschap. Het verdeelde Duitsland werd weer één land. Ondanks nieuwe conflicten zijn er tekenen van vrede in Centraal Afrika. En de Europese volkeren groeien doorheen zware financiële crisissen, naar grotere solidariteit, voortdurend onderling overleg en dus eenheid. Wij hopen echt dat dit allemaal stappen zijn die bijdragen tot de groei van Gods gemeenschap.

Het is nuttig regelmatig het visioen van ons ideaal voor ogen te houden, niet om uit de harde realiteit van het nu te vluchten, wel om inspiratie en een duidelijke richting te hebben om de huidige situatie juist te helpen verbeteren. Want wie een hoopvol perspectief bezit, leeft nu meer ondernemend, meer edelmoedig, dan wie denkt dat alles toch maar zinloos is en zal eindigen in het niets. Wij, christenen zijn dus geen doemdenkers, maar mensen met een hoopvolle visie, die nu reeds onze schouder zetten onder initiatieven die gaan in de richting van die eeuwige, goddelijke levensgemeenschap.

Maar waarom dat beeld van het Lam dat aan heel de gemeenschap errond de kerninspiratie geeft. Omdat het Lam het symbool is van de weerloze zelfgave. Christus als Lam in het centrum zetten, wil zeggen dat heel die gemeenschap als kern van zijn levensenergie aanvaardt, niet de macht en het geweld, maar wel de liefdevolle zelfgave van de weerloze, gekruisigde en verrezen Jezus. Volgelingen van Jezus zijn dus mensen die ervoor kiezen de liefde die zich opoffert voor anderen centraal te zetten en niet de macht en de overheersing over de anderen. De zichzelf opofferende liefde, dat wordt uitgebeeld door het Lam.
Hetzelfde hoofdthema komt terug in het ander beeld dat het evangelie ons vandaag oproept: de herder. Een herder is geen machthebber, maar iemand die de schapen dient door zijn dagelijkse zorg, die hen roept bij hun eigen naam en die zelfs zijn eigen leven wil opofferen om hen te redden.

Lam en Herder, het zijn twee beelden om te zeggen dat de kern van de christelijke gemeenschap, waarop wij hopen en waaraan wij willen bouwen, juist is: de belangeloze liefde, een liefde die zichzelf geeft om anderen te laten leven.

Hoe kunnen wij de verbondenheid met onze kern levendig houden? Door eerlijk te luisteren naar Jezus’ stem in ons geweten en ons hart, door zijn goedheid voor ons meer persoonlijk te leren kennen, door Hem te volgen in zijn methode en levensweg. Ieder van ons zal dit moeten doen op zijn of haar manier met zijn of haar talenten en mogelijkheden. Dit is een persoonlijke levensopdracht die niemand in onze plaats kan vervullen. In die zin heeft ieder van ons zijn of haar roeping te beantwoorden om de belangeloze liefde in het eigen leven waar te maken.

Maar steeds zullen er mensen zijn die Jezus niet alleen willen “volgen van op afstand”, maar Hem van heel nabij willen “na-volgen”. Dit is de religieuze roeping. Roeping betekent niet een slaafse onderdanigheid aan een aantal strenge regels en wetten, die de priester of kloosterling in zijn vrijheid zou beperken en klein houden. Roeping betekent de vreugdevolle aanhankelijkheid aan een innerlijke vriendschap met de Heer die heel het leven kan vervullen, die geborgenheid en levenskracht tot ruime dienstbaarheid biedt. Het is een leven van heel nabije verbondenheid met het centrum van de belangeloze dienstbaarheid. Zulke roepingen zijn een weelde voor een gelovige gemeenschap. Wij mogen er vandaag speciaal voor bidden.

Ieder van ons wordt uitgenodigd eerlijk zijn eigen roeping te volgen door te luisteren naar Jezus’ stem, door Hem in zijn persoonlijke liefde voor ons beter te leren kennen, door Hem te volgen. Het is de moeite waard ons toe te vertrouwen aan de belangeloze Liefde, aan Christus, het Lam in het centrum onze gemeenschap en de Herder die ons voorgaat en leidt.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer Jezus,
Lam van God en goede Herder, wanneer wij ons van U verwijderen, her-inner ons dan dat Gij voor ons gestorven zijt, plaats ons in de genade van uw verlossing, zoek ons op als een goede Herder, en vergeef ons, trek ons in uw verlossing, neem ons op – door Gods barmhartigheid – in uw liefde, en doe ons leven door U, met U, in U. Ja, dat wij leven mogen, Gij door ons heen.
Alle dagen van ons leven. Amen.