Lezingen van de dag – maandag 27 juni 2016

maandag in week 13 door het jaar


Uit de profeet Amos 2, 6-10 + 13-16

De aardse goederen zijn toevertrouwd aan de mensen opdat ze er elkaar gelukkig mee zouden maken. In tijden van welstand gebeurt het niet zelden dat ze er misbruik van maken in het nadeel van armen en kleinen. Bij monde van de profeet Amos worden deze onrechtvaardigheden aangeklaagd. Uitzichtloos is de situatie niet als men Gods woord aanvaard.

Dit zegt de Heer:
‘Misdaad op misdaad heeft Israël begaan – daarom zal Ik mijn vonnis niet herroepen! Ze verkopen de rechtvaardigen voor zilver en de armen voor een paar sandalen. Ze zijn eropuit de zwakken in het stof te laten kruipen, en de machtelozen dringen ze opzij. Een zoon en zijn vader komen bij hetzelfde meisje en maken zo mijn heilige naam te schande. Ze strekken zich naast de altaren uit op kleren die ze in onderpand hebben, en in het huis van hun God drinken ze wijn die als boete was ontvangen. En toch heb Ik ter wille van jullie de Amorieten uitgeroeid, die zo groot waren als ceders en zo sterk als eiken: met wortel en tak roeide Ik ze uit. Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, Ik heb jullie veertig jaar lang door de woestijn gevoerd, opdat jullie het land van de Amorieten in bezit konden nemen.
Daarom zal Ik de grond onder jullie voeten doen kraken, zoals een kar vol schoven kraakt in zijn voegen. De snelste man vlucht dan tevergeefs, de sterke heeft niets aan zijn kracht, de krijgsheld redt zijn leven niet, geen boogschutter houdt stand, geen hardloper ontkomt, geen ruiter brengt het er levend af, zelfs de dapperste held zal naakt moeten vluchten die dag.’
Zo spreekt de Heer.


Psalm 50, 16bc -23

Refr.: Versta het toch, jullie die aan God niet denken.

Wat baat het dat je mijn geboden opzegt
en mijn verbond in de mond neemt ?
Je haat het als Ik je terechtwijs,
mijn woorden schuif je ter zijde. Drieeenheid_2

Zie je een dief, je loopt met hem mee,
en bij overspeligen ben je thuis.
Je gebruikt je mond voor lastertaal
en verbindt je tong aan bedrog.

Je getuigt tegen je eigen broer,
werpt een smet op de zoon van je moeder.
Zou Ik dan zwijgen bij wat je doet,
je denkt toch niet dat Ik ben als jij ?
Ik klaag je aan, Ik som je wandaden op.

Begrijp dit goed, jullie die God vergeten,
of Ik verscheur je, en er is niemand die redt.
Wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer,
wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.


Uit het evangelie volgens Matteüs 8, 18-22

Jezus vraagt aan wie Hem willen volgen de onbaatzuchtige en radicale overgave die Hijzelf heeft laten blijken. Familiebanden en bezittingen moeten op het achterplan komen. Zoals Hij zullen zijn volgelingen dan, door de dood heen, komen tot de heerlijkheid.

Toen Jezus de mensenmassa om zich heen zag, gaf Hij bevel naar de overkant te varen.
Maar een schriftgeleerde kwam op Hem af en zei: ‘Meester, ik zal U volgen waarheen U ook gaat.’
Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’
Een ander, een van zijn leerlingen, zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’
Maar Jezus zei tegen hem: ‘Volg mij en laat de doden hun doden begraven.’

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.