Lezingen van de dag – vrijdag 26 juni 2020

 

vrijdag in week 12 door het jaar


Uit het tweede boek Koningen
25, 1-12

Sidkia de koning, die aangesteld was na de eerste wegvoering van koning Jojakin, had de les uit de feiten niet verstaan en kwam in opstand tegen Babylon. Als straf volgde de verbanning van geheel het volk. God geeft daarom zijn volk niet op, maar Hij straft het opdat het zou leren trouw te worden en te blijven aan het verbond.

In het negende jaar van zijn regering, op de tiende dag van de tiende maand, kwam Nebukadnessar, de koning van Babylonië, met heel zijn leger bij Jeruzalem aan. Hij sloeg er zijn kamp op en wierp een wal op rondom de stad. Het beleg van de stad duurde tot in het elfde regeringsjaar van koning Sedekia.
Op de negende dag van de maand – de hongersnood in de stad was ondraaglijk geworden, er was voor de bevolking niets meer te eten – werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Hoewel de Chaldeeën rondom de stad lagen, wisten alle soldaten ‘s nachts te ontkomen via de poort tussen de beide stadsmuren die uitkwam op de tuin van de koning. De koning vluchtte in de richting van de Jordaanvallei, maar het Chaldese leger zette de achtervolging in en haalde hem in op de vlakte van Jericho. Heel zijn leger werd uiteengeslagen en de koning zelf namen ze gevangen. Ze brachten hem naar Ribla, naar de koning van Babylonië, en daar werd hij berecht. Eerst werden zijn zonen voor zijn ogen afgeslacht en toen werden hem de ogen uitgestoken. Daarna werd hij naar Babel afgevoerd, geboeid met bronzen ketenen.
Op de zevende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië, trok diens dienaar Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen. Hij stak de tempel van de Heer in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op. Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de stadsmuren van Jeruzalem neer. De mensen die nog in de stad over waren, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babylonië waren overgelopen, kortom, iedereen die nog over was. Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen.

 

Psalm 137, 1-6

Refr.: Als ik jou, Jeruzalem vergeet, laat dan mijn hand de snaren vergeten.

Aan de rivieren van Babel,
daar zaten wij treurend en dachten aan Sion.
In de wilgen op de oever hingen wij onze lieren.
Daar durfden onze bewakers te vragen om een lied,

Daar vroegen onze beulen: ‘Zing voor ons
een vrolijk lied uit Sion.’
Hoe kunnen wij zingen een lied van de Heer
op vreemde grond

Als ik jou vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn hand de snaren vergeten.
Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 8, 1-4

Na de bergrede biedt Matteüs een reeks wonderen. Het eerste daarvan is de genezing van een melaatse. Hij wordt weer volledig opgenomen in de gemeenschap. Jezus vraagt hem dit wonder niet uit te bazuinen. Want dit kwam niet overeen met zijn zending. Sommige Joden zouden haar verkeerd verstaan hebben.

Jezus daalde de berg af en grote mensenmassa’s volgden Hem.
Er kwam iemand naar Hem toe die aan huidvraat leed. Hij wierp zich voor hem neer en zei: ‘Heer, als U wilt, kunt U mij rein maken.’
Jezus strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’
En meteen was hij gereinigd van zijn huidvraat.
Jezus zei tegen hem: ‘Denk erom dat u er met niemand over praat, maar ga u aan de priester laten zien en breng als getuigenis voor de mensen het offer dat Mozes heeft voorgeschreven.’

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.