Lezingen van de dag – zondag 7 april 2019


Heilige (of feest) van de dag

Aibert van Crespin († 1140)

Aibert van Crespin, osb, Frankrijk; monnik & kluizenaar

Hij moet rond 1060 geboren zijn het dorpje Espain bij Doornik; volgens zeggen heetten zijn ouders Albadius en Elvida. Reeds als jongen voelde hij zich aangetrokken tot het beschouwende leven. Regelmatig hield hij thuis vasten of stond hij midden in de nacht op om zijn gebeden te verrichten. Om de mensen van de boerderij niet te laten merken, hoeveel tranen hij daarbij stortte, verborg hij zich in de schaapsstal.

Eens hoorde hij een troubadour een lied zingen over de heilige Theobaldus van Provins († 1066; feest 30 juni): hoe hij het leven van een kluizenaar had geleid. Aibert was daar zo van onder de indruk, dat hij op datzelfde moment besloot zo’n leven te gaan leiden. Hij meldde zich aan bij een kluizenaar in de buurt van het plaatsje Crespin, even ten noorden van Valenciennes, die daar met toestemming van zijn abt in de barre eenzaamheid woonde. De twee mannen maakten zo serieus werk van het vasten, dat ze soms dagen niet aten, en wanneer ze wel voedsel tot zich namen, was het vaak niet meer dan een homp brood of wat kruiden en bessen uit het bos ter plaatse. Ze trokken zich niets aan van hitte of kou: kleren droegen ze praktisch niet. Ze zagen er uit als spookachtige scharminkels; zo reciteerden ze hardop hun gebeden en zongen ze liederen voor de Heer, nu eens in het kapelletje dat ze daar gebouwd hadden, dan weer gewoon in de open lucht. Zelfs de herders die daar wel eens langs kwamen, vonden de twee maar griezels en waren een beetje bang van ze.

Toen de abt van de abdij te Crespin waar ze bijhoorden, naar Rome ging om pauselijke goedkeuring te vragen voor het feit, dat hij zojuist de regel van Benedictus had ingevoerd, vroeg hij de twee mannen hem te vergezellen op zijn bedevaart. Het werd een barre pelgrimstocht, die zij blootsvoets aflegden. Maar de abt kreeg zijn toestemming van paus Urbanus II († 1099; feest 29 juli) en gedrieën keerden zij behouden terug.

Na enige tijd had Aibert een droom, waarin hij zag hoe een witte adelaar boven hem een monnikshabijt uit de lucht liet vallen. Dit beschouwde hij als een teken, dat hij de eenzaamheid moest opgeven en zich bij de leefgemeenschap moest aansluiten. Niet alle monniken waren het er mee eens; zij vonden de kluizenaar een excentriekeling. Maar vader abt had onderweg naar Rome zijn toewijding gezien en ontving hem met open armen. Hij maakte hem tot prior en cellarius. Dat betekende, dat hem de materiële zorg voor de communiteit werd toevertrouwd. Zo streng als hij was voor zichzelf, zo liefdevol droeg hij zorg voor het welzijn van zijn medebroeders. Hij stond hen ter zijde als ze ziek waren, en wist wat ieder nodig had voor zijn welbevinden. Zelf was hij een toonbeeld van kloosterlijke deugd, zodat hun aanvankelijke scepsis plaats maakte voor bewondering. Zo stond hij elke ochtend ruim voor de anderen op om in de kerk voor het gezamenlijk koorgebed uit alvast alle honderdvijftig psalmen te bidden.

Maar na drie-en-twintig jaar in de gemeenschap geleefd te hebben, groeide in hem toch weer het verlangen om zich terug te trekken op zijn oude, eenzame plekje en zijn Heer als kluizenaar te dienen. Hij kreeg toestemming van zijn abt en zo betrok hij weer zijn kluizenaarswoninkje. Daar zou hij de resterende twee-en-twintig jaar van zijn leven doorbrengen. Bisschop Burkhard van Cambrai wijdde hem priester, zodat hij de talrijke mensen die bij hem hun toevlucht zochten, de sacramenten kon toedienen: vooral de biecht en de eucharistie. Elke dag las hij twee heilige missen, een voor de overledenen en een voor de levenden.

