Lezingen van de dag – donderdag 3 sept 2020

donderdag in week 22 door het jaar


Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 3, 18-23

De christenen van Korinte zijn verdeeld onder elkaar. Paulus herinnert hen eraan dat zij maar één meester hebben. Al de rest hieraan is hier ondergeschikt. Menselijke wijheid dient hier tot niets. Alleen Gods wijsheid, zoals die werkt in Christus, kan deze eenheid tot stand brengen.

Broeders en zusters,
laat niemand zichzelf bedriegen. Wanneer iemand van u denkt dat hij in deze wereld wijs is, moet hij eerst dwaas worden; pas dan kan hij wijs worden. Wat namelijk in deze wereld wijsheid is, is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: ‘Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid.’ En er staat ook geschreven: ‘De Heer kent de gedachten van de wijzen; Hij weet dat ze niet meer dan lucht zijn.’
Niemand van u moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want álles is van u; of het nu Paulus, Apollos of Kefas is, wereld, leven of dood, heden of toekomst–álles is van u. Maar u bent van Christus en Christus is van God.

Psalm 24, 1-6

Refr.: Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft.

Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft,
de wereld en wie haar bewonen.
Hij heeft haar op de zeeën gegrondvest,
op de stromen heeft Hij haar verankerd.

Wie mag de berg van de Heer bestijgen,
wie mag staan op zijn heilige plaats?
Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
zich niet inlaat met leugens en niet bedrieglijk zweert.

Zegen zal hij ontvangen van de Heer,
en recht verkrijgen van God, zijn redder.
Dat valt hun ten deel die U zoeken,
die zich tot U wenden; het volk van Jakob.

Uit het evangelie volgens Lucas 5, 1-11

Wij kunnen de Heer ontmoeten in tekenen. Eén van deze tekenen is het apostolaat. De apostelen kunnen zwoegen en werken, maar dikwijls zonder merkbaar resultaat. Op een teken van de Heer wierpen zij hun netten uit. En het lukte. Zo geeft Christus stuwkracht aan al wie Hem volgt.

Toen Jezus eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om Hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, zag Hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen.
Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; Hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot.
Toen Hij was opgehouden met spreken, zei Hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’
Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’
En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken.
Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’
Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten.
Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’
En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden Hem.

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.