Zo’n tweehonderd jaar later zou paus Honorius III († 1227) bepalen, dat een priester behalve op kerstmis nog maar één mis per dag mocht lezen.

Daarnaast bad hij dagelijks deels geknield, deels languit voorover liggend voor het altaar, zijn rozenkrans van honderdvijftig wees-gegroetjes, de getijdengebeden, de honderdvijftig psalmen van David, zoals hij dat altijd al had gedaan: kortom – zo merkt zijn levensbeschrijver op – je zou onder de vorsten van deze wereld moeilijk een tiran gevonden hebben, die zo streng was voor hem als hij was voor zichzelf.

Het hoeft ons niet te verbazen, dat hij door veel mensen werd bezocht, die hem hun noden voorlegden. Onder hen waren niet alleen arme, eenvoudige gelovigen, maar ook kloosterlingen, priesters, bisschoppen en vorstelijke personen. Zo klopte hertog Arnulf van Henegouwen, broer van Boudewijn, eens bij hem aan. Hij leed aan een ernstige ziekte, waar de doktoren machteloos tegenover stonden. Na te hebben gebiecht vroeg hij Aibert om iets te drinken, want de koorts brandde in heel zijn lijf. Maar de heilige man wees hem erop, dat hij alleen maar water had uit zijn put; geen bier of wijn, zoals de edelman gewend was. “Geef me dat dan maar”, sprak Arnulf. De kluizenaar liet wat water omhoog hijsen, maakte een kruisteken, sprak er zijn zegen over uit en gaf het de man te drinken. Op hetzelfde moment veranderde het water in een wijn, die je zelfs niet van de gunstigst gelegen wijnhellingen kan halen; de drank was zo krachtig, dat de koorts onze patiënt verliet, en dat hij volkomen gezond naar huis kon terugkeren.

Hier wordt met bijna zoveel woorden verteld, dat met deze heilige man de tijden van het evangelie in Henegouwen waren teruggekeerd. Aibert was een andere Christus: dat wordt geïllustreerd door van hem dingen te vertellen, die sterk aan Jezus herinneren: een intensief gebedsleven, de vele mensen die zich in hun nood tot hem wenden, de genezing van zieken en het wonder dat hij water in wijn verandert.

Uiteindelijk is hij op 7 april 1140, vlak voor Pasen, gestorven. Hij werd begraven in zijn eigen kapel. Later werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de abdij van Crespin. De parochiekerk van zijn geboortedorp Espain zou een reliek van hem bezitten.

Bron: Heiligen.net

 

5e zondag in de vasten – C


Uit de profeet Jesaja 43, 16-21

Het verbannen volk zal een nieuwe uittocht kennen. In plaats van het dolen in de woestijn, biedt God goed gebaande wegen. In plaats van slangenbeten, biedt Hij de paradijselijke vrede. In plaats van gemor en ongeloof, komt lofzang en dank. God wil het verleden vergeten. Hij schept zonder ophouden nieuwe dingen. Hij opent voor ons horizonten vol hoop op een nog veel mooiere toekomst.

Dit zegt de Heer, die een weg baande door de zee en een pad door machtige wateren, die paarden en wagens liet uitrukken, een heel leger van geweldenaars – daar lagen ze, en ze stonden niet meer op, ze zijn vergaan, als een kwijnende vlam gedoofd.
Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd, laat het verleden nu rusten. Zie, Ik ga iets nieuws verrichten, nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt?
Ik baan een weg door de woestijn, maak rivieren in de wildernis. De wilde dieren zullen Mij eer bewijzen, de jakhalzen en de struisvogels, omdat Ik water schep in de woestijn en rivieren in de wildernis; het volk dat Ik heb uitgekozen, laat Ik drinken. Dit is het volk dat Ik mij gevormd heb, het zal mijn lof verkondigen.

 

Psalm 126, 1-6

Refr.: De Heer heeft voor ons iets groots verricht.

Toen de Heer het lot van Sion keerde,
was het of wij droomden,
een lach vulde onze mond,
onze tong brak uit in gejuich.

Toen zeiden alle volken:
‘De Heer heeft voor hen iets groots verricht.’
Ja, de Heer had voor ons iets groots verricht,
we waren vol vreugde.

Keer ook nu ons lot, Heer,
zoals U water doet weerkeren in de woestijn.
Zij die in tranen zaaien,
zullen oogsten met gejuich.

Wie in tranen op weg gaat,
dragend de buidel met zaad,
zal thuiskomen met gejuich,
dragend de volle schoven.

 

Uit de brief van Paulus aan de Filippenzen 3, 8-14

Paulus draagt zijn deel lijden en vervolgingen. Hij kent de grenzen van zijn aanhankelijkheid aan het mysterie van Jezus. Maar Hij kent ook de beloning, die God voor hem heeft weggelegd: hij zal verrijzen uit de doden zoals zijn Meester.

Broeders en zusters,
alles beschouw ik als verlies. Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van Hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid. Ik wilde Christus winnen en één met Hem zijn; niet door mijn eigen rechtvaardigheid omdat ik de wet naleef, maar door die van God, de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus.
Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan Hem gelijk worden in zijn dood, in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan. Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt. Maar ik houd vol in de hoop eens dat te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft.
Ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker: ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt. Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept.

 

Kyrie eleison.

Niet de dood van een zondaar wil Ik,
zegt de Heer,
maar zijn bekering en zijn leven.

Kyrie eleison.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 8, 1-11

De Schriftgeleerden en Farizeeën kenden het medelijden dat Jezus betoonde met de zondaars. Daarom lieten ze Hem over de overspelige vrouw oordelen. Maar omdat Jezus Jezus is heeft alleen Hij de macht om Gods oordeel uit te spreken. Hij doet het zoals zijn Vader, Hij veroordeelt niet maar Hij redt. Waar deze vrouw voordien geen hoop meer had, wordt nieuwe hoop weer mogelijk. God wanhoopt aan niemand.

Jezus ging naar de Olijfberg, en vroeg in de morgen was Hij weer in de tempel. Het hele volk kwam naar Hem toe, Hij ging zitten en gaf hun onderricht.
Toen brachten de Schriftgeleerden en de Farizeeën een vrouw bij Hem die op overspel betrapt was. Ze zetten haar in het midden en zeiden tegen Jezus: ‘Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt toen ze overspel pleegde. Mozes draagt ons in de wet op zulke vrouwen te stenigen. Wat vindt U daarvan?’
Dit zeiden ze om Hem op de proef te stellen, om te zien of ze Hem konden aanklagen. Jezus bukte zich en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen ze bleven aandringen, richtte Hij zich op en zei: ‘Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen.’ Hij bukte zich weer en schreef op de grond.
Toen ze dat hoorden gingen ze weg, een voor een, de oudsten het eerst, en ze lieten Hem alleen, met de vrouw die in het midden stond.
Jezus richtte zich op en vroeg haar: ‘Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?’
‘Niemand, Heer’, zei ze.
‘Ik veroordeel u ook niet’, zei Jezus. ‘Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer.’

Van Woord naar leven

Geliefde mensen,
doorheen de drie lezingen van vandaag merken we duidelijk een rode draad. Telkens wordt er gezegd dat er ‘iets nieuws’ tot stand komt.

In het evangelie is dat de vrouw die men wilde stenigen. Jezus, die met enkele wijze woorden iedereen huiswaarts stuurde, zei tot de vrouw: ‘Ook Ik veroordeel u niet, ga naar huis en zondig niet meer.’ Deze vrouw mocht opnieuw beginnen, gered (letterlijk en figuurlijk) als ze was door de Heer. Ze mocht een nieuw leven beginnen, en wel door Hem gezonden.

In de tweede lezing horen we Paulus zeggen: ‘Ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt. Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept.’ We kennen het verleden van Paulus: de grote christenvervolger. Vandaag zou men spreken van een groot terrorist. Hij weet zich, door de genade van de Heer, vernieuwd. In Hem is hij herboren. En niet achterom kijkend richt hij zich nu op zijn roeping waartoe God hem doorheen Christus beweegt.

En bij de profeet Jesaja horen we God zeggen: ‘Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd, laat het verleden nu rusten. Zie, Ik ga iets nieuws verrichten, nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt?’ Ook hier een oproep niet ter plaatste te blijven trappelen, het verleden niet mee te nemen, maar je richten naar het nu en de toekomst, naar het nieuwe dat reeds aan het ontkiemen is.

Drie keer een oproep ons te richten naar het nieuwe wat ons te wachten staat.

Kenmerkend voor dit ‘nieuwe’ is, dat het geen maaksel is van de mens. Drie keer ligt het initiatief bij God. Bij Jesaja is de profetie als woorden van God zelf. Bij Paulus in de roeping die Hij van God krijgt. En in het evangelie bij de vrouw die door Jezus gered, vernieuwd en gezonden wordt.

Eigenlijk gaan deze drie lezingen over Gods barmhartigheid. Zijn barmhartigheid jegens de mensheid, jegens iedere mens persoonlijk, jegens u, jegens mij.

Vele mensen dragen een verleden met zich mee dat niet altijd zo rooskleurig is. Soms zijn er dingen gebeurd waarvan een mens spijt heeft. En zo graag – dat hoor ik toch regelmatig – zou men de klok van het leven willen terug draaien.
De lezingen van vandaag nodigen uit om die soms zware rugzak van het verleden achter te laten. Dikwijls is zo’n rugzak een ware kwelling, een echte rem om vooruit te kunnen. Vele depressies komen voort uit het feit dat men z’n verleden niet kan loslaten. Ik wil daar ook niet lichtzinnig over doen. Die zware rugzak loslaten is niet makkelijk.
We hoeven dat dan ook niet op eigen houtje te doen.

De lezingen van vandaag nodigen uit onszelf met ons verleden aan de Heer af te geven en toe te vertrouwen. Opdat Hij onze hele persoon, met alle vuiligheid die aan ons kleeft, kan vernieuwen in zijn barmhartigheid. En met ‘vernieuwen’ bedoel ik dat Hij ons, net zoals bij de overspelige vrouw uit het evangelie, niet veroordeelt om ons verleden, maar juist integendeel. Hij zal ons innerlijk bevrijden, én zenden.
Als hergeborenen in Hem mogen we kijken naar het nu, naar de toekomst. Om onze verdere levensweg te gaan in Hem, zijn liefde dragend, en uitdragend.

Lieve mensen,
mogen de lezingen van vandaag een diepe troost zijn voor allen die gebukt gaan onder hun verleden. Ik zou zeggen: ga in gebed naar de Heer, leg heel je persoon (met je verleden) bij Hem neer. En laat je door Hem vernieuwen. Ontvang van Hem je zending, in het leven dat je vandaag leidt, met die mensen waarmee je vandaag samenleeft, met hen die je vandaag ontmoet.

Moge het een mooie, en in de diepte blijde weg zijn, die je, samen met de Heer, bewandelt.

En niet onbelangrijk: mogen we als Kerk die grote barmhartigheid van God ook dragen en beleven naar elkaar toe, en naar allen, ook ver buiten de grenzen van ons eigen geloofsgemeenschap.

Een mooie en gezegende zondag voor ieder van u.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,
moge elke steen die wij in ons hand nemen om naar iemand te werpen ombuigen naar een hart van liefde. Opdat wij, zelf vernieuwd in U, altijd iedereen een nieuw ‘nu’ zouden gunnen; U ontmoetend, uw liefde uitdragend.
Om deze genade bidden wij U, in Christus, onze Broeder en Heer. Amen